Erkenning : ex-dwangarbeiders en de Tweede Wereldoorlog

 

Op 28 februari 1941 kondigde rijkscommissaris Seys-Inquart de verordening af ‘betreffende de verplichting tot het verrichten van diensten en de beperking ten aanzien van het veranderen van betrekking’. Deze verordening vormde de basis van de Arbeitseinsatz, de verplichte tewerkstelling in nazi-Duitsland en de bezette gebieden. In deze bijdrage worden de levensverhalen van drie ex-tewerk-gestelden weergegeven. Hopelijk geven deze verhalen een indruk van wat de ex-dwangarbeiders tijdens de oorlog hebben moeten ondergaan, maar ook van de wijze waarop zij na meer dan vijftig jaar terugzien op hun ervaringen. In een afsluitend commentaar wordt de vraag behandeld, waarom voor oorlogsgetroffenen, en dus ook voor ex-dwangarbeiders, erkenning zo belangrijk is.

 

Mijnheer A.

‘Ik ben in 1926 hier in Susteren geboren. Mijn vader was spoorwegbeambte, we waren thuis met zijn zessen. Ik ging in Sittard op de ambachtsschool, een leuke tijd, toen ik in 1943 mijn diploma haalde was ik 17 jaar. Al tijdens mijn schooltijd kwamen ze van de mijnen mensen werven. Ik wilde eigenlijk bij het spoor, net als mijn vader, maar daar konden ze in de oorlog geen mensen gebruiken, terwijl ze bij de mijnen altijd mensen nodig hadden. En als je geen werk had, konden ze je oppikken voor werken in Duitsland. Zo ben ik bij de Staatsmijnen terechtgekomen. We zijn hier in Susteren vaak beschoten, de rails en wissels vlogen over de weg, we zaten met het hele gezin in de kelder. Maar je wende er op den duur aan, mijn oudste broer en ik bleven vaak liggen, je kon toch niet iedere keer opstaan, we moesten de volgende dag weer werken.

Ik werkte als electriciën bij de Staatsmijnen. In het begin reisde ik met de trein, die vaak werd beschoten. Dan stond de trein stil en je rende de bossen in, op hoop van zegen. In 1944 konden we niet meer werken, want de Amerikanen lagen aan de ene kant van Susteren en de Duitsers aan de andere kant. Er werd heen en weer geschoten, er liep geen trein meer, er liep geen bus meer, het was een chaos.

In de tijd dat we niet meer naar de Staatsmijnen konden, was ik eens op een morgen met mijn vriend naar een paar kraters wezen kijken. Op de terugweg zagen we in de buurt van ons huis een wagen staan van de Griine Polizei, aanvankelijk hadden we nog niets in de gaten. Maar tegen twaalven wordt er gebeld en het is een van de paters uit het klooster, die ons komt waarschuwen dat ze een razzia houden en dat we weg moeten duiken.

 

Achter het rijtje huizen waar ik in die tijd woonde, loopt een pad. Alle buren hebben toen hetzelfde gedaan: we zijn dat pad overgeschoten, het veldje in achter ons huis, dat beplant was met meer dan manshoge tabaksplanten. Later bleek dat de Duitsers dat paadje in de gaten hielden, wij hadden ze niet gezien maar zij ons wel. En op een gegeven moment komt er een Duitser over dat veld met een geweer in zijn handen: “Kommen Sie mal her-aus”. Mijn vader had zich verborgen in de schuilkelder, die hebben ze niet gevonden, en mijn broer was die dag niet thuis. Maar mij hadden ze te pakken.

Mijn moeder en mijn jongere broers en zusjes stonden buiten toen ze ons wegvoerden: dat gejammer en gehuil zal ik mijn leven lang niet vergeten. Mijn moeder had de soldaten gevraagd of ze me niet wat moest meegeven, een jas, een paar schoenen. Ze hadden geantwoord dat het maar voor een paar dagen was en dan zouden we weer terug zijn. En zo ben ik vertrokken, ik had helemaal niks bij me. En het heeft vier maanden geduurd, van oktober tot januari, voor ik weer schoon ondergoed aan mijn kont had.’

 

Tewerkgesteld

‘We gingen eerst een heel stuk te voet, honderden mensen hier uit de streek. Er was een vrachtwagen met Rode Kruizen opzij, die steeds een man of veertig verderop bracht, naar Montfort, waar we in een schoollokaal op de grond moesten zitten, een Griine voor het raam en een Griine voor de deur. Op het laatst zaten er zoveel mannen in die klas dat we rechtop moesten staan.

Vanuit die school gingen we verder naar Hückelhoven, voor ons uit twee politiehonden, achter ons twee honden, en vier man links en vier man rechts, zo marcheerden we door de dorpen. Overal stonden de meisjes en vrouwen buiten met een korfje of een doos met appels of boterhammen, daar mochten we van pakken, maar al lopend, we mochten niet blijven staan. En ondanks de bewaking zijn er toen enkelen tussenuit gegaan. Maar ik was pas achttien, een broekie, ik had nog niets meegemaakt en ik durfde niks. En ik dacht dat we over een paar dagen weer naar huis zouden gaan, ik had nooit verwacht dat het zo lang zou duren.

We werden ingekwartierd in Hückelhoven, een mijndorpje. We zaten in een kamp vlak bij de steenberg. Er waren allerlei nationaliteiten: Fransen, Belgen, Russen en ook barakken met Hollanders.

Het waren houten barakken, zonder stoel of tafel, het dak lekte, het vroor er dat het kraakte, je sliep op een beetje stro op de grond. Wie geluk had, kreeg een lap die meer leek op een dweil dan een deken. Er was een washok met een kraan met koud water. Maar je had geen zeep, geen handdoek, je kon je niet scheren. Er waren twee palen boven een kuil, daar kon je je behoefte doen.

Het eten was slecht, een waterige soep, een homp brood, geen vlees of kaas erop. We werden bij de boeren in de buurt tewerkgesteld, aardappels en bieten rooien, dorsen, er ging een Duitser met een geweer mee. Als je geluk had gaf de boer je ‘s middags wat te eten. En als de bewaker niet keek, jatte je appels of bieten of wortels, alles watje kon krijgen. We hebben ook wel eens een stuk gesneden uit een paard dat dood was gebleven door een granaat. Zo’n stuk vlees hield je niet in je hand, want dan zagen ze het en namen ze het je af. Je stopte het onder je bloes en in de barak sneed je er repen af die je tegen de kachel legde en dan at je het naderhand op. Je moest niet zo kieskeurig zijn in die tijd, want dan haalde je het niet.

Gevangenen die daar al een tijd zaten, droegen meestal met een riem of een stuk touw een zak op hun rug. Je dacht dan: Wat slepen die nou mee, als we toch al zo ver moeten marcheren? Bij het slapen lagen ze met hun hoofd op die zak. Later bleek dat ze daarin papier, stukjes karton, leer, touw en rijgnaalden bewaarden; als zij nu een kapotte jas of broek hadden, konden ze die 's avonds met die spullen naaien. Maar wij hadden niets, als wij een scheur hadden was er niks aan te doen. Op een gegeven moment had ik geen sokken meer aan, zodat ik met blote voeten in oude schoenen en klompen door de modder en sneeuw moest.

De zestiende november werden we in Heinsberg gebombardeerd. Als je overdag een bombardement meemaakt, is het net of het regent, zo vallen de bommen. We wilden van de bui wegrennen, maar we zagen die Wehnnacht-soldaten er juist tegenin lopen, want dan gaan de bommen over je heen. Het is stom dat we toen de benen niet hebben genomen. Want er waren maar drie of vier militairen bij ons en wij waren met een man of vijftien. Maar waar moest je naar toe? Het was nog een heel stuk naar huis, je moest over de Ruhr en omdat de Amerikanen vlakbij waren, zaten er overal Duitse soldaten. En je dacht nog steeds dat als het boerenwerk gedaan was, je wel weer naar huis mocht. Van die hele groep mannen daar heeft niemand de benen durven nemen.

Van Heinsberg werden we naar Wuppertal gebracht. Maar ik bleef met twaalf andere mannen achter, want we hadden krets, een soort schurft, veroorzaakt door de luizen en het krabben. Omdat we zoveel luizen hadden, zaten we ’s avonds zolang het nog een beetje licht was ze bij elkaar te vangen, net apen. Vooral de eerste tijd schaamde je je verschrikkelijk, want er waren allerlei mensen uit het dorp bij, de onderwijzer, mensen van de spoorwegen. Maar iedereen zat onder de luizen en op den duur lachte je erom.

Omdat de Duitsers voor die krets zo bang waren, namen ze ons eerst niet mee. Maar uiteindelijk konden ze ons daar niet meer houden en toen hebben ze ons met een auto naar Düsseldorf gebracht en vandaar gingen we met een goederenwagon naar Berlijn.’

 

In Berlijn en Polen

‘Begin januari '45 kwamen we in Berlijn aan en ik hoor iemand praten, ik denk: Dat kan wel een Limburger zijn. Dus we praten wat, ik vertel waar ik vandaan kom, en hij haalt een foto uit zijn portefeuille en zegt: ‘Ken je dat meisje?’ Verrek, dat was een nichtje van me. Ik kende die jongen helemaal niet, maar dat smeedde een band, we zijn de hele oorlog niet meer uit elkaar gegaan. Dat was Ben, een hele handige jongen, daar had ik veel steun en hulp van, hij was een paar j aar ouder dan ik, dat scheelt ook.

In Berlijn werden we bij de SS-Baueinsatz-Ost ingedeeld. Toen kon ik me douchen, werden mijn schaamharen weggeschoren en kreeg ik een donkergeel spul opgesmeerd, tegen de schurft. Daar kreeg ik ook voor het eerst weer schoon ondergoed aan. We moesten een papier tekenen, maar al sla je me dood, ik weet niet wat daar in stond. En we kregen Italiaanse militaire kleren en schoenen aan.

We moesten naar Soldin in Polen om tankvallen te maken, maar het was januari, het vroor dat het kraakte, we konden onmogelijk met de schop de grond in. Daarom maakten ze een gaatje in de grond en dan kwamen er van die oude mannetjes aan, oude militairen, die hadden trotyl bij zich en die bliezen de zaak op. We hadden mensen genoeg, maar zo schoot het natuurlijk niet op hè.

In Soldin sliepen we niet in een barak, maar in een goederentrein, ergens op een zijspoortje. Op 31 januari kwamen de Russen in de buurt, je merkte het aan de soldaten die ons moesten bewaken, die namen de benen. Later moesten we langs de grote weg marcheren en daar begonnen ze op ons te schieten. We liepen in een chaos van allerlei nationaliteiten door elkaar, Duitsers, Russen, er was niets meer georganiseerd, het was vreselijk. Maar ik bleef bij Ben.

Later moesten we met duizenden over het ijs, het zal wel een bevroren rivier of een meer zijn geweest. We hoorden schreeuwen en later werd er beweerd dat de Russen ons hadden ingesloten. In Küstrin, een plaatsje verderop, zijn we in een trein gestapt, militairen, burgers, volwassenen en kinderen, alles door elkaar. Met die trein zijn we teruggegaan naar Berlijn.

