‘Een hoofd vol verhalen’ : Gerdi Verbeet over het belang van WOII

De Tweede Wereldoorlog is altijd aanwezig geweest in het leven van Gerdi Verbeet, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. De oudvoorzitter van de Tweede Kamer is overtuigd van de relevantie van deze periode voor het heden. Met het Nationaal Comité 4 en 5 mei zorgt ze ervoor dat de Nederlandse maatschappij het belang van het herdenken van de slachtoffers en het vieren van de vrijheid beseft.

 

De eerste keer dat Gerdi Verbeet het statige gebouw binnenliep waar het Nationaal Comité 4 en 5 mei gevestigd is, viel haar oog op de gebeitelde inscriptie boven de deur. ‘Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen’ stond er onder het jaartal 1877. ‘Mijn vader heeft hier op school gezeten. Ik geloof niet in…’, ze stopt en kijkt naar buiten. ‘Het besef dat ik uitkijk op dezelfde dakpannen als hij is toch bijzonder.’ Een ouderwets schoolbord met krijt hangt als een stille herinnering aan dit verleden aan de muur links van haar. Verbeet is sinds 1 juni 2015 voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Het Nationaal Comité heeft als opdracht de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend te houden. Ook moet het comité ervoor zorgen dat zowel het herdenken van de slachtoffers als het vieren van de vrijheid actueel blijft en aansluit bij de belevingswereld van nieuwe Nederlanders en nieuwe generaties. Omringd door de oorlog Al op jonge leeftijd drongen de gevolgen van de oorlog zich aan haar op. Door de persoonlijke verhalen over hun oorlogservaringen van haar juffen op de lagere school en haar docent geschiedenis op de middelbare school. Via het leven van haar tante Johanna BlanesMontezinos die het gezin Verbeet op de rails zette, nadat haar vader een herseninfarct had gehad. Door de soepkar die door de straten reed in het arme Nederland in opbouw. In de gesprekken thuis over Soekarno en de Indische interneringskampen. Ook later bleef de oorlog terugkomen, met name toen ze in 2001 in de Tweede Kamer werd gekozen en ze de portefeuille VWS kreeg. Hier vielen onder andere de uit­keringswetten voor slachtoffers van de Tweede Wereld­oorlog, het herdenken van de oorlog en het vieren van de vrijheid onder. Namens de andere fracties mocht ze de Algemene Overleggen over deze onderwerpen voorbereiden. Alle fracties wilden dit zo goed mogelijk afstemmen om te vermijden dat de oorlogsslachtoffers onnodig gekwetst werden. ‘Ons doel was de mensen niet ongelukkiger te maken dan ze al waren’, zeg ze.

Als voorzitter van de Tweede Kamer (2006-2012) voelde Verbeet zich eveneens nauw betrokken bij de oorlog. ‘Ik haalde veel voldoening uit de herdenkingen in de Tweede Kamer op 4 mei en op 14 augustus, de laatste de dag voorafgaand aan de algemene herden­king van de slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. ‘4 mei is echt een moment dat de Nederlandse samenleving één is, dat men zich echt Nederlands voelt’, zegt ze. ‘Samen beseffen hoe bijzonder vrijheid is. Dat werkt verbindend.’ Terugblikkend op haar tijd als Kamervoorzitter ziet ze de toespraak tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam in 2011 als haar hoogtepunt.

Tijdens haar lidmaatschap van de Tweede Kamer had ze veel contact met mensen die zich met de Tweede Wereldoorlog bezighielden, zowel bestuurders als getroffenen. Contacten die haar nu goed van pas komen in haar functie als voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Via het Nederlands Auschwitz Comité ging Verbeet mee op een reis met slachtoffers naar de ver­schillende kampen. ‘Ik heb toen gemerkt hoeveel last mensen, van de eerste tot en met de derde generatie, nog kunnen hebben van de oorlog.’ Tegelijkertijd viel haar ook de veerkracht op van de slachtoffers en hun kinderen. ‘Ze zijn aangeslagen, maar niet verslagen.’ 

Stil zat ze niet na haar afscheid uit de Tweede Kamer in 2012. Verbeet werd voorzitter van een keur aan besturen en raden van toezicht, onder andere van de Nederlandse Patiëntenfederatie, het Rathenau Instituut en Paleis Het Loo. Dat ze zich ook weer ging bezighouden met de Tweede Wereldoorlog mag geen verbazing wekken. Gevraagd naar het moeilijkste moment na haar afscheid van de Tweede Kamer antwoordt ze: ‘De eerste keer dat ik geen Kamervoorzitter meer was en thuis op de bank de herdenking op tv zag.’

Samenwerking
Bij haar aantreden als voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei kreeg Verbeet ook een extra opdracht mee van Martin van Rijn, staatssecretaris van Volks­gezondheid, Welzijn en Sport: het bevorderen van de samenwerking tussen alle organisaties en personen die zich bezighouden met de Tweede Wereldoorlog. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei is één van de initiatief­nemers van het Platform Herinnering WOII waarin de sector samenwerkt. Verbeet is op dit moment tijdelijk voorzitter van dit orgaan.

