Onafgedane zaken: Paul Hellmann over onderduik, loyaliteiten, houvast en schrijven

Paul Hellmann (1935), journalist bij NRC Handelsblad tot 1995, moest op zevenjarige leeftijd onderduiken en is, na korte verblijven elders, terechtgekomen bij de familie Kröller-Müller in de buurt van de Hoge Veluwe. Na de oorlog kon hij niet terug naar huis, zijn vader was vermoord in Sobibor en zijn moeder kon hem niet opvangen. Hij bracht de naoorlogse jaren tot aan zijn studententijd door in het gezin van Marten Toonder. Voor een recensie van Hellmanns boek Mijn grote verwachtingen zie bladzijde 7 van dit nummer. paul Hellmann is medeaanklager in het proces tegen Demjanjuk die wordt verdacht van medeplichtigheid aan de moord op 27.900 Nederlandse joden in Sobibor.

 

Lies Schneiders interviewt paul Hellmann bij hem thuis, in zijn geliefd Rotterdam waar hij is geboren.

 

In het begin van uw boek staat een foto van een platgebombardeerd Rotterdam. U schrijft ook over een verlangen naar Rotterdam. Hoe verhoudt zich dat met elkaar?

 

‘In Rotterdam heb ik de heerlijkste jaren van mijn jeugd doorgebracht. Als kind ben ik in de oorlog, terwijl ik elders ondergedoken zat, naar Rotterdam gegaan en heb daar een dag rondgezworven. Ik moest naar het zwembad en was bang voor de badmeester en ben toen gewoon op de trein gestapt naar Rotterdam. Heel gevaarlijk eigenlijk. Toen ik na de oorlog die stad weer zag ging mijn hart open. Juist dat gehavende. Je associeert dat met jezelf, met je eigen situatie. Je was zelf gehavend en de stad was daar de uiterlijke kant van. Je hart ging uit naar die stad en je wilde dat alles zo prachtig mogelijk zou worden. Elk gebouw dat er kwam zag je als een overwinning op wat er gebeurd was.’

 

Hoe was uw onderduiktijd?

 

‘Toen ik ondergedoken was had ik zo’n hang naar het gewone leventje dat ik zag als ik naar binnenkeek in huizen waar een vader, moeder en twee kinderen rond de tafel zaten. De familie in Ede waar ik was leidde helemaal geen burgerlijk, gezellig, Hollands huiselijk leven. Het waren uitzonderlijke mensen. Ik vond het verrukkelijk toen ik er kwam na een vreselijke ervaring van het onderduikadres in Utrecht.

 

Ik kon doen en laten wat ik wilde, de mensen waren aardig. Mevrouw was een dochter van Anthony Kröller en Helene Kröller-Müller. Zij wilde dat ik haar oma noemde maar dat kon ik niet over mijn lippen krijgen. Dat was voor mij een stap te ver want ik had al twee oma’s. Ik ging een tijdje naar een school met de bijbel en toen dat blijkbaar gevaarlijk werd kreeg ik bijles. Dat heeft kort geduurd. Ik las veel en ik denk dat ze zich geen zorgen maakten over mijn ontwikkeling. Allengs kwamen er meer spanningen in dat gezin. Er gebeurden de meest verschrikkelijke dingen die voor mij de oorlog in de schaduw stelden. De ene zoon pleegde zelfmoord, de andere deed een poging en mevrouw trok zich steeds meer terug op haar kamer. Er was een sfeer van verdriet en geheimzinnigheid. Ik heb altijd voor ogen gehouden: ik hoor hier niet echt thuis, ik ben hier maar tijdelijk. Ik hield van die mensen, ze hebben hun nek voor me uitgestoken, maar niettemin wilde ik niet bij ze horen. Toch ging ik steeds meer door hun ogen naar de wereld kijken. Toen mijn moeder mij daar kwam opzoeken en haar nagels had gelakt vond ik dat aan de ene kant mooi en spannend, maar ik schaamde me er ook voor, want in de wereld van de Kröller-Müllers deed je dat niet.’

 

Hoe ging het verder na de oorlog?