In Berlijn zaten we in een klooster of een groot herenhuis, we werden gebombardeerd, we zaten voortdurend in de schuilkelder. We moesten ten zuiden van Berlijn werken, maar half februari waren de Russen zo dichtbij dat we weer weg moesten. Later moesten we in de buurt van Essen bomtrechters dichtmaken. Daar lagen vaak blindgangers in, maar daar hadden de Duitsers speciale mensen voor, de politieke gevangenen, met die gestreepte kleren aan. Om de haverklap ontplofte zo’n bom en dan was die man ook weg. Die gaten moesten we dichtmaken en er dan bielzen en rails over leggen, dat was lelijk zwaar werken. En je kon bijna geen nacht slapen, want om de haverklap moest je de kelder in en voordat je dan weer je slaap te pakken had, was de nacht half om. Het eten was daar iets beter, maar je kreeg natuurlijk veel te weinig, ik was een geraamte toen ik terugkwam. Op het spoor stonden wagons met goederen en als die gebombardeerd werden, kreeg je wel eens iets. Ik kan me een blik marmelade herinneren, daar kreeg je de ergste diarree van, je was het niet meer gewend. Er liep een luitenant bij ons, een SS’er, die vaak mensen uit de wagons haalde, die wat aan het organiseren waren. Die moesten dan op de rails knielen en dan kwam er eentje aan met een pistool, en dan werden ze doodgeschoten.’

 

Weer naar huis

'Tot 31 maart 1945 zijn we in Essen gebleven. Op 1 april zijn we vertrokken met een trein naar een dorpje bij Dortmund. Daar kon de trein niet verder, omdat de Amerikanen vlakbij waren. De hele troep is toen de trein uit gegaan en wij zijn met vier man gaan lopen, in het wilde weg. In een dorpje in de buurt hebben we onderdak gevonden in een school die niet meer gebruikt werd, dat mocht van de meester, daar was een klein kamertje waarin we net met vier man konden slapen. Maar die meester kon ons natuurlijk niet onderhouden, dus voor het eten zijn we bij een boer gaan werken.

Bij die boer op het erf zaten vier Duitsers, van de Luftschutz Polizei. Die hadden pech aan hun wagen, die kwam maar niet klaar, want zij wilden daar blijven zitten. Die Duitsers hadden heel goed door dat wij Limburgers waren en wij konden hun Duits goed verstaan, dat contact liep lekker. Die vier soldaten hadden onder hun uniform de burgerkleren al aan, als de Amerikanen kwamen waren ze gewoon burgers, die wisten hoe het moest. In dat dorp hebben ook wij burgerkleren gekregen, een uniform dragen was veel te gevaarlijk, maar dat zwarte bandje van de SS moest je bewaren, als bewijsstuk.

Een keer, toen we bij die boer aan het werk waren, kwam er een motor met een bren erop, waarin een SS'er zat die zei dat we mee moesten. We moesten een Tanksperre dichtmaken, een barricade afsluiten met ijzeren pijpen zodat er niets door kon. Dat was een gevaarlijk moment, want als de Amerikanen op ons hadden geschoten, was dat heel begrijpelijk geweest. Op een gegeven moment vloog er een verkenningsvliegtuigje boven ons hoofd en dat betekende dat elk moment de beschietingen konden beginnen. Toen dacht ik wel dat het afgelopen zou zijn, ik zag mijn moeder en zusters weer en ik hoorde dat gehuil toen ik weg moest. Maar die man met die bren vertrok en wij gingen als de bliksem terug naar die boer.

En opeens zie ik aan de achterkant van de boerderij troepen aankomen, Engelsen of Amerikanen, ik weet het niet meer. We stonden ernaar te kijken aan de rand van het dorp. En een soldaat gooit een peuk weg en met vier man duiken we erop. Hij ziet het en haalt een pakje sigaretten tevoorschijn, toen heb ik mijn eerste Amerikaanse sigaret gerookt. Dat was op 11 april 1945, de dag van mijn bevrijding. Die ogen van die Duitsers hè, dat wij sigaretten kregen.

Na zessen mochten de Duitsers niet meer op straat, maar wij wel, want wij waren Hollanders. Bij die stoottroepen troffen we een Hollander, waarmee we direct de grootste maten waren. Wij waren helden voor die man, hij had ons bevrijd, hij stond voor ons klaar. We konden hem wel opvreten, zo blij waren we met hem. Hij heeft ons eten gegeven en sigaretten en chocola. We hadden feest.

We konden daar natuurlijk niet blijven, dus we zijn gaan lopen, met die vier mannen van de Luftschutz Polizei, richting Holland, zij wisten de weg. Op een gegeven moment horen we “Halt”, het waren Engelse of Amerikaanse militairen, toen ze hoorden dat we Hollanders waren, moesten we meekomen. Daarna hebben we nog een maand in een Amerikaans kamp in Sinsen gezeten, wachtend op repatriëring. Die Amerikanen pakten al die zwervende mensen bij elkaar, alle nationaliteiten, mannen en vrouwen. Het was een barakkenkamp maar je kreeg goed te eten en te drinken. Wel waren er vlooien, de eerste nacht zat ik al helemaal onder de beten. De volgende dag hebben we al dat stro in een grote kuil verbrand.

De vijfde mei capituleerden de Duitsers en toen werd er in dat kamp een enorm feest gegeven. Er waren muzikanten en er werd een polonaise gehouden, door het hele kamp. Hier zag je mensen liggen vrijen en daar lagen ze te vrijen, ze gingen gewoon door, het was een troep. En in die kuil werd op het vuur munitie gegooid, het was het mooiste vuurwerk dat je je maar denken kunt. Op 12 mei vertrok het eerste transport naar Nederland, maar wij zaten er niet bij. Nu was daar in Drosten, een dorpje in de buurt, een steenkolenmijn; en we hoorden dat er regelmatig een Hollander met een vrachtwagen naar toe kwam om kolen te halen. We kregen bij die Amerikanen zo goed te eten dat we bus-sen knakworst konden sparen en een van ons was opgepakt in zijn zondagse pak en had nog geld. Dus we hebben die man van die kolenwagen voor ieder van ons tien gulden gegeven en een bus knakworst, om ons mee te nemen. Daarvoor bracht hij ons naar Winterswijk.

In Winterswijk hebben we de eerste nacht in een fabriekshal geslapen. Daarna moesten we naar de dokter voor de keuring en naar de politie. Daar kreeg ik ook mijn repatriëringspapieren, het bewijs dat ik daar gezeten heb, kijkt u maar.

Grenspost Glanerbrug ten oosten van Enschede, juni 1945 (foto: RIOD) Toen we bij de dokter geweest waren hoorden we buiten die hal Maastrichts spreken en Ben, altijd haantje de voorste, gaat met die mensen praten en weet voor ons papieren te versieren. Met die papieren kwamen we naar Maastricht. En dezelfde avond was ik thuis.

Net op de verjaardag van mijn vader, hij is 81 geworden maar een mooiere verjaardag heeft hij nooit gehad.

Ik werkte dus op de Staatsmijnen en daar had ik een enorm strenge baas. Toen ik weer terug was moest ik me eerst melden bij het ziekenfonds, ze vroegen me hoe ik me voelde, dat ging wel, en toen kon ik weer aan het werk. Maar daarna moest ik naar de chef, hij vond het geweldig dat ik er weer was. Ik zei hem dat ik maandag weer zou komen werken. “Wat, werken?” zei hij, en hij pakt meteen de telefoon. Hij heeft toen geregeld dat ik zes weken helemaal niet en daarna vijf weken lang alleen halve dagen hoefde werken. Die strenge baas bleek dus een goeie te zijn, hij begreep er wat van.’

 

Na de oorlog

‘Toen ik al jaren weer thuis was, werd ik bij mijn baas geroepen, ik moest naar het politiebureau. Daar zaten een paar heren die me een papier lieten zien. “Heb jij dat ondertekend?” “Dat lijkt er wel op, daar staat in ieder geval mijn handtekening.” Het was het papier dat ik in Berlijn had moeten ondertekenen. Er bleek in te staan dat ik vrijwillig dienst had genomen bij de SS-Baueinsatz-Ost. Het was dus controle. Ik zei: “Ik kan het nu niet lezen, laat staan toen. Weet u waar ik zat? In Berlijn heb ik dat ondertekend.” Ik heb er nooit meer iets van gehoord, het is dus met een sisser afgelopen, ik heb zelfs een koninklijke onderscheiding gekregen.

Bij de Staatsmijnen ben ik verder opgeleid voor electromon-teur. In de jaren vijftig kreeg ik zo'n pijn in mijn rug dat ik mijn werk niet meer kon doen. Maar bij de Staatsmijnen werd je niet afgekeurd, ik ben geplaatst op de tekenkamer als technisch tekenaar. En verder ben ik getrouwd, we hadden vijf kinderen, we hadden niets te klagen. Aan de oorlog dacht je niet, ik had het druk met andere dingen, mijn werk, de padvinderij waar ik zeventien jaar met heel veel plezier aan meegedaan heb.

Een paar jaar nadat ik weer thuis was, werd ik geopereerd aan mijn longen, ik bleek tbc te hebben. Of dat nu iets met de oorlog te maken heeft? Ik heb er met een dokter over gepraat en het valt niet te bewijzen. Maar ik zit er maar mee, door die hernia kan ik niet goed bukken en door die longoperatie heb ik geen lucht. Ik denk diep in mijn hart dat het wel door de oorlog komt: dat harde werk, het slechte eten, die slechte nachtrust.

Ik heb er nooit zoveel over verteld. Maar in 1992 las ik een stukje in de krant, dat de Duitse regering aan de Nederlandse regering vijftig miljoen betaalde voor de uitkeringsgerechtigde Nederlanders die op het terrein van de voormalige DDR tewerk waren gesteld. Ik dacht: dat kan toch niet, na vijftig jaar moest dat geld toch al lang op zijn, dat hadden ze al lang aan de mensen moeten uitkeren. Want de mensen worden ouder, die weten niets meer, die kunnen het niet meer bewijzen. Ik ken een man, als hij zijn zoon niet had gehad, had hij de uitkering nooit voor elkaar kunnen krijgen. Zelf heb ik een goed geheugen en ik heb zelfs een boekje waarin ik tijdens de oorlog alles heb opgeschreven. Anders had ik ook niets meer geweten.

Nadat ik dat artikeltje gelezen had, ben ik gaan prakkiseren en op advies van een vriend heb ik een aanvraag ingediend voor de Wet uitkeringen burger-oorlogsgetroffenen (Wubo). Er is toen een dame gekomen die mijn hele verhaal heeft opgeschreven. En ik krijg wat geld van de Pensioen- en Uitkeringsraad (de uitkerende instantie voor de Wubo - FB). Maar niet voor mijn longen of mijn rug.

Ik grijp alles aan wat ik erover kan lezen, of die longklachten en die rug misschien toch niet met de oorlog samenhangen. Maar het valt niet te bewijzen. Stel dat ik het wel kon bewijzen, dan zou er wat van me afvallen, dat zou een hele geruststelling zijn.

Een paar maanden geleden was er een bijeenkomst van de SBO (de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen) en daar hadden ze het over de Vereniging van ex-Dwangarbeiders, ik had er nog nooit van gehoord, daar kon je lid van worden. Ik ben overigens heel tevreden over de Wubo, wat er allemaal voor de mensen gedaan wordt.

Verder wil ik de mannen van vroeger zo graag weer terugzien. Mijn dochter werkt op het gemeentehuis en zij heeft voor mij de adressen gezocht, van haar heb ik twee adressen gekregen. Ik ben die mannen gaan opzoeken. Een was er niet thuis, jammer, hij was zestien toen. En de ander waarmee ik in Polen in het kamp heb gezeten, herkende ik meteen toen ik uit de auto stapte, heerlijk.

Ik zou al die mensen van vroeger het liefst bij elkaar willen roepen, al die mannen die in Duitsland hebben gezeten en niks hebben gekregen en tegen hen hen willen zeggen: “We hebben het allemaal meegemaakt. Ik heb het gekregen, daar heb ik mijn best voor gedaan, en niet voor de centen, maar om de erkenning, om te laten zien dat je centen kunt krijgen. Jongens, laten we er voor strijden, laten we er voor gaan, we hebben er allemaal recht op.”