‘De middelen zijn schaars en de opdracht is groot, maar we hebben een gezamenlijk doel: de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend houden en te leren van deze jaren voor het heden. We willen dat de mensen beseffen dat je het verschil kunt maken. Je hebt een keuze. Als je in staat bent en de geestkracht hebt, maak dan die keuze en kom in actie tegen onrecht.’ Ook buiten het platform om zoekt het Nationaal Comité 4 en 5 mei samenwerking met andere organisaties. Op 9 mei van dit jaar ondertekende Verbeet namens het Comité een convenant met Arq Psychotrauma Expert Groep over de samenwerking op het gebied van beleidsonderzoek en beleidsadvies rond de Tweede Wereldoorlog.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei doet veel rond herdenken en vieren, maar heeft volgens Verbeet ook onderzoek nodig om te kunnen bepalen wat voor effect de activiteiten hebben en of ze aansluiten bij de bele­vingswereld van de Nederlanders. ‘Onderzoek voedt ons’, zegt Verbeet. ‘Ik kan nu bijvoorbeeld gebaseerd op harde feiten zeggen dat 4 en 5 mei door steeds meer mensen gedeeld worden. Dat er een toename is van de energie en betrokkenheid bij het vieren van de vrijheid. Zonder onderzoek kan ik dit soort uitspraken niet gefundeerd doen.’ Onderzoek kan ook helpen om handvatten te bieden voor de eventuele aanpassing van het herdenken en vieren aan de huidige tijd. Er zijn namelijk diverse uitdagingen op dat vlak.

 

Relevantie voor de toekomst
De Tweede Wereldoorlog verdwijnt steeds verder in het verleden. In de afgelopen decennia is de Nederlandse maatschappij ingrijpend veranderd door technologische ontwikkelingen, migratie, globalisering en culturele veranderingen. Bovendien zijn er steeds minder mensen die deze tijd nog bewust hebben meegemaakt. Het zijn factoren die het Nationaal Comité 4 en 5 mei dwingen om kritisch te kijken naar de activiteiten rond 4 en 5 mei. Hoe kan de maatschappij doordrongen blijven van de relevantie van de Tweede Wereldoorlog voor het heden?
Verbeet is een groot voorstaander van het gebruik van persoonlijke verhalen om die relevantie te verduide­lijken. ‘De beste bondgenoten hierbij zijn de mensen die het zelf hebben meegemaakt. De meeste van hen staan ook open voor verhalen over de oorlogen van nu.’ Zelf maakte ze in haar toespraken over de oorlog ook altijd gebruik van de herinneringen van mensen uit haar omgeving. ‘Ik heb een hoofd vol verhalen.’ Het kwam daarom goed uit dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei vlak voor haar aantreden een visie voor de toekomst presenteerde waarin de dichtregel van Leo Vrooman (‘Kom vanavond met verhalen’) als uitgangspunt was genomen.
Maar wat gebeurt er als de mensen die de oorlog zelf hebben meegemaakt er niet meer zijn om de verhalen te vertellen? Verbeet ziet nog voldoende mogelijkheden. ‘Er zijn al veel familieverhalen vastgelegd. De tweede gene­ratie kan nog meer betrokken worden bij het levend houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog door hen gastlessen te laten geven op scholen. Of bij­voorbeeld via het project Open Joodse Huizen, een pro­gramma van kleinschalige, particuliere herdenkingen in de huizen waar Joodse Nederlanders hebben gewoond die tijdens de oorlog zijn gedeporteerd en vermoord. We moeten blijven zoeken naar nieuwe middelen om het verhaal over te brengen.’

 

Nederlands-Indië
Soms kunnen verhalen niet verteld worden omdat ze te pijnlijk zijn, weet Verbeet uit eigen ervaring. Haar eigen vader behoorde tot de eerste militairen die werden uitgezonden naar Nederlands-Indië om de kolonie te bevrijden en rust en orde te brengen. Inmiddels is uit wetenschappelijk onderzoek duidelijk geworden dat Nederlandse militairen daar structureel extreem geweld hebben toegepast. Na ruim twee jaar keerde haar vader terug om met haar moeder te trouwen en een gezin te stichten. ‘Ik heb er nooit met mijn vader over gesproken’, zegt ze. ‘Hij had er waarschijnlijk dubbele gevoelens over. Hij vermeldde altijd nadrukkelijk dat hij in een “non-combattante” functie actief was geweest. Hij was foerier, verantwoordelijk voor de bevoorrading.’ De oor­log in Nederlands-Indië wordt inmiddels gezien als een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis, maar dat militairen een belangrijke rol kunnen spelen in het bewaken van onze vrijheid staat voor haar buiten kijf. ‘Voor onze vrijheid moeten we bijdragen aan democratie in de rest van de wereld. “Vooruit verdedigen” heet dat in militaire termen.’

Referentie: 
Onno Sinke | 2017
In: Impact magazine: over de psychosociale gevolgen van ingrijpende gebeurtenissen, ISSN 2543-2591 | 1 | 2 | juli | 11-13
https://oorlog.arq.org/sites/default/files/domain-50/documents/impact_magazine-02-def-50-15089360951032892898.pdf
Trefwoorden: 
democratie, dodenherdenking, ego-documenten, herdenkingen, Nationaal Comité 4 en 5 mei, Nederlands-Indie, oorlogsmisdrijven, Tweede Wereldoorlog (1939-1945), Vrijheid