 

‘Kinderen voelen veel dingen aan zonder dat het met zoveel woorden is gezegd. Mijn moeder kon niet over die oorlogsjaren praten. Die jaren waren veel te pijnlijk voor haar, ook omdat het tussen mijn ouders voordat ze onderdoken niet zo goed ging. Wel stelde ze me onmogelijke vragen: “Hou je wel van mij?” “Je houdt toch echt van mij?”. Daarbij kwam dat ze in de oorlog een relatie kreeg met iemand die er weinig voor voelde om na de oorlog er nog eens een kind bij te nemen. Het ging trouwens vrij snel mis met die relatie. Maar de teleurstelling dat mijn moeder me na de oorlog niet met zich meenam, daar ben ik nooit overheen gekomen. Ik had in mijn hoofd gezet: ik ben hier maar tijdelijk en toen was het eindelijk zover, de bevrijding, en toen gebeurde er helemaal niets. Mijn moeder kwam niet, ja, na een paar maanden, maar ze kwam me niet halen. Op de een of andere manier heb ik dat toen, op het oog, manhaftig verwerkt. Ik zag haar wel af en toe. Ze zou me een keertje komen halen en in plaats van haar in de armen te vallen liet ik me meenemen door Esther, de dochter van Mevrouw, naar vrienden van haar in Rotterdam. Ik deed maar zoals het gebeurde. Heel opportunistisch. Ik was bijna een kameleon. Toen ik in 1947 bij de Toonders kwam nam ik van de ene op de andere week een heel andere levensstijl aan. Ik zette een streep onder mijn leven bij de Kröller-Müllers waar ik toch zoveel jaren had verkeerd. Achteraf vind ik het merkwaardig dat me dat zo makkelijk is gevallen. Zij hadden toch hun leven voor me gewaagd. Ik heb ze ook jarenlang niet meer gezien. Daar voel ik me wel schuldig over. Wat meespeelde was dat die familie onbespreekbaar was bij mijn moeder en de Toonders, die familie waren van mijn moeder, kozen haar kant. Die ingewikkelde situatie bleef een rol spelen zolang al die mensen in leven waren.

 

Er werd wel eens bij de Toonders over de oorlog gepraat, maar heel summier. “Niet in de oorlog blijven hangen. Er zijn zoveel andere dingen.”

 

Mijn moeder heeft me de brief laten zien van het Rode Kruis waarin vermeld stond dat mijn vader door verstikking om het leven is gekomen in Sobibor. Verder kwamen die oorlogsjaren weinig ter sprake, ook niet met mijn tante Ilse die psychoanalytica was in Londen en bij wie ik af en toe logeerde. Ze zei wel eens tegen mij: “Ik begrijp niet dat je nog zo normaal bent”.’

 

U groeide op met bekende en beroemde mensen om u heen, hoe was dat?

 

‘Als kind vind je dat heel gewoon, je staat er niet bij stil. Bij toeval ben ik in beide families terechtgekomen. Naarmate je ouder wordt ga je zien dat het ingewikkeld is om een beroemde vader als Marten Toonder te hebben.

 

Ik had daarin een makkelijker positie dan zijn eigen kinderen, hoewel ik hem wel veel meer als vader had willen hebben. Ik was een buitenstaander, die er wel bij hoort maar niet voor 100%. Mijn moeder die een tijdje ook daar woonde, wilde niet dat we bepaalde dingen overnamen, zoals elkaar bij de voornaam noemen wat gebruikelijk was bij de Toonders. Ik vond het ook weer lastig om haar daar mama te noemen, terwijl iedereen elkaar bij de voornaam noemde, dus ik omzeilde dat een beetje.

 

Marten vond teruggaan naar de joodse wortels niet goed. Dat sloeg volgens hem nergens op. Dat joodse stempel dat de Duitsers op mensen drukten is dan zo sterk geworden dat mensen zich inderdaad daaraan gaan conformeren en denken: oh ja, ik ben joods, ik ga joods leven en me joods gedragen. Marten legde de lat hoog. Dat heb ik wel moeilijk gevonden. Hij was een echte werkezel en ontzettend streng voor zichzelf. Als opgroeiend joch had ik andere dingen aan mijn hoofd, maar wij moesten ook voldoen aan die eis. Dat was een enorme druk. In weekends, als andere jongens leuke dingen gingen doen, werden wij geacht achter ons bureau huiswerk te maken, terwijl wij eigenlijk onze tijd zaten te verlummelen. Een Bergmanachtige situatie: de strenge, rechtvaardige vaderfiguur die dingen eiste van zijn kinderen waar ze toch niet aan konden voldoen.’

 

Wat bood het schrijven in dagboeken u?