Die Ben, die toen verloofd was met mijn nichtje, heb ik later nog eens teruggezien. Hij was niet met mijn nichtje, maar met een andere vrouw getrouwd. Maar op een bruiloft zegt mijn nichtje tegen me: “Weetje wie er is? Ben.” Ik zeg: “Nou moetje niks meer zeggen.” En op een gegeven moment tikte ik hem op zijn schouder: “Dag Ben”. Ik haalde hem er zo maar uit, na vijfenveertig jaar, daar had ik geen moeite mee, hij stond ervan te kijken. We hebben even gepraat en wat adressen uitgewisseld. Maar mijn dochter heeft de volgende dag gezegd dat ik geen contact moest opnemen, dat zijn vrouw dat niet wilde. Dat vond ik ontzettend jammer, maar zij wou het niet.’

 

Mijnheer B.

‘Ik ben in 1923 geboren in ’s-Gravendeel, een dorp in de buurt van Dordrecht, in een rustig gezin met een wat calvinistische inslag. Mijn vader was fitter bij het waterleidingsbedrijf, ik kon dus naar de ambachtsschool, verder reikte de portemonnaie niet. Daarna, ik was veertien, ging ik naar de fabriek en daarnaast volgde ik de machinisten-avondschool. Dat betekende overdag werken en vijf avonden tot half tien naar school en op zaterdagmiddag huiswerk maken. Zo ging het acht maanden per jaar, alleen in de zomermaanden had je ’s avonds vrij.

Na de Duitse inval deden we op de fabriek hoe langer hoe meer werk voor de Duitsers. Er doken ook geruchten op dat er mannen gevorderd zouden worden voor de Arbeidsinzet, een woord dat we nog helemaal niet kenden. In april 1942 verschenen er Duitse genie-officieren op de fabriek, die de zaak van boven tot onder kwamen opnemen. En kort daarop kwam de aap uit de mouw. We kregen van de fabriek een brief waarin ze ons in opdracht van de Duitsers meedeelden, dat we ons bij het arbeidsbureau moesten laten keuren om naar Duitsland te worden uitgezonden.

Die medische keuring stelde niets voor. In het begin was het zelfs zo dat in Nederland goedgekeurde mannen door Duitsland weer werden afgekeurd en teruggezonden. Later werd het anders, toen moest alles dat kon lopen werken. Verder was het opvallend hoeveel medewerking de Nederlandse autoriteiten gaven. Normaliter duurde het een hele tijd voor je een pas kreeg, maar wij kregen een pas binnen drie dagen. Ook de gemeente werkte mee, want je had een verklaring van de burgerlijke stand nodig en die verscheen prompt, met een handtekening eronder van een gemeente-ambtenaar. En het arbeidsbureau had een keurig arbeidscontract opgemaakt. Het werd van Nederlandse zijde dus allemaal netjes geregeld.

Na de keuring kreeg je een paar dagen de tijd om je spullen te pakken. En op 29 mei 1942 vertrokken we in een extra trein (een van de 632 die de NS heeft laten rijden) uit Dordrecht naar Duitsland. Aan de grens ging de groep met verschillende bestemmingen uiteen. Ik reisde naar Schweinfurt waar ik op een kogel-lager-fabriek kwam te werken.

We kwamen daar om zes uur ’s ochtends aan, een beetje gaar want we waren vierentwintig uur onderweg geweest. In de fabriek werden we verzameld en ze vroegen ons wat we van beroep waren. Toen bleek dat er van die contracten niets klopte: er kwamen allemaal bazen die gewoon de mensen uitpikten die ze nodig hadden. Bovendien bleek, en dat was opmerkelijk, dat het Lager waarin we gehuisvest zouden worden nog niet klaar was, want ze hadden pas in de herfst op ons gerekend. Kennelijk waren de Nederlandse autoriteiten nog enthousiaster aan de slag gegaan dan de Duitsers zelf. Voorlopig werden we met honderdvijftig man ondergebracht in een grote turnhal vol stapelbedden met daarop zakken gevuld met houtwol, die na drie nachten zo mooi naar je eigen model gaan staan. Daar zijn we tot begin december gebleven. Na een aantal weken zaten we er met zo’n driehonderd Nederlanders.

Aanvankelijk was je nog niet verplicht om in een Lager te verblijven, maar je moest wel zelf onderdak vinden. Met enkele collega’s is het mij gelukt om van december 1942 tot oktober 1943 bij particulieren een kamer te krijgen. Maar op 14 oktober 1943 kwam er een zwaar bombardement, dat aan veel Amerikaanse vliegers het leven heeft gekost. Toen ik thuiskwam van de fabriek, bleek van mijn kosthuis de helft van de gevel verdwenen te zijn. En zo kwam ik uiteindelijk toch in een Lager terecht, in een dorpje in de omgeving. Om halfvijf ’s morgens vertrok de trein, dus de Lagerführer stond om kwart voor vier tegen de kribben te schoppen om ons te wekken. En dan was het een half uur lopen naar het stationnetje om naar de fabriek te gaan.’

 

Het werk

‘Ik werd tewerkgesteld bij de onderhoudsploeg en daar had ik een redelijke mate van vrijheid. Mijn baas had geen verstand van het werk dat ik moest doen; als hij maar zag dat je druk bezig was, was het wel goed. Bovendien was hij een goede Duitser. Ik weet nog dat hij in 1944 tegen de kerst een keer langskwam, zijn hand zo op mijn schouder legde en zei: “Dit is de laatste keer, volgend jaar zijn jullie weer thuis, dan is alles voorbij”. Dat was een goeie man.

Echt hard werken was er voor ons dus niet bij, in ieder geval niet zo hard als de jongens op de produktie-afdeling, die van uur tot uur gecontroleerd werden. En ook bij hen kon je er niet ongelimiteerd de zweep over leggen, want zo’n machine heeft zijn eigen capaciteit en je kunt er alleen voor zorgen dat de mensen die capaciteit ook ten volle benutten. Je zag trouwens dat de Duitsers als ze de kans kregen minstens zo hard de lijn trokken als wij. Als ze een stuk werk onder handen hadden, hielden ze dat zo lang mogelijk vast, ze waren bang overbodig te raken. Want als er mensen over waren, zouden er natuurlijk geen Hollanders naar huis, maar Duitsers naar het front gestuurd worden.

Aanvankelijk kregen we dezelfde distributiebonnen als de Duitsers. Later kregen we als buitenlandse arbeiders eigen bonnen; verder waren er toeslagen voor een langere werkweek en voor zwaar werk. 's Middags kon je voor je bonnen en tegen betaling in de kantine een warme maaltijd krijgen, die redelijk goed was. Echt honger heb ik nooit gehad.

De verhouding met de Duitsers was over het algemeen collegiaal. Een keer ben ik bijna een voorman aangevlogen. Toen kwam een van de bazen naar me toe en zei: “Zul je dat nooit meer doen? O wee als je hem een klap had gegeven, want jij bent een Nederlander en hij is een Duitser, dus hij krijgt gelijk.” Maar meestal waren de verhoudingen redelijk.

Wel hebben we in het begin bonje gehad met de Duitse vrouwen, die kwaad waren dat er in de winkels zoveel Hollanders kwamen. Bovendien ging het verhaal dat wij vrijwillig naar Duitsland waren gekomen om de plaatsen op te vullen van de jongens die naar het front moesten. Dus het was wel logisch dat die vrouwen stonden te mopperen. Maar toen we zeiden dat als het aan ons lag we liefst dezelfde dag nog naar huis zouden gaan, veranderde dat, zeker toen we ook onze passen lieten zien waarin stond dat we een verplichte arbeidsovereenkomst hadden.

Geleidelijk aan werd de werkweek opgevoerd van 56 tot 72 uur, er was ploegendienst, dus er werd dag en nacht gewerkt. Ook je bewegingsvrijheid werd ingeperkt. In het begin kon je nog wel van de trein gebruik maken, maar nu werden langere reizen verboden. Toch ben ik wel eens honderd kilometer verderop naar collega's uit Holland gegaan, maar toen werd ik gearresteerd. Pas later heb ik me gerealiseerd hoe link dit was, het was een misdrijf waarvoor ik naar een Erziehungslager gestuurd had kunnen worden. Daar kon je beter niet terechtkomen.

In het laatste Lager waarin ik zat, verschenen zondags vaak SA-mannen in die bruine uniformen, om je kasten en koffers te doorzoeken. Zij hadden de grootste schik en wij moesten ons dat laten welgevallen, als je daar bezwaren tegen maakte was het niet best. Maar al met al heb ik het redelijk gehad, wat natuurlijk niet wil zeggen dat het daar een lolletje was. We hadden haast geen kleren meer, je had geen schoenen maar van die houten klompen met canvas erop, en als sokken gebruikte je oude lappen die je om je voeten draaide. En al die tijd lag je met zestien man op een kamer, in een barak waarvan in de winter de leidingen waren bevroren, zodat je je behoefte in het bos moest doen. Om de kamer te verwarmen, kregen we per week een emmer briketten. En je was drie jaar lang van huis en het werd je steeds moeilijker gemaakt om te schrijven.

Ik wil er bovendien met nadruk op wijzen dat mijn situatie niet representatief was voor die van de andere ex-dwangarbeiders. Ik behoorde tot de eerste groep, die het ongetwijfeld het beste heeft gehad. Want dat er buitenlandse arbeiders kwamen, was voor de Duitse bedrijven aanvankelijk een nieuwe situatie: ze wisten helemaal niet wat ze met al die mensen aanmoesten, dus we werden in het begin op één hoop gegooid met de rest, we werden als gewone Duitse arbeiders behandeld. Maar omdat het maar door bleef gaan en er steeds meer buitenlanders kwamen, die zich bovendien steeds meer gingen verzetten, veranderde de situatie. Bovendien werden door de oorlog ook de arbeidsomstandigheden steeds slechter. Daarom kun je mijn situatie niet vergelijken met de situatie van groepen, die later bijvoorbeeld zomaar van de straat werden geplukt om onder de meest onmenselijke omstandigheden spoorbielzen te leggen.

Zelf heb ik in de fabriek gezien dat andere nationaliteiten en ook de krijgsgevangenen veel slechter werden behandeld dan wij. Er waren Russische vrouwen en meisjes die als een soort slaven werden behandeld, ze werden met politie en honden naar de fabriek gebracht en ze mochten ook de schuilkelders niet in. Met een van die Russische meisjes ben ik overigens getrouwd. En ook de Italianen hadden het hard te verduren. Na de capitulatie van Italië was het Italiaanse leger bij de Duitsers in krijgsgevangenschap geraakt en ze werden door de Duitsers als verraders behandeld. Daarom hadden ze het vreselijk slecht, ze kregen slecht voedsel en ze werden in het kamp door de Duitse oppassers geslagen. En ze konden niets terugdoen, want dan was het pas goed mis.’

 

In mijn ploeg werkten twee Italianen, die ik aan het werk moest houden. Omdat zij te weinig te eten kregen, had ik met een vrouw in de kantine geregeld, dat ik van wat er overschoot een schaal vol voor die jongens mocht meenemen. Toen ik met die schaal eens door de fabriek liep, schoot de Feldwebel die over de krijgsgevangenen ging me aan, of ik soms wilde beweren dat het Duitse Rijk de Italianen slecht behandelde. Toen heb ik gezegd: “Ik beweer niks. Maar ik weet wel dat jullie de oorlog willen winnen en dat jullie daarom de mensen die extra zwaar werken extra te eten geven. Ik krijg een toeslag omdat ik 72 uur werk. Zij doen hetzelfde werk maar zij krijgen niks. Ik kan mijn werk niet afleveren als die twee jongens me niet bij kunnen houden, want als zij zachtjes gaan, ga ik ook zachtjes. En bovendien steel ik niks, want het is eten dat is overgebleven en dat anders de vuilnisbak ingaat.” Ik heb er daarna nooit meer iets over gehoord.’

