De Stichting 1940-1945 en de kinderen van verzets-deelnemers

Wij zullen voor hen zorgen. Onder dit devies werd op 13 oktober 1944 ten behoeve van de weduwen en de kinderen van omgekomen verzetsmensen de Stichting 1940-1944 opgericht. Naast de zorg voor de nagelaten betrekkingen stond de taak om voor verzetsmensen die door het verzet of in gevangenschap invalide waren geworden, herstel, werk, huisvesting, omscholing of een pensioen tot stand te brengen.

Over psychische problemen werd in die eerste jaren niet gesproken. Het land moest worden opgebouwd, de schouders moesten eronder. Geen gezeur, de oorlog was afgelopen.

Je bent een kind en kijkt ernaar: Interview met een jeugdige burger-oorlogsgetroffene

‘Het was beangstigend. Ik snapte het niet. De oorlog was een afgesloten hoofdstuk voor me en toen ineens rond mijn vijftigste was het ‘s nachts weer oorlog, heel indringend. Elke tegel, elk grassprietje, de gebroken ogen van een soldaat; alles haarscherp. Beangstigende situaties uit mijn kindertijd keerden terug in dromen.

De maatschappelijke gevolgen van het oorlogstrauma voor de verschillende generaties

Om de betekenis van een oorlogstrauma voor een individu te onderzoeken, is het goed naast een individueel-therapeutische ook een sociologische zienswijze toe te passen. Wij kunnen ons dan afvragen hoe oorlogstraumata uit de Tweede Wereldoorlog in de maatschappelijke werkelijkheid van nu nog steeds een rol spelen.

Een geval van onaangepast gedrag

Mijn opa was marskramer te Winschoten en liep de boeren af ‘mit pak’.

Ik heb hem nooit gekend; hij stierf nog voor de anderen dat dorp verlieten.

Toen stond ik daar, marskramer te Winschoten met in mijn ransel fibelekwenten van venijn en heimwee naar een plek die ik niet ken.

Alleen die pereboom uit dat gedichtje van Van Wattum waarachter vader schuilgaat, de zoon van een marskramer te Winschoten

Wanneer houdt dat gelieg nou toch eens op?

Was ik maar het kind dat ik eens was.

De jonge eerste generatie, 50 jaar later

Na een beschrijving van de invloed van traumatiserende gebeurtenissen op het nog jonge individu wordt beschreven hoe de oorlog nu nog doorwerkt, waarbij met name aandacht gegeven wordt aan de relatie tussen de jonge eerste generatie en hun kinderen.

In het klachtenbeloop worden drie fasen onderscheiden. Op grond hiervan wordt met betrekking tot de behandeling gepleit voor een stabiliserend model waarbij gebruik wordt gemaakt van psycho-educatie en systeembenadering.

Wat ik niet wist of toch nog was vergeten

Waar ik mee leef, zo luidt de titel van mijn laatst verschenen boek, onderverdeeld in Wat ik nog weet en het al eerder verschenen Kind in kamp. Toen ik het aan het schrijven was werd ik als het ware besprongen door herinneringen. De ene sleepte de volgende met zich mee en ik moest altijd pen en papier bij me hebben, anders ontglipten ze me weer.

Helpers bij het verwerkingsproces

Onderstaande voordracht werd gehouden op een bijeenkomst voor vrijwilligers uit de organisaties voor oorlogskinderen en voor de naoorlogse generatie. Deze bijeenkomst begon met een door de filmer Willy Lindwer vervaardigd portret van Halinka.

De ondersteuning van verzorgenden bij de dagelijkse zorg aan oorlogsgetroffenen

De dagelijkse zorg in verzorgings- en verpleeghuizen verdraagt geen afstandelijke omgang, maar betekent een voortdurend contact tussen verzorgende en oudere waarin allerlei emoties een rol spelen. Zo kunnen verzorgende en oudere veel voor elkaar gaan betekenen. Vaak is er bij verzorgenden sprake van grote betrokkenheid bij het wel en wee van de ouderen.

De naoorlogse generatie getekend?

Deze studiedag staat in het teken van de Indische naoorlogse generatie en het heeft u dan ook misschien verbaasd dat ik in de titel van mijn voordracht het bijvoeglijk naamwoord Indische heb weggelaten. Ook het vraagteken vraagt om een nadere toelichting.

Ik heb het woord Indische niet gebruikt omdat ik niet de suggestie wil wekken dat ik u iets zou kunnen vertellen wat in zijn algemeenheid waar of specifiek is voor de bevolkingsgroep die ooit in Indië gewoond of gewerkt heeft, of over hun kinderen.

Twee meisjes buiten de kampen

Onderstaande tekst is een door de redactie bekort en enigszins bewerkt interview met mevrouw Bea Dandrieu. Het gehele interview zal met nog twaalf andere verschijnen in een boek van beide auteurs, getiteld ‘Indië, een verre oorlog van dichtbij. Herinneringen van vrouwen in bezet Nederlands-Indië’.

De eerste auteur is verbonden aan de vakgroep Vrouwenstudies Letteren van de Universiteit Utrecht. De tweede auteur bracht de oorlog in kampen in Indië door.

Pagina's