 

‘Ik had altijd het gevoel dat ik dingen wilde vastleggen. Als puber, en ook wel voor mijn puberteit, hield ik al dagboeken bij. Alleen, ik schreef de verkeerde dingen op. Ik erger me kapot aan die puber die vastlegt waar hij geweest is, wat hij gedaan heeft, welke films hij heeft gezien, als een soort archivaris. Ik zou in die dagboeken willen lezen wat ik toen dacht en voelde. Dat schrijven in die dagboeken gaf me, denk ik, een enorm houvast, een gevoel van continuïteit, dat het leven ergens naartoe gaat. Ook films waren een houvast. Zij boden mij een betere, mooiere en veiliger wereld. Zonder films had ik het denk ik niet gered. Ik was een zorgelijke en bange puber die me irriteert omdat hij zo weinig introspectie toelaat, maar ik voel ook wel compassie om de gemiste kansen, zeker in een later stadium, om meer open te zijn en meer emoties te tonen. Een onzekere jongen met een neiging tot stotteren. Mijn moeder was ook onzeker, misschien heeft ze dat wel op mij overgeplant. Zij was de oudste van een aantal kinderen en heeft het moeilijk gehad in haar familie. Haar ouders waren erop tegen dat zij met mijn vader trouwde. Tussen de regels door lees ik in die dagboeken wel een bepaalde desolaatheid. Ik beschrijf dat niet maar als ik lees dat ik twee of drie keer op een dag naar de film ga en door de straten loop, dan kan dat ook een soort eenzaamheid maskeren die ik nu voel als ik het lees en die ik, denk ik, toen ook voelde. Dat desolate gevoel stak ook later de kop op als ik als journalist een stuk aan het schrijven was en dat niet lukte. Het is een gevoel alsof je in een soort zwarte trechter terechtkomt, dat je alles verliest en niets meer bent.’

 

Erbij horen en toch ook weer niet, je buitenstaander voelen, heeft dat in uw latere leven ook een rol gespeeld?

 

‘Hoewel ik altijd journalist heb willen worden, zou je kunnen zeggen dat ik van het buitenstaander zijn mijn beroep heb gemaakt. Als journalist kom je langs en stelt vragen. Je hoort ontzettend veel interessante dingen. Je hoeft nooit zelf iets te vertellen. Een enkeling zal iets aan jou vragen maar dat zijn uitzonderingen. Ik heb een ideaal vak gekozen, het was precies goed wat dat betreft. Op de een of andere manier is een journalist het soort mens met wie ik graag omga. In de collegiale sfeer voel ik me niet een buitenstaander, in die wereld voel ik me thuis. Het werk ging wel met enorme spanningen gepaard waar mijn gezin onder geleden heeft, want die leuke gesprekken die je voerde moesten wel leiden tot een artikel in de krant. Het was zo zichtbaar als dat niet lukte en dan kon ik wel door de grond zakken. Naarmate ik meer zelfvertrouwen kreeg gebeurde dat trouwens steeds minder. Ik heb er nooit aan gedacht hulp te zoeken. Op gezette tijden had ik weliswaar grote moeite met schrijven maar ik was heel bang voor het scenario “ik geef het op”, want dan komt het niet meer goed, ik kom in een hulpverlenerstraject, word een uitkeringstrek-ker en kan geen normaal leven meer leiden. Na een nacht slapen had ik altijd wel weer genoeg reserve om verder te gaan met het stuk.

 

Bij het congres Het Ondergedoken Kind in 1992 voelde ik me wel een buitenstaander. Ik ben niet joods opgevoed en ik heb het altijd moeilijk gevonden om in gezelschap over gevoelens te praten. In journalistieke kringen werd eigenlijk een beetje lacherig gedaan over je blootgeven in gespreksgroepen. Ik voelde me op dat congres een vreemde eend in de bijt, maar het heeft kennelijk toch iets voor me betekend, want in de jaren daarna is er veel meer aan de oppervlakte gekomen.’

 

Hoe ging het schrijven van het boek?

 

‘Het is een cliché, maar na mijn pensioen in 1995 kon ik dingen meer toelaten. Als journalist had ik het gewoon veel te druk. Je hebt te maken met deadlines en je staat onder een enorme druk om een artikel op tijd in de krant te krijgen. Het gaat zoals gezegd met stress gepaard maar ook met veel bevrediging. Na mijn pensionering ben ik al die familiepaperassen gaan doornemen en ordenen die in de hutkoffer lagen en bij een ontruiming van een zolder van een Haagse antiquair te voorschijn waren gekomen.