 

De bombardementen

‘Het eerste bombardement dat we kregen is echt langs me heengegaan, ik had helemaal niet in de gaten wat er gebeurde. Schwein-furt is een klein stadje, maar de hele Duitse kogellager-industrie was er geconcentreerd, en dat is in de oorlog een vitale industrie, bedenk maar eens hoeveel kogellagers er in een tank zitten. En daarom hadden de Duitsers hun allerzwaarste afweergeschut rond dat stadje geconcentreerd. Ik was die middag om half vier 's middags in de fabriek gekomen voor de nachtdienst en ik was amper binnen toen de sirenes gingen. Dus we gingen naar de schuilkelders, de kelders onder de fabriek waar ze extra zware deuren voor hadden gemaakt. In die kelders hoorde je een geweldige herrie en een gedreun en omdat de kanonnen zo dicht bij stonden dacht ik nog dat er wel heel flink geschoten werd. Maar toen zei er iemand: “Nou, of dat alleen maar schieten is?” Toen werd het stil en je hoorde allemaal opgewonden stemmen in de hal en er werd op de deur gebonsd dat ze vrijwilligers nodig hadden om de gewonden te bergen. En dan schrik je wel als je de kelder uitkomt en ziet dat er een paar fabriekshallen in puin liggen.

De tweede aanval kwam op 14 oktober 1943, dat is een beruchte aanval geworden, want die heeft de Amerikanen meer dan honderd vliegtuigen gekost. De schade was veel ernstiger dan bij de eerste aanval, bovendien zijn wij, de buitenlanders, toen door een erge ramp getroffen. De Russische vrouwen en meisjes mochten niet in de schuilkelder en toen die aanval kwam, zijn ze in paniek naar een grote kelder onder de smederij gebracht, waar allemaal zware stalen ringen lagen die tot kogellagers bewerkt moesten worden. In de gashouder van de smederij is er toen een bom ingeslagen en dat leidde tot een dubbele explosie die in die kelder een geweldige ravage heeft aangericht. Die ringen vlogen door die kelder heen en als je daar dan tussen zit... we hebben die mensen er in stukken en brokken uit zien halen.

Omdat de bombardementen bleven aanhouden, werd de pro-duktie gedecentraliseerd en zo werd ik overgeplaatst naar Erlangen. Tegen het eind van de oorlog waren er de hele dag vliegtuigen, we stonden meer buiten de hal dan binnen, want als je buiten stond, kon je ze zien aankomen en dekking zoeken.

De bevrijding was een heel wonderlijke ervaring. Er liepen al lang geruchten dat de Amerikanen zouden komen en de fabriek werkte nauwelijks meer. Op een zaterdagmiddag kwam er iemand met het bericht dat de bruggen gesprongen waren en diezelfde middag vielen bij ons achter de barakken de granaten al, daarom zijn we die nacht achter de barak bij de schuilloopgraaf gaan slapen. In de loop van de zondag hoorde je het geschut dichterbij komen en bij de barak van de Franse krijgsgevangenen ging de Franse vlag omhoog. Die zondagnacht hebben we weer buiten geslapen en de daaropvolgende maandag zijn we met een klein groepje het bos in gegaan om wat slaap in te halen. Toen we wakker werden stonden er een paar SS’ers bij ons, wij schrokken van hen en zij schrokken van ons. Na een tijdje liepen ze weg, maar omdat we geschrokken waren zijn we teruggegaan naar de barak. En vlak bij de barak horen we een gejuich en daar komen een paar van die pestautootjes aan, we hoorden pas later dat dat jeeps waren, met van die kanonnen erachter gehaakt, en voorop liepen een paar grijnzende Yanks, met die korte geweertjes onder hun armen. Dat is een feest, dat vergeet je nooit. En in een mum stond de hele meute om hen heen. Maar een van de officieren die goed Duits sprak, zei dat we voor onze eigen veiligheid terug moesten naar de barak. Toen stelden ze hun kanonnen op en ze gaven een riedel en nog een riedel en daarna gingen ze zitten kaarten. Dat was zo iets onwerkelijks.

Een paar uur later reden ze met wat vrachtauto’s het bos in en toen ze terugkwamen liepen er voor die wagens een stel moffen, met hun handen in de lucht. Dat was een feest voor ons, maar we hebben er niks van gezegd, want misschien zouden die Amerikanen weer moeten terugtrekken. Maar we vonden het prachtig. Zo werden we dus bevrijd.’

 

De terugkeer

‘De Amerikanen zeiden: “Eten en drinken, daar kunnen we niet voor zorgen, maar ga maar naar de kazernes, daar ligt genoeg.” Dus daar laadden wij onze zakken vol. Op maandag 16 april werden we bevrijd en op 23 april reed er een geluidswagen-tje door de stad en de wijde omgeving: alle buitenlandse arbeiders moesten zich aan de zuidkant van de stad verzamelen, om met auto’s naar Wiesbaden gebracht te worden, vanwaar ze met transportvliegtuigen naar huis zouden gaan. Dat betekende dus, dat we overmorgen thuis zouden zijn. Maar het viel zwaar tegen want het heeft nog tot 9 mei geduurd voor we na veel omzwervingen met auto’s en treinen aan de Nederlandse grens kwamen.

Nadat we bij Roosendaal de grens over waren, mochten we de trein niet uit, als je eruit kwam kon je een pak slaag krijgen, echt Nederland, we waren weer thuis. Van Roosendaal reden we naar Oudenbosch, waar een muziekcorps ons stond op te wachten en waar een man tegen ons zei, dat we ons moesten schamen voor de manier waarop we erbij liepen, terwijl wij blij waren dat we in diverse kazernes onderweg nog wat kleren bijeen hadden kunnen jatten tegen de kou. Aan een welgedane pater vroegen we of we iets te drinken konden krijgen. In Frankrijk hadden we een Rode Kruis-pakket gehad, in België koffie en broodjes en franken; en in Luxemburg broodjes en fruit. En nou zei die Nederlandse pater dat ze niets te eten hadden, dat ze daar niet op gerekend hadden, maar dat we wel te drinken konden krijgen: een bekertje water uit een grote zinken teil. En we moesten dezelfde avond Foto: RIOD nog vertrekken, want de volgende dag was het Hemelvaartsdag, voor hen een heilige dag, waarop ze ons niet konden gebruiken.

Toen kregen we de controle. Je moest je paspoort laten zien en je Duitse geld afgeven. Ik heb nog een bonnetje gehad en twee jaar later de helft van dat zelf verdiende geld teruggekregen: maar er zijn er heel veel die niets van hun geld hebben teruggezien. En je werd ondervraagd: "Ja, maar je bent vrijwillig gegaan” en “Was je vader niet bij de NSB?” We werden dus meteen al in het verdomhoekje gezet. Maar toen we daar naar toe moesten, stak niemand een poot uit.

Toen ik klaar was, bleek dat ik niet naar huis mocht, je mocht zonder papieren de Moerdijk niet over. Dus ik kreeg een treinkaartje naar Breda, waar alle opvangcentra vol bleken te zitten. Bij het station stond een vrouw op haar zoon te wachten en zij vroeg of ik misschien uit Duitsland kwam. Ik vertelde haar waar ik vandaan kwam en toen vroeg ze of ik al koffie had gedronken, ze woonde vlakbij, dus ik ben met haar meegelopen. Toen ze begreep dat ik geen onderdak had, begon ze over een tuinhuisje, maar het leek haar te schamel om aan te bieden. We zijn gaan kijken en daar stonden een divan, een tafel, een paar stoelen, zo iets moois had ik in geen jaren gezien. Bij haar en haar familie ben ik dus drie weken gebleven. Ik had het druk, want je moest je inschrijven bij het arbeidsbureau als werkzoekende, bij het distributiekantoor en bij de politie en je moest zelfs een stempel hebben van de Kamer van Koophandel. Je had zes, zeven stempels nodig en voor elke stempel stond je een dag in de rij. Van het arbeidsbureau kreeg je een kaart waarop stond dat ze ons niet aan werk hadden kunnen helpen omdat we geen goede ar-beidskleding hadden. Dat laatste klopte wel, na drie jaar Duitsland.

Op een avond raakte ik in het park in gesprek met een jongen die zei dat hij de volgende dag naar Rotterdam ging om zijn tante op te zoeken, die hij een jaar niet had gezien. Hij mocht dus wel naar zijn tante, maar ik mocht niet naar huis. Toen kreeg ik zo de pest in. dat ik besloot te gaan lopen. Mijn kostjuffrouw gaf me groot gelijk en ik mocht mijn spullen bij haar achterlaten. Verborgen onder het zeil van een militaire auto, waar een heleboel andere verstekelingen in bleken te zitten, ben ik toen de Moerdijk over gebracht en vlak voor Dordrecht afgezet. Op 1 juni 1945 was ik thuis.

Toen moest ik terug naar mijn oude baas, waar ik helemaal geen zin in had, want hij had me verkocht en verraden, ik had het op schrift, die brief van de fabriek, ondertekend door de chef personeelszaken, waarin stond dat ik in opdracht van de Duitsers me moest laten keuren voor arbeid in Duitsland. En ik moest me ook weer laten inschrijven op het arbeidsbureau, waar ik dezelfde ambtenaar trof die de uitzending naar Duitsland had geregeld. We raakten aan de praat en op een gegeven moment zegt hij: “Je had ook niet moeten gaan, je had je als goede vaderlander beter teweer moeten stellen.” Terwijl hij gezorgd had dat ik zo snel in Duitsland terechtkwam, dat de barakken nog niet eens klaar waren. Toen heb ik wel aangeboden om hem even door het loket te plukken.’

 

De Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland

‘Mijn ervaringen als dwangarbeider hebben me nooit losgelaten. Niet dat ik tot de groepering hoor die daar psychisch zwaar onder gebukt gaat. maar ik heb wel zoveel pijnlijke dingen meegemaakt dat ik me heb aangemeld als lid, toen ik van het bestaan van de Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland hoorde. Ik had een jarenlange ervaring als vakbondsbestuurder en met die ervaring heb ik als bestuurslid wat voor de vereniging willen doen.

Toen ik 65 werd, vroeg ik een Duits pensioen aan en vervolgens ontdekte ik dat we daar geen recht meer op hadden. De Nederlandse autoriteiten hebben namelijk in 1956, net tien dagen voor de AOW van kracht werd, met Duitsland een overeenkomst afgesloten, waarbij bepaald werd dat Duitsland een deel van de door ons en voor ons betaalde pensioenpremies aan de Nederlandse overheid zou terugbetalen, om daarmee ontheven te zijn van de verplichting om de Nederlandse ex-dwangarbeiders pensioen te betalen. In Duitsland heb ik drie jaar lang vijf procent van mijn loon betaald als pensioenpremie. Maar door die overeenkomst tussen Nederland en Duitsland is dat geld verdwenen, en dat geldt niet alleen voor mij maar ook voor mijn mede-dwangarbeiders. Dat is een gang van zaken die natuurlijk in strijd is met elk normaal fatsoen.

We zijn nu als ex-dwangarbeiders door het ministerie erkend als oorlogsslachtoffer, zodat we een beroep kunnen doen op de Wubo. Maar er is nog nooit door iemand toegegeven dat we oorlogsslachtoffer zijn geworden, doordat de Nederlandse autoriteiten ons hebben uitgeleverd om dit alles te ondergaan. De arbeidsbureaus hebben meegewerkt, de gemeentebesturen, de Nederlandse bedrijven, de politie, de spoorwegen. En toen het voorbij was, heeft de Nederlandse overheid geen enkele moeite genomen om ons naar Nederland terug te halen; bovendien is de opvang hier werkelijk allermiserabelst geweest. Zo zijn we behandeld, maar er is tot nu toe nog niemand geweest die daarvoor sorry heeft gezegd.

Het tegendeel gebeurt, we worden beschuldigd van collaboratie. Ik zal daarop reageren door een voorbeeld te geven. Stel dat in een bedrijf vijfhonderd man werken en honderd daarvan worden naar Duitsland gestuurd. Dan werken de vierhonderd die hier blijven zich rot, want als ze de lijn trekken lopen ze de kans ook naar Duitsland gestuurd te worden. Ze proberen hun werk zo lang mogelijk vast te houden, om maar het aureool van de onmisbaarheid te krijgen. Er zal in de Nederlandse bedrijven ook wel gesaboteerd zijn. maar over het algemeen heeft het Nederlandse bedrijfsleven in die jaren heel goed geboerd. De meeste mensen die hier bleven hebben minstens zo hard voor de Duitsers gewerkt als wij.

Er wordt ook tegen ons gezegd dat we hadden moeten onderduiken. Dan zeg ik, we hebben honderdduizend joden laten wegvoeren en daar werd niet over gepraat, want gezag was gezag, dat was de strijdkreet van het vooroorlogse Nederland. Het overgrote deel van de Nederlandse bevolking was gezagsgetrouw opgevoed en als de overheid iets zei, dan moest je het doen. Als de Duitsers dus zeiden dat je je fiets moest inleveren, dan deed je dat, ook al had je de pest in. Zo hebben we de joden laten wegvoeren en daarna waren wij aan de beurt, de arbeidersbevolking. En bovendien, om onder te kunnen duiken heb je geld nodig en bonnen en mensen die je daarmee helpen. Pas later, toen niet alleen fabrieksarbeiders maar hele jaargangen werden opgeroepen, werd er iets georganiseerd.

We merken op onze vergaderingen dat veel van onze mensen hun verhaal nooit hebben kunnen vertellen. Dat vind ik niet zo vreemd, want als je ons verhaal aan een willekeurig iemand vertelt, dan krijg je op zijn best de reactie “O ja?” en als je met een jongere praat zegt hij: “Maar pikten jullie dat dan, dat je zo lang moest werken en zo slecht gehuisvest werd?” De mensen kennen de omstandigheden van toen niet meer en dan wordt het moeilijk om je verhaal te vertellen. Daarom doen we uitdrukkelijk ook aan immateriële hulpverlening.’

 

Mijnheer C.

‘Toen ik in 1941 eindexamen deed, was er geen geld om te gaan studeren; en door de bezetting waren de omstandigheden er ook niet naar. Mijn vader werkte als ambtenaar bij de gemeente Bergen en had om de arbeidsinzet te omzeilen een paspoort voor me aangevraagd, waarin als mijn beroep werd aangegeven dat ik schippersknecht was. En er was ook echt een beurtschipper die me in dienst had genomen. Maar een van de eerste keren dat ik meevoer, werd ik al door de Griine Polizei opgepakt en verhoord. Kort daarna werd ik opgeroepen door het arbeidsbureau. De keuring was een wassen neus en op 10 augustus 1943 werd ik op transport gesteld naar Duitsland.

In de trein was ik aanvankelijk de enige maar onderweg kwamen er allemaal jongens bij en in Utrecht vormden we een heel konvooi. In Ludwigshafen werden we gebombardeerd en iedereen rende naar de schuilkelders. Ik zei tegen een jongen die ik uit Alkmaar kende: “Blijven we hier of nemen we de benen?” We zijn er toen tussenuit geknepen en in de trein gestapt naar Saarbrücken, om maar zo veel mogelijk in de richting van Nederland te komen. Maar in Saarbrücken konden we niet verder, waar moesten we naar toe, we hadden geen bonnen, geen onderkomen, niets. Dus in arren moede hebben we ons weer aangemeld bij het arbeidsbureau. En door hen werden we gestuurd naar een fabriek in Rohrbach, een plaatsje daar in de buurt.’

 

De fabriek

We kwamen terecht op een machinefabriek waar zo’n 1200 man werkten: Fransen. Polen, Russen, wij waren de eerste Nederlanders. Ik werd als hulpmonteur aan een freesmachine gezet, geestdodend werk en ik protesteerde bij de chef. Als waarschuwing liet die me toen de gieterij zien, allemaal mannen met ontblote bovenlijven bij die hete vuren, dat was nog heel wat erger. Ik ben nogal tenger gebouwd.

Later hoorde ik in de kantine een paar Duitsers tegen elkaar zeggen, dat het loon al weer te laat werd uitbetaald. Dat bracht me op een idee. Ik ben naar de chef van het loonbureau gegaan, een zekere Herr Müller. Tegen hem heb ik in mijn beste Duits gezegd (ik had me goed geprepareerd), dat ik jarenlang in Holland boekhouder was geweest en dat ik gehoord had dat hier nogal wat achterstanden waren. Nou had ik nog nooit wat aan boekhouden gedaan, maar Herr Müller zei direct: “Jij bent de man die we nodig hebben, morgen meteen beginnen.” Die slag had ik dus binnen. Gelukkig kreeg ik als collega een vriendelijke Duitser, aan wie ik alles kon vragen. Hij was eigenlijk mijn beschermer en ik heb dat zeer gewaardeerd.

Na een maand kwamen er nog zo’n vijfentwintig Nederlanders bij en toen kregen we als Nederlanders een eigen onderkomen, een houten barak, strozakken, een houten tafel met één pitje erboven, wat krukjes en een wasbak met een kraan met koud stromend water. We kregen bonnen waarvoor we in de kantine maaltijden konden krijgen en we werden uitbetaald in Marken, waar we praktisch niets voor konden kopen.'

 

Met een omweg naar Berlijn

‘In het begin kreeg je nog verlof en ik heb permissie gevraagd om naar Nederland te gaan. Maar dat werd geweigerd, want ze hadden al gemerkt dat na een verlof mensen wel eens niet terugkwamen. Maar je kreeg wel toestemming om een week door te brengen ergens in Duitsland. En zo zijn mijn slapie en ik vertrokken, zogenaamd naar Berlijn, maar in werkelijkheid naar het noorden, richting Holland, want dat was de goede richting: als we de benen namen en ze zouden ons zoeken, hadden we in ieder geval een voorsprong.

We zijn toen met de trein naar Kaldenkirchen gegaan, en daar hebben we in het schemerdonker aan een vrouw die er betrouwbaar uitzag gevraagd hoe je het beste naar Holland kon komen. Ze wees ons waar je in de verte de torenspits van Venlo kon zien. Maar we waren nauwelijks op weg, toen we daar in het donker opeens “Halt Polizei” hoorden. En we hoorden hoe een geweer werd geladen en dan begin je niets meer. Zo zijn we in Kaldenkirchen in de cel terechtgekomen, waar we een nacht en een dag gezeten hebben. We werden gefouilleerd en verhoord en in ons paspoort kregen we een groot stempel, dat de grenspolitie van Kaldenkirchen ons had terugverwezen naar Mönchen-Gladbach. Door dat stempel kon iedereen zien wat we van plan waren geweest en dat maakte het nog moeilijker om naar Nederland te komen.

Dus daar stonden we op het station in Mönchen-Gladbach en ik zei tegen mijn vriend: “Willem, wat doen we nou, we hebben nog een week vakantie” en net op dat moment werd er omgeroepen dat de trein naar Berlijn over tien minuten zou vertrekken. Voor onze marken waar we in de fabriek toch niets voor konden kopen, hebben we toen twee enkele reis Berlijn gekocht. De volgende morgen kwamen we daar voor dag en dauw aan.

Terwijl we nog in de trein zaten, werd er al luchtalarm gegeven en in het donker zijn we naar een bunker gelopen. Toen alles weer veilig was, reed de trein nog een eind door en daarna zijn we met de S-bahn verder gegaan. We hebben een vriend opgezocht die als hulp in een restaurant werkte, hij versierde voor ons dat we zonder bonnen en marken konden eten en we kregen zelfs een kamer waar we een paar nachten konden bivakkeren.

We hadden een fototoestel bij ons dat we van een Fransman geleend hadden, maar we konden nergens een filmpje krijgen. Nu wou het toeval dat ik een man tegenkwam waarmee ik nog op dansles had gezeten. Ik vroeg hem waar je in Berlijn ergens een filmrolletje kon krijgen en hij verwees ons naar een zaak en zei dat we maar de groeten moesten doen van Herman. En daar kregen we een rolfilm tegen de normale prijs! Dus we hebben nog foto's gemaakt, ook waar het streng verboden was. Ja, het was eigenlijk gewoon vakantie-vieren, maar wat wil je, ik was jong, nauwelijks 21.

In het huis waar we sliepen, moesten we wel een paar keer naar de kelder vanwege het luchtalarm. En ik heb de Franse Dom in brand zien staan, dat was de totale oorlog waar de Duitsers om gevraagd hadden. Na een paar dagen moesten we helaas terug naar de fabriek. Daar hebben ze gelukkig nooit geweten dat we op ons reisje naar Berlijn een omweg hebben gemaakt. En dat is maar goed ook, want door dat stempel in ons paspoort hadden ze kunnen begrijpen dat we vluchtgevaarlijk waren.' ‘In de fabriek werd de situatie steeds grimmiger. We werden diverse malen gebombardeerd, dan dook je onder het bureau. Ik weet nog hoe ik eens na een bombardement naar buiten keek en een vat met olie zag exploderen, een Rus die daar in de buurt stond liep weg als een levende fakkel. Door die bombardementen zat je hoe langer hoe vaker ’s nachts in de bunker, een schuilkelder twintig meter diep in de rotsen, waar ik heel wat nachten liggend op golflijzeren platen heb proberen te slapen. Je kon niks meenemen en die platen waren beter voor je dan de vochtige grond.

Ik had een slapie dat op een gegeven moment deed of hij de Duitsers niet begreep, als ze wat van hem wilden moesten ze het maar in het Nederlands zeggen, vond hij. Ik werd er bijgehaald omdat ze wisten dat ik goed Duits sprak. Ik heb wat met hem gesmoesd en gezegd: “Kijk nou uit, want je trekt toch aan het kortste eind.” En zo is het ook gegaan, want later hebben ze hem gepakt en hij heeft drie maanden in een Arbeitserziehungslager gezeten. Toen hij terugkwam, was hij helemaal kaalgeschoren, maar dat was het ergste niet, hij was geestelijk helemaal van de kaart. Hij droeg zo’n lange onderbroek en ’s nachts zat hij daar aan te plukken en dan zei hij almaar met zo’n dode stem: “Ik heb straf verdiend, ik heb straf verdiend.” Maar ‘s morgens kon hij zich niets herinneren. Gelukkig is hij later redelijk hersteld.

We kregen steeds meer honger en kou, dus we moesten van alles zelf organiseren. Je jatte enorme brokken antraciet die je fijnmaakte op de kamer, voor dat ene kacheltje dat we hadden. En ’s nachts ging je aardappels stelen, met zijn tweeën, een op de uitkijk en de ander rooien.

Iedereen had honger in die laatste tijd. Ik had geen broodbon-nen, alleen kantinebonnen, maar ik dacht: Wie let me, ik ga gewoon in de rij staan met de Duitsers. Toen ik aan de beurt was, kon ik natuurlijk geen bonnen laten zien. De bakker zei toen: “Kom volgende keer maar achterom”, dat was een goede Duitser, dat deed je goed, dat deed je echt goed. Ik heb er geen misbruik van gemaakt, maar ik kreeg wel maandenlang elke week een groot brood, heerlijk. Je kon het natuurlijk niet aan anderen vertellen, want dan had ik het verpest voor mezelf en voor iedereen. Want de markt werd afgestroopt, door ons, door de Fransen. De Russen hadden het moeilijker, die zaten achter prikkeldraad, die kwamen het Lager niet uit.