 

Het schrijven was een worsteling. Aanvankelijk schreef ik het boek in romanvorm, maar het verhaal kan dan alle kanten op gaan en dat ging me tegenstaan. Ik vond de hele exercitie zinloos, want het verhaal had alleen maar zin als het zo dicht mogelijk bleef bij wat ik had meegemaakt. Ik ben er toen mee gestopt en was een tijdje druk met het bestuur van de vriendenvereniging van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Daarna kwam dat gevoel van onafgedane zaken weer terug. Op de radio hoorde ik een interview met de schrijver Hans Maarten van den Brink die zei dat hij niet begreep dat schrijvers hun levensverhaal in een romanvorm gieten. “Als ze zo graag willen schrijven laten ze dan gewoon opschrijven wat er gebeurd is.” Toen ben ik weer opnieuw begonnen. Het in woorden vangen is een ongelooflijk groot goed, wat mij betreft, om sommige dingen gewoon op te schrijven en er letterlijk een punt achter te zetten. Schrijven is een emotioneel proces. Niet alles is emotioneel beladen, maar als ik over mijn vader schrijf voel ik een soort golf waar ik heel moe van word maar het geeft ook een heel bevredigend gevoel als je een bladzijde over hem hebt geschreven. Ik heb flarden van herinneringen aan mijn vader zoals de laatste keer dat ik hem heb gezien, in de tuin, de dingen die hij zei, toen hij me opzocht op mijn onderduikadres. Het geeft me een enorme bevrediging dat ik die verwarrende gebeurtenissen in bepaalde woorden en gevoelens heb kunnen opschrijven en daar bij wijze van spreken een pakketje van heb gemaakt dat ik aan mijn kinderen en kleinkinderen kan geven. Dat niet alles verloren is gegaan.’

 

Is uw vader dichterbij gekomen door het schrijven?

 

‘Ja ontegenzeggelijk, niet alleen door het schrijven van het boek maar ook door de reis die mijn vrouw en ik naar Polen hebben gemaakt. Mijn vader is nog nooit zo dichtbij geweest als nu. Dat is heel mooi maar ook heel lastig, omdat het te laat komt en voorbij is.

 

Mijn moeder is niet dichterbij gekomen. Aan mijn vader had ik alleen maar prettige herinneringen. Hij deed veel met mij. Iedereen zegt dat ook. Dat mijn moeder mij na de bevrijding niet heeft opgehaald heeft onze relatie de das om gedaan. De relatie met haar is afstandelijk geworden. Het beeld van haar is niet gewijzigd, ook omdat ik haar veel langer heb meegemaakt dan mijn vader. Zij had een tragisch leven, ze is er werkelijk aan onderdoor gegaan. Ik heb haar in zekere zin tekortgedaan en zij mij waarschijnlijk ook. We hebben veel te weinig gesproken. Een heleboel vragen deden zich pas na haar dood voor. De timing is vaak zo verkeerd in het leven. Dat is een wreed iets. Sinds het uitkomen van mijn boek ben ik allerlei dingen over mijn vader op het spoor. Door een oude buurjongen die bij toeval nu in het dorp woont waar mijn vader is gepakt en die in allerlei archieven is gedoken, weet ik opeens op welke dag mijn vader gearresteerd is, bij wie hij ondergedoken zat, welke politiemannen onder wie een beruchte nazi hem kwamen halen. Die beruchte nazi is via Spanje naar Argentinië gevlucht waar hij in 1995 in vrede is gestorven. Dat is een vreselijke gedachte. Dat weet ik uit een serie artikelen in het Haarlems Dagblad, journalisten van die krant hebben hem in 1988 opgespoord. Er moeten nog kinderen van hem in leven zijn. Het gekke is dat ik zo ontzettend graag met een van die kinderen een gesprek zou willen hebben. Het moet verschrikkelijk zijn om zo’n vader te hebben, op een andere manier verschrikkelijk dan het voor mij is. Ik kon mijn vader laten stollen totdat hij in mijn ogen perfect was. Misschien had ik later andere kanten van hem leren kennen, waren er ergernissen geweest en ruzies, maar hij is een ideaalbeeld voor me geworden. Dat lijkt me in hun geval heel moeilijk.’

 

LIES SCHNEIDERS is freelance opleider en oud-medewerker van Cogis.

Referentie: 
Lies Schneiders | 2010
Cogiscope : tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld, ISSN 1871-1065 | 6 | 2 | juni | 2-6
Trefwoorden: 
joden, journalistiek, kinderen, moeders, onderduiken, Tweede Wereldoorlog (1939-1945), vader-zoon relatie, verwerking