Na D-day kwamen er wachten rond het kamp, zogenaamd om ons te beschermen, maar je mocht er niet uit, dus ik kon niet meer naar mijn bakker. Erger nog was, dat ik werd weggehaald bij de loonadministratie en ingeschakeld bij het versterken van de Siegfried-lijn. Er stond een grote cementmolen die door de Fransen bediend werd en wij moesten dat cement storten in een soort schuttersputjes, ter versteviging. Je sjouwde je rot, op die houten klompen met canvas van boven. Bovendien had je ’s morgens al een uur naar het werk gelopen en 's avonds moest je weer een uur terug. Het enige voordeel was, dat je nog wel eens door een boomgaard kwam waar je af en toe een appeltje of een peertje kon pikken. Ik heb dat leven een paar maanden volgehouden, maar toen had ik mijn hele voetzolen kapot gelopen. Het kwam omdat je geen sokken meer had, met wat draden probeerde je de gaten bij elkaar te houden. Ik ben toen naar een Scinitater gegaan waar ik wat zalf kreeg; en ik werd overgeplaatst naar een tank-wal, waar ik bomen moest helpen kappen en transporteren. Die bomen werden ingegraven om de Amerikanen tegen te houden.

In die tijd zijn we nog een keer beschoten. Je ziet dan tien of twintig jachtvliegtuigen op je afkomen, en daar komen van die mooie schitterende sterretjes uit. Ik dook weg met een kameraad, er zijn die keer nogal wat Fransen neergeschoten, maar wij hebben het overleefd. Uit een soort reactie stonden we daar te huilen en te dansen omdat het voorbij was, onbegrijpelijk.’

 

De tweede poging

‘Toen het front dichterbij kwam, zouden we geëvacueerd worden, zogenaamd voor onze eigen veiligheid. Ik heb toen met die vriend waarmee ik bijna Venlo gehaald had, een plan gemaakt. We hebben allebei onze koffers in de bunker laten staan, want met een koffer kom je niet ver. En we zouden elkaar treffen in het dorp in een kelder, die leeg stond omdat iedereen in de bunker zat.

Na het avondappèl zouden we te voet geëvacueerd worden, en met Duitse Griindlichkeit werden we van alle kanten bewaakt. Maar het is ons in het donker gelukt er tussenuit te knijpen. Ik had mijn maat tevoren nog de hand gedrukt: “Willem, sterkte” en ik ben toen over een schutting met prikkeldraad geklommen en daarna weggelopen door een sparrenbos, ik kleefde van alle kanten door de hars. Maar ik hoorde een Duitser roepen: “Waar zijn de twee Hollanders?” en dat gaf me een enorme kick, want even tevoren had een bewaker nog gedreigd dat hij iedereen die wegliep zou neerschieten. Vanuit dat sparrenbos heb ik de karavaan zien vertrekken, al die ratelende wielen, al die mensen afgevoerd als vee, zogenaamd voor hun eigen veiligheid, terwijl de hele weg onder granaatvuur lag.

Toen ik bij het afgesproken huis kwam, heb ik de balken van het kelderluik voorzichtig opzij geduwd. In de kelder bleek cokes te liggen en ik dacht: waar cokes ligt, is een bodem, dus ik heb me van die berg af naar beneden laten rollen. Zo kwam ik binnen, maar ik was wel alleen. Op de tast heb ik een kaars gevonden en lucifers, de mensen van dat huis hebben waarschijnlijk heel wat uren in die kelder doorgebracht. Ik heb daar minstens een uur alleen gezeten, toen hoorde ik iemand fluisteren: “Jo”. Dat leidde tot mijn tweede danse macabre, twee jongens in de kelder, idioot gewoon. Maar je was weer samen en dat was beter dan alleen, want in je eentje voelde je je wel verlaten. Mijn maat was over het terrein van een naburige stoomketelfabriek gekropen, buitenom, hij had er een uur langer over gedaan dan ik.

We hebben een dag en een nacht in die kelder gezeten, we hadden gelukkig ons marsrantsoen bij ons, een klein brood en een klein stukje keihard rookvlees. Er werd die dag en nacht constant geschoten, maar opeens viel er een beangstigende stilte en toen hoorden we iemand in het Frans schreeuwen dat de Amerikanen er waren. Ik zeg tegen mijn maat: “Laten we eens Foto: RIOD kijken of in de bunker onze koffers er nog staan. ” We kruipen dus die kelder uit en daar staat een Yank met een stengun: “Hands up”. Dat was mijn bevrijding. 20 maart 1945. Wat zal die man gedacht hebben, twee van die haveloze figuren, voor hetzelfde geld had hij ons neergeknald. Maar we werden van top tot teen gefouilleerd op wapens en we konden ons Nederlandse paspoort laten zien.

De volgende dag stond ik aan de weg en ik zag daar een eindeloze kolonne van legervoertuigen langskomen, allemaal met Yanks erop, in zo'n koepeltje, met het geweer in de aanslag. Ik heb daar staan huilen, niet uit blijdschap, misschien meer van opluchting, dat daar die enorme overmacht voorbij kwam, waar een paar dagen geleden nog Duitse huifkarren reden. Het was geen feest, er waren geen vlaggen, het was een innerlijke emotie.

De Amerikanen maakten krijgsgevangenen, maar bij die een- heid was er praktisch geen een die Duits sprak. Dus al snel was het “Hey Joe, you speak German?” en ik werd ingeschakeld om de Duitsers te verhoren. Ik kreeg zelfs een uniform van de MP, met een helm en een knuppel. Ik ben toen met de Amerikanen meegetrokken en pas in oktober 1945 was ik weer thuis. Dat ik met een Amerikaans uniform thuiskwam, vond mijn vader wel interessant, maar naar de rest vroeg hij niet, kennelijk hadden ze daar hun eigen zorgen.

Al in maart 1946 ging het punt spelen van de politionele acties. Ik had er niet zoveel zin in om in Indië mensen te gaan doodschieten. Dus om die hel te omzeilen, heb ik dienst genomen in het Engelse leger. Dat was een hele procedure, wantje moest goed zijn in je talen.

Een ander probleem was, dat ik een Duitse vrouw had getrouwd, die ik naar Nederland moest zien te krijgen. Ik had haar in het voorjaar van 1944 leren kennen en eindeloze pogingen om haar legaal in Holland te krijgen hadden niets opgeleverd. Dus ik dacht: laten we maar eens zien hoever we komen en we zijn lopend zonder papieren bij een klein dorpje in de buurt van Kerk-rade de grens overgestoken. Het was niet makkelijk om met een Duitse getrouwd te zijn in die jaren, voor mij niet en ook voor haar niet. Maar we hebben er gelukkig niet zoveel last van gehad.'

 

Terugblik

‘Ik heb er in latere jaren nooit zoveel over gepraat, niet in het gezin en niet met de naaste collega's. Het kwam gewoon niet bij je op. Er waren andere dingen die je bezig hielden: je huwelijk, kinderen krijgen, carrière maken. Misschien komt het ook omdat het niet zulke leuke verhalen zijn. Over de dingen die ik als tolk in het Amerikaanse leger heb meegemaakt, kan ik in ieder geval makkelijker praten.

Toen ik met de VUT ging, ben ik eerst andere dingen gaan doen. Maar op een gegeven moment las ik een artikeltje van Marius Hofhuis over de toen pas opgerichte Vereniging ex-Dwangarbeiders. Ik kende hem van vroeger en ik vond hem een aardige man. Het was ook een sympathiek stukje. De persoon Marius speelde dus een grote rol. Hij was de redacteur van het blad van de Vereniging en hij had van alles te doen, jammer dat hij het zo druk had. Helaas is hij inmiddels overleden. Via hem ben ik in het bestuur terechtgekomen.

Je verwacht in de vereniging een soort lotsverbondenheid, maar het valt niet mee het contact op te bouwen. Iemand kwam eens naar me toe op een vergadering en zei: “Ik heb niemand kunnen vinden uit die tijd, het zijn allemaal vreemden voor mij.” Ik zei toen: “Dat is iets dat je zelf moet veranderen, je kunt hier een praatje aanknopen om die barrière te doorbreken.” Maar niet iedereen kan dat en zelf heb ik er ook moeite mee. Als je iemand treft die hetzelfde heeft meegemaakt, is er eerder die lotsverbondenheid. Maar ook vroeger kon je natuurlijk lang niet met iedereen spreken. Het lukte mij eigenlijk alleen met mijn kameraad Willem, waarmee ik naar Berlijn ben geweest en naar de Amerikanen ben overgelopen. Ik heb hem later nog wel eens gezien, maar hij is geëmigreerd en dan verwatert het contact.

Wat me erg interesseert is het opschrijven van mijn herinneringen. Ik heb twee boekjes gemaakt, heel simpel, wat fotokopieën, een kaftje erom, klaar. Het is wat ik zelf heb meegemaakt, de hoogtepunten, de dieptepunten, hoe je het wilt noemen. Ik heb het vooral voor mezelf opgeschreven. Mijn belevenissen staan nu op papier en wie het wil kan het lezen. En anders maar niet, ik wil het niemand opdringen.

Dat ik dingen van me wil afschrijven, heb ik altijd gehad. Toen ik in die fabriek werkte, had ik hier in Nederland een vriendinnetje, aan wie ik eindeloos veel brieven heb geschreven. En ik heb ook een dagboek bijgehouden, vanaf de eerste dag dat ik in Duitsland kwam tot pal voor de bevrijding, dertien dikke schriften vol. Die schriften kon ik daar in een boekhandel kopen. En voor mijn vulpen had ik een flesje inkt, dat ik bijvulde op kantoor. Zo zat ik vaak in mijn stamcafétje ’s avonds imitatie-bier te drinken en te schrijven. Die schriften heb ik meegenomen toen ik bij het Britse leger in Duitsland ging werken. Voor ik terugging naar Holland heb ik ze in Hamburg verbrand, onder dronkenschap. Je wilde het van je afzetten, die ellende van vroeger. Daar heb ik wel spijt van. Ik zou ze graag nog eens willen overlezen, al die belevenissen van toen. Het zou een confrontatie zijn met mijn vroegere ik.

Ik heb een vriend die mijn boekjes graag leest. Hij vindt ze prachtig, want hij herkent er de dingen in die hij zelf heeft meegemaakt. Het doet me goed, dat het hem aanspreekt, kennelijk heb ik het gevoel dat ik probeerde te beschrijven herkenbaar gemaakt. Dat betekent dat de dingen die ik heb opgeschreven waar zijn.

Die herkenning bij het lezen van anderen ken ik ook zelf. Het gedicht van Leo Vroman bijvoorbeeld: “Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen", dat moet ik alleen lezen en in alle rust, want dat raakt me heel sterk. En wanneer spreekt een gedicht je aan? Als je er iets van jezelf in terugvindt.’

 

Commentaar

Drie levensverhalen van mannen die buitengewone dingen hebben meegemaakt. Drie verhalen ook, die een indruk geven van de achtergronden van de categorie ex-dwangarbeiders: wat betekende het om tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland tewerk te worden gesteld; en wat willen de vertegenwoordigers van deze groepering via belangenbehartiging bereiken?

Daar ging het vooral om in deze verhalen. Maar tijdens de interviews werden er ook een aantal opmerkingen gemaakt over het thema erkenning. En op dit thema wil ik in dit afsluitende commentaar nader ingaan.

In de praktijk wordt vaak onderscheid gemaakt tussen materiële en immateriële erkenning. Als we nog een keer terugkijken naar de drie vertelde verhalen, lijkt het in de eerste twee vooral om materiële erkenning te gaan: Mijnheer A. wil een financiële vergoeding in verband met de klachten die naar hij zelf gelooft met de oorlog samenhangen; en mijnheer B. wil dat de door de ex-dwangarbeiders tijdens de oorlog opgebouwde pensioenrechten alsnog gehonoreerd worden. Maar we weten, eveneens uit de praktijk, dat materiële en immateriële erkenning vaak nauw samenhangen. Dat blijkt ook nu weer het geval te zijn: in mijn commentaar zal ik laten zien dat het streven naar materiële erkenning van zowel mijnheer A. als mijnheer B. ook een immateriële betekenis heeft.

In het derde verhaal gaat het niet over geld. maar over iets anders, iets persoonlij kers. Mijnheer C. is vooral op zoek naar iemand aan wie hij zijn verhaal kan vertellen. Waarom is vertellen over hun ervaringen voor oorlogsgetroffenen zo belangrijk en wat zegt dit over erkenning?

 

Een verhaal van iemand die hulp vraagt

De hulpverlening zoals die voor de oorlogsgetroffenen tot stand is gebracht, heeft in onze samenleving niet alleen instemming maar ook kritiek ontmoet. Volgens de critici heeft het stelsel van wetten en regelingen op de oorlogsgetroffenen een ziekmakende werking, omdat er een premie wordt gezet op het hebben van klachten en symptomen in verband met de Tweede Wereldoorlog. Daardoor - en dat is een tweede punt van kritiek - wordt de verwerking van het oorlogsverleden moeilijker. Want terwijl de problemen van de oorlogsgetroffenen bij uitstek existentieel zijn, maakt het medisch-financiële karakter van de hulp het moeilijker om bij de existentiële betekenis van hun problemen stil te staan.

Het is duidelijk dat mijnheer A. een verhaal vertelt dat gericht is op het legitimeren van zijn recht op financiële hulp. Weliswaar wordt het vertellen in sterke mate gestructureerd door zijn oorlogservaringen: als iemand daar eindelijk naar vraagt, wordt A., net zoals veel andere oorlogsgetroffenen, door zijn herinneringen overspoeld; en tijdens het interview gaat het herinneren bijna direct over in het vertellen. Maar dat neemt niet weg dat mijnheer A. aan het eind van het interview een aantal opmerkingen maakt, waaruit blijkt dat hij zich niet zomaar in het verleden heeft verdiept, maar dat hij bij het vertellen een speciaal doel voor ogen had.

Wat is het geval? Hij is zich weer met zijn verleden gaan bezighouden, toen hij in een krantenartikeltje meende te lezen, dat er voor de hulp aan ex-dwangarbeiders nog een enorm bedrag beschikbaar was. Door dat artikeltje wordt hij duidelijk op een spoor gezet: voor het eerst realiseert hij zich, dat hij behoort tot een categorie mensen, die op grond van de oorlogservaringen recht op hulp kan claimen. Het is dus niet zo vreemd, dat hij na het lezen van dit artikeltje samen met een lotgenoot een aanvraag indient bij de Wubo (Wet uitkeringen burger-oorlogsge-troffenen), die voor een deel ook gehonoreerd wordt.

Het besef recht op hulp te hebben, klinkt in zijn verhaal op veel punten door. Hij vertelt bijvoorbeeld niet alleen wat hij in Duitsland en Polen heeft meegemaakt, maar ook hoe belastend deze ervaringen voor hem waren. En ook al is hij dankbaar voor de Wubo-hulp, toch is hij diep teleurgesteld dat niet bewezen kan worden, dat zijn rug- en longklachten met de oorlog samenhangen.

Het lijkt me dat de critici hun kritiek vooral hebben geformuleerd naar aanleiding van het type verhalen, zoals van mijnheer A. En op het eerste gezicht lijkt hun kritiek terecht, want zijn verhaal is door de wetten en procedures inderdaad beïnvloed. Maar is het financiële motief zo sterk dat de essentie van zijn verhaal is aangetast?

Ik geloof dat de financiële kant voor mijnheer A. inderdaad van belang is. Het is nu eenmaal zo dat hij van dag tot dag geconfronteerd wordt met lichamelijke klachten, waarvan hij aanneemt - zonder dit te kunnen bewijzen - dat ze door zijn oorlogservaringen zijn ontstaan. En nu hij eenmaal weet dat er voor mensen zoals hij financiële regelingen zijn, blijft de wens naar schadeloosstelling aan hem knagen. Maar toch zie je dat het in het verhaal van de heer A. om veel meer gaat dan om geld alleen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn deelname aan de ontmoetingsdagen van de SBO (de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen) en uit zijn pogingen om de kameraden van vroeger terug te vinden. Ik vind het onthullend hoe hij over het contact met zijn lotgenoten spreekt:

 

'Ik zou al die mensen van vroeger het liefste bij elkaar willen roepen, al die mannen die in Duitsland hebben gezeten en niks hebben gekregen, en tegen hen willen zeggen: “We hebben het allemaal meegemaakt. Ik heb het gekregen, daar heb ik mijn best voor gedaan; en niet voor de centen, maar om de erkenning, om te laten zien dat je centen kunt krijgen. Jongens, laten we ervoor strijden, laten we ervoor gaan, we hebben er allemaal recht op”.’

 

Waarom is dit citaat zo belangrijk? Omdat het laat zien hoe de materiële erkenning van de wetten en regelingen voor iemand een immateriële betekenis krijgt. Het gaat in dit citaat niet meer om geld, maar om kameraadschap en loyaliteit. Het financiële speelt weliswaar een rol, maar op dit moment is het meer aanleiding en middel, dan doel. Want het samen strijden voor een uitkering betekent voor mijnheer A. óók, dat hij de banden van vroeger opnieuw kan aanknopen en deze een nieuwe inhoud kan geven.

In dit citaat zien we opnieuw dat de wetten en procedures niet alleen een financiële, maar ook een symbolische betekenis hebben. De wetgeving biedt de oorlogsgetroffenen als het ware een taal: een taal die hen in staat stelt om ingewikkelde thema’s zoals vriendschap en loyaliteit aan te duiden. Daarnaast bieden de wetten een sociaal kader dat oorlogsgetroffenen als lotgenoten bij elkaar kan brengen. Ik denk in dit verband aan de contactdagen van de SBO. Wie daar niet alleen naar de officiële toespraken luistert maar ook door de koffiekamers rondloopt, ziet dat tussen de deelnemende burger-oorlogsgetroffenen via informele gesprekken allerlei draden van zelfhulp worden gespannen. Ook de Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland (VDN) wil haar leden als lotgenoten bij elkaar brengen.

 

Het verhaal van een belangenbehartiger

In het verhaal van mijnheer B. gaat het niet over medische klachten, maar over geschonden rechten. Daardoor wordt zijn relaas het verhaal van een belangenbehartiger. Dat zie je het duidelijkst aan zijn betoog over de geschonden pensioenrechten.

Waar gaat het om? De werknemers hebben in Duitsland rechten opgebouwd, die ze door een handeling van de Nederlandse overheid - de overeenkomst met Duitsland over het afkopen van de pensioenrechten - niet gehonoreerd krijgen. Het is een belangrijk punt, een van de hoofdpunten in het programma van de VDN. En er is een financiële eis aan verbonden, namelijk een ‘onverkorte honorering' van de tijdens de periode van dwangarbeid opgebouwde pensioenrechten.

Het is duidelijk dat de VDN met deze eis materiële erkenning nastreeft. Maar ook hier zien we dat op de achtergrond andere, immateriële motieven aanwezig zijn. Deze motieven hangen samen met de rol die de Nederlandse autoriteiten tijdens en na de oorlog hebben gespeeld.

Op deze rol gaat de heer B. in vooral aan begin van zijn verhaal. als hij beschrijft hoe de autoriteiten meewerken aan de uitzending naar Duitsland, en aan het eind, waar het gaat over de lauwe en soms ook vijandige ontvangst die de dwangarbeiders na hun terugkeer ten deel is gevallen. Hij is duidelijk verontwaardigd over deze gang van zaken: de autoriteiten hebben tijdens de Duitse bezetting niet alleen op volle kracht meegewerkt aan de uitzending van de Nederlandse arbeiders naar Duitsland, maar bovendien werden de dwangarbeiders meteen na de oorlog al in de criminele hoek geplaatst.

Deze analyse brengt de heer B. ertoe een nieuwe eis te formuleren:

 

‘We zijn nu als ex-dwangarbeiders door het ministerie erkend als oorlogsslachtoffer, zodat we een beroep kunnen doen op de Wubo. Maar er is nog nooit door iemand toegegeven dat we oorlogsslachtoffer zijn geworden, doordat de Nederlandse autoriteiten ons hebben uitgeleverd om dit alles te ondergaan. Dat is voor mij het kernpunt. De arbeidsbureaus hebben meegewerkt, de gemeentebesturen, de Nederlandse bedrijven, de politie, de spoorwegen. En toen het voorbij was, heeft de Nederlandse overheid geen enkele moeite genomen om ons naar Nederland terug te halen; bovendien is de opvang hier werkelijk allermiserabelst geweest. Zo zijn we behandeld, maar er is tot nu toe nog niemand geweest die daarvoor sorry heeft gezegd.’

 

Omdat tijdens het interview dit punt me nogal verrast, vraag ik erop door. Het antwoord van mijnheer B. is veelzeggend:

 

‘Waarom dat belangrijk is? Gemoedsrust. Stel ze hebben je bestolen en je weet wie het gedaan heeft, maar er gebeurt verder niets mee. Die vent zou toch tenminste sorry kunnen zeggen. Want als dat niet gebeurt, loop ik steeds met de gedachte rond: hij heeft van me gestolen.’

Ik vind dit een belangrijke passage. Je zou verwachten dat de bestolene van de dief in eerste instantie zijn bezittingen terug wil hebben. Natuurlijk wil de heer B. dat óók, maar in het fragment gaat het om iets anders: de dief moet sorry zeggen en dat heeft volgens mijnheer B. iets met ‘gemoedsrust’ te maken. Dat is opmerkelijk: kennelijk gaat het mijnheer B. niet alleen om materiële, maar ook om immateriële erkenning. Maar hoe dan precies, waarom zijn voor mijnheer B. de excuses van de overheid zo belangrijk?

We weten dat door de terugkeer van de herinneringen voor veel oorlogsgetroffenen er een kloof ontstaat tussen de werkelijkheid die zij subjectief beleven, en de werkelijkheid die zij met anderen kunnen delen. Want zij weten dat voor de anderen de oorlog tot het verleden behoort, maar zelf worden ze regelmatig door hun herinneringen en emoties overmand.

Een vergelijkbare kloof is er kennelijk ook gegroeid tussen de ex-dwangarbeiders en hun omgeving. Zelf voelen zij zich slachtoffers die tijdens de oorlog door de Nederlandse autoriteiten aan Duitsland werden uitgeleverd. Maar in de reacties van anderen voelen zij op zijn best onverschilligheid; en vaak ook merken ze dat ze als halve collaborateurs worden gezien, die maar beter hadden kunnen onderduiken. Tegen deze achtergrond wordt de eis van mijnheer B. begrijpelijk: als de overheid excuus zou aanbieden, zou officieel worden vastgesteld dat de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken tijdens de oorlog niet bij de ex-dwangarbeiders ligt, maar bij de autoriteiten die hen naar Duitsland hebben laten gaan. Door deze symbolische, dus immateriële erkenning zouden de visies van de ex-dwangarbeiders en van de buitenwacht meer op één lijn komen te liggen. Dat zou de verwerking van hun ervaringen natuurlijk vergemakkelijken. En daarom zijn voor de heer B., naast de honerering van de pensioenrechten, ook de excuses van de overheid zo belangrijk.

Ja, zeggen de critici nu, die immateriële erkenning is misschien wel nodig, maar zo richt je het betoog wel heel sterk op de rol van de overheid en de autoriteiten; en daardoor wordt het verhaal over de ex-dwangarbeiders toch eenzijdig. Want een verhaal over geschonden rechten moet zich immers beperken tot de behandeling die de ex-dwangarbeiders als groep hebben ondervonden, en daarmee blijft het noodzakelijkerwijs algemeen. Natuurlijk breng je zo een wezenlijk deel van hun ervaringen over het voetlicht; maar een ander deel, het meer persoonlijke, het deel dat te maken heeft met betekenisgeving, blijft daarmee onderbelicht.

Deze kritiek lijkt me wel juist. Maar ik weet ook dat bij de hulpverlening vaak is gebleken, dat eerst de collectieve erkenning rond moet zijn, voor de oorlogsgetroffenen aan een meer persoonlijke verwerking kunnen beginnen.

 

Op zoek naar een vriend

Dat brengt ons naar het interview met mijnheer C., dat licht werpt op deze meer persoonlijke erkenning. Waar gaat het om in dit levensverhaal?

Opvallend is de manier waarop de heer C. met de Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland in contact is gekomen. Net als bij de heer A. brengt ook voor C. een stukje in de krant de bal aan het rollen. Maar het bericht dat de heer C. treft, gaat niet over geld, maar over iets anders:

 

'... op een gegeven moment las ik een artikeltje van Marius Hofhuis over de toen pas opgerichte Vereniging ex-Dwangarbeiders. Ik kende hem van vroeger en ik vond hem een aardige man. Het was ook een sympathiek stukje. De persoon Marius speelde dus een grote rol. Hij was de redacteur van het blad van de Vereniging en hij had van alles te doen, jammer dat hij het zo druk had. (...) Via hem ben ik in het bestuur terechtgekomen.’

 

Het lijkt me een belangrijke passage. Ze suggereert dat de heer C. in deze fase van zijn leven op zoek was naar een vriend; en niet zomaar een vriend, maar iemand met wie hij een speciaal stuk van zijn verleden, namelijk de ervaringen in Duitsland, kon delen. Dat lijkt me het centrale thema in dit verhaal. Dan gaat dit verhaal dus niet over belangenbehartiging en niet over het recht op hulp, maar over het zoeken naar de kameraad van vroeger, met wie je je op grond van je ervaringen verbonden kunt voelen. Wat heeft dit met erkenning te maken?

Het verlangen naar de kameraden van vroeger is in ieder geval heel sterk, dat zie je niet alleen bij de heer C. maar ook bij de heer A. Maar daarnaast zijn er de weerstanden, ook dat zie je in beide interviews. Die weerstanden hebben volgens mij te maken met de afstand die is gegroeid tussen het heden en het verleden. In de jaren sinds de bevrijding zijn deze mannen getrouwd, ze hebben carrière gemaakt en hun kinderen zijn geboren. Over het algemeen is hun leven goed verlopen, en daardoor is er een hemelsbreed verschil tussen de situatie nu en de situatie toen. Toen was er de honger, de kou, de vernedering, de angst. Nu is dat alles een ver verleden geworden. Juist daarom is het moeilijk de herinneringen aan vroeger onder ogen te zien, want die herinneringen zijn niet alleen angstig en bedreigend, maar ze komen ook in strijd met het beeld dat je nu, op grond van je latere leven, van jezelf hebt.

En daarom is het niet zo makkelijk om het contact met de kameraad van vroeger weer aan te gaan. Vroeger leed je samen honger en kou en was je samen bang. Nu sta je als heel andere mannen tegenover elkaar. En als je nu weer over de dingen van vroeger begint, maak je je dan in de ogen van de ander niet belachelijk? Dat is de onzekerheid die je voelt als je na al die jaren elkaar weer terugziet.

Persoonlijke erkenning ervaar je als de vonk wél overspringt. Als je niet alleen merkt dat de ander blij is je weer terug te zien, maar vooral ook als het lukt de verhalen over vroeger te delen. Waarom is dat uitwisselen van verhalen zo belangrijk? Wat heeft het vertellen over vroeger met erkenning te maken? Het verhaal van mijnheer C. geeft aan wat het uitwisselen van verhalen voor oorlogsgetroffenen kan betekenen.

Mijnheer C. blijkt voor zichzelf een manier te hebben gevonden, om met de onzekerheid rond het vertellen om te gaan. Omdat het contact met zijn lotgenoten niet zo makkelijk verloopt, is hij over zijn ervaringen gaan schrijven. Wat is dat eigenlijk, schrijven? Het is je verhaal zo ordenen en bewerken, dat het niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen begrijpelijk wordt. Daarom zijn de reacties van zijn vriend voor mijnheer C. zo belangrijk: aan diens enthousiasme merkt hij dat zijn verhalen herkenbaar zijn. Als zijn vriend zichzelf in zijn verhalen herkent, dan blijkt daaruit dat mijnheer C. erin geslaagd is om al schrijvend ook iets van de ervaringen van een ander onder woorden te brengen. Dat kan het bewerken van je verhaal dus opleveren: het gaat ook voor anderen spreken. En misschien is dat wel de meest wezenlijke erkenning die het vertellen van je verhaal kan opleveren.

Voor mijnheer C. zelf heeft het gedicht Vrede van Leo Vro-man deze functie gekregen. Dat is eigenlijk wonderlijk, want als je niet alleen de bekende regels (‘Kom vanavond met verhalen/ hoe de oorlog is verdwenen'), maar het gedicht in zijn totaliteit leest, merk je dat het een tamelijk gruwelijke inhoud heeft. Toch vindt mijnheer C. het een mooi gedicht. Waarom? Kennelijk omdat dit gedicht voor hem zijn eigen emoties vertolkt, emoties die belangrijk voor hem zijn, maar die hij misschien zonder dit gedicht niet zou kunnen bereiken. Zo kan een gedicht met een gruwelijke inhoud toch waarde voor iemand krijgen.

Hoe is dat mogelijk? Dat is een vraag die je kunt doortrekken naar verhalen van lotgenoten: hoe kunnen die verhalen, die bijna altijd over negatieve ervaringen gaan, waardevol voor iemand worden?

Hulpverleners zeggen dat door het uitwisselen van verhalen lotgenoten het gemeenschappelijke in hun ervaringen kunnen ontdekken, en dat dit kan leiden tot betekenisgeving. Dat is juist, maar het veronderstelt dat de luisteraar en de verteller bij het vertelde stil kunnen staan. En dat lukt alleen, als ze merken dat de verhalen niet alleen over misère gaan, maar dat daarin ook fragmenten voorkomen die hen boeien en hun aandacht vasthouden. Die fragmenten met een bijzondere lading kunnen voor hen een symbolische betekenis krijgen.

Symbolen zijn fragmenten die niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen iets uitdrukken van de betekenis van je verhaal. Wat symbolen zijn en doen, kan ik het beste aan de hand van voorbeelden laten zien. Het eerste voorbeeld is een fragment uit het interview met de heer C.:

 

‘Iedereen had honger in die laatste tijd. Ik had geen broodbon-nen, alleen kantinebonnen, maar ik dacht: wie let me, ik ga gewoon in de rij staan met de Duitsers. Toen ik aan de beurt was, kon ik natuurlijk geen bonnen laten zien. De bakker zei toen: “Kom volgende keer maar achterom”. Ik heb er geen misbruik van gemaakt, maar ik heb maandenlang elke week een brood van hem gehad, een groot brood, heerlijk. Dat was een goede Duitser, dat deed je goed, dat deed je echt goed.'

 

Het tweede voorbeeld gaat over hetzelfde thema en komt uit het interview met de heer A.; ik heb het nog niet eerder opgenomen:

 

‘Ik wil even een verhaaltje kwijt om iemand hulde te brengen. We zaten in Polen en we hadden te weinig te eten en die middag zouden we gaan bedelen om brood. We kwamen toen een oud vrouwtje tegen en omdat ik geen kousen meer had, alleen een paar lappen om mijn voeten, vroeg ik in mijn beste Duits of ze niet een paar sokken over had. Ze moest even nadenken, maar toen kwam ze met twee witte wollen wanten naar buiten, ik weet niet eens meer hoe ik die duimen eraf heb gekregen. En ze gaf me ook een klein flesje, waar later wodka in bleek te zitten. We konden dat helemaal niet meer drinken, maar we staken onze pink erin en dan aflikken, heerlijk. Dat ze kwam met die wanten en die wodka, terwijl ik een vreemde voor haar was, dat gebaar, daar zou ik haar nu nog voor willen omhelzen.’

 

Het zijn fragmenten uit twee verschillende interviews, die toch erg op elkaar lijken. Want ze gaan niet alleen over vergelijkbare ervaringen, maar ze verwijzen ook naar eenzelfde betekenis, die iets wezenlijks zegt over hulp vragen en hulp geven.

In beide citaten vraagt er iemand om hulp. Dat is op zich een negatieve ervaring, want als je een ander om hulp moet vragen, ben je per definitie onmachtig en afhankelijk. Dat dit toch een positieve herinnering wordt, komt door de manier waarop de ander op de hulpvraag reageert. In beide gevallen zie je dat de ander niet alleen het verzoek inwilligt, maar meer geeft dan er gevraagd werd. En juist daardoor herstelt zich bij de vrager het geschonden gevoel van eigenwaarde.

 

Iets vergelijkbaars is me opgevallen bij de oorlogsgetroffenen die in een aanvraagprocedure zijn verwikkeld. Die tonen zich vaak bitter over hun behandeling, maar ook hoor je veel verhalen over functionarissen die meer voor hen gedaan hebben dan binnen het kader van de wet strikt gezien noodzakelijk was. Dat iemand zo op hen reageert, heeft een heilzaam effect op de aanvragers. Want daardoor krijgen ze het gevoel dat ze in de ogen van de ander echt hulp nodig hebben, en dat het dus terecht is dat ze om hulp hebben gevraagd. Als de ander zo reageert, wordt hulp een teken van respect. Zo kan het vernederende, dat toch altijd aan het vragen om hulp is verbonden, worden opgeheven.

Als dat bij de aanvragers in de procedure al zo is, hoeveel te meer zal dat dan gelden voor de mannen die onder de toenmalige omstandigheden om hulp moesten vragen. Waarschijnlijk is op het moment zelf de ontvangen hulp het belangrijkste, want die was nu eenmaal hard nodig. Maar nu ze na al die jaren op deze ervaringen terugzien, heeft die hulp een immateriële betekenis gekregen.

Twee verhalen, uit twee interviews met heel verschillende mensen. Maar toch zijn ze inhoudelijk verwant. En je kunt je voorstellen dat vanuit dit soort verhalen een thema naar voren komt, dat binnen een groep van lotgenoten het begin vormt van een gemeenschappelijk verhaal, een verhaal dat niet langer angst en afschuw opwekt, maar een gevoel van herkenning. Waarom? Omdat zowel degene die vertelt alsook degene die luistert merken, dat het de betekenis uitdrukt van wat ze toen in hun leven hebben meegemaakt. En vanuit die herkenning ontstaat de erkenning: het besef dat de verhalen die je van anderen hoort, maar ook de verhalen die je zelf vertelt, waarde hebben.

Referentie: 
Freddy Begemann | 1998
In: Icodo Info, ISSN 0168-9932 | [15] | 1/2 | 38-68
Trefwoorden: 
arbeidsinzet, burger-oorlogsgetroffenen, Duitsland, dwangarbeiders, erkenning, hulpverlening, lotgenotencontact, persoonlijke ervaringen, Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO), Tweede Wereldoorlog (1939-1945), Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland (VDN)