De Olympische spelen van het lijden

In zijn boek ‘The Seventh Million’ (1998) beschrijft de Israëlische journalist Tom Seveg het bezoek van een groep Israëlische studenten aan Auschwitz en andere voormalige vernietigingskampen in Polen. Sommigen komen van seculiere instituten, anderen van religieuze. Allen zijn door het Israëlische ministerie van onderwijs grondig op het bezoek voorbereid. Ze hebben bIan Burumaoeken gelezen, films bekeken, en kennis gemaakt met overlevenden.

Toch constateert Segev een zekere angst onder de studenten bij hun aankomst in Polen. Zullen zij bezwijken? Zullen zij na deze ervaring 'nooit meer dezelfde zijn’? Hun angsten zijn niet ongegrond. Want de studenten is van te voren duidelijk gemaakt dat deze reis van grote invloed zal zijn op hun ‘identiteit’ als jood en als Israëliër.

 

Zulke klassikale bezoeken aan de vernietigingskampen maken deel uit van de Israëlische opvoeding. De politieke boodschap is onomwonden: Israël werd gesticht op de puinhopen van de holocaust, maar als Israël in 1933 al bestaan had, zou de holocaust nooit hebben plaatsgevonden. Alleen in Israël kunnen joden veilig en vrij zijn. Daar was de holocaust het bewijs van. Hitlers slachtoffers waren dus als martelaars voor de joodse staat gestorven, als Israëliërs in spe eigenlijk, en de staat Israël is zowel het symbool als de waarborg voor het joodse voortbestaan.

Met het hijsen van de Israëlische vlag en het zingen van het volkslied op de kille plaatsen waar het joodse volk bijna werd uitgeroeid, wordt deze boodschap opnieuw tot uitdrukking gebracht. Maar Segev constateerde tevens een eigenaardig religieus, of pseudo-religieus aspect aan deze bezoeken aan de vernietigingskampen. Hij zag een overeenkomst tussen de Israëlische studenten in Polen en christelijke pelgrims in Jeruzalem, die alles om zich heen vergeten behalve de heilige plaatsen. Zij trokken langs de spoorstaven in Auschwitz-Birkenau gelijk de christenen langs de Via Dolorosa. Ze droegen gebedenboeken bij zich, gedichten en psalmen, die zij voordroegen bij de ruïnes van de gaskamers. Zij draaiden bandjes met muziek van een holocaust-overlevende genaamd Yehuda Poliker. In een van de kampen werd een kaars ontstoken in het crematorium, waar de studenten knielden in gebed.

Sommigen noemen dit een vorm van seculiere religie. De historicus Saul Friedlander was meedogenlozer en noemde het een combinatie van kitsch en dood.

Dit alles lijkt ver verwijderd van Primo Levi’s angsten voor de vergetelheid. Een van de wreedste verwensingen die de joodse slachtoffers door SS-officieren in Auschwitz naar het hoofd geslingerd kregen, was de voorspelling dat zelfs al zou 'n jood het kamp overleven, niemand zou geloven wat hem of haar overkomen was. Natuurlijk had de SS-er het bij het verkeerde eind. Wij kunnen ons de beproeving van het slachtoffer niet voorstellen, maar wij geloven hem.

En de herdenking van hun lijdensweg neemt in omvang toe naarmate de gebeurtenissen verder wegzinken in het verleden. Holocaustmusea en gedenktekens verrijzen. Holocaustfilms en televisieseries trekken meer kijkers dan ooit. Steeds meer mensen bezoeken de kampen, waar de verrotte barakken zorgvuldig gerestaureerd moeten worden om te dienen als gedenkplaatsen en filmsets.

 

Op een merkwaardige manier is de joodse holocaust een inspiratie geweest voor anderen. Immers, vrijwel elke gemeenschap, of het nu een natie is of een religieuze, etnische of seksuele minderheid, heeft wel een appeltje te schillen met de geschiedenis. Stuk voor stuk is hun onrecht aangedaan, en in toenemende, in mijn ogen verontrustende mate, willen zij allemaal dat dat onrecht erkend wordt, publiekelijk, ritueel, en soms ook financieel.

Wat mij verontrust is niet de aandacht die wij verzocht worden op te brengen voor het verleden. Zonder geschiedenis, inclusief haar pijnlijkste episoden, kunnen wij niet begrijpen wie wij zijn, en ook niet wie anderen zijn. Gebrek aan historisch besef betekent gebrek aan perspectief. Zonder perspectief strompelen we door de duisternis en zullen we alles geloven, hoe verwerpelijk het ook is. Geschiedenis is dus goed. Het verontrustende is de mate waarin naties en minderheden zichzelf tegenwoordig in de eerste plaats definiëren als slachtoffer van de geschiedenis. Hier openbaart zich volgens mij juist een gebrek aan historisch perspectief.

 

Het lijkt er soms op alsof iedereen wil concurreren met de joodse tragedie, in wat een Israëlische vriend van mij ooit noemde ‘de Olympische spelen van het lijden’. Heb ik het mis als ik een vleugje jaloezie bespeur in de wens van Iris Chang, - de Chinees-Amerikaanse auteur van een recente bestseller over de in 1937 door Japanners aangerichte bloedbaden van Nanking - dat de Chinese Amerikanen hun eigen Steven Spielberg konden hebben. (Haar boek heeft als ondertitel: ‘De vergeten Holocaust van de Tweede Wereldoorlog.’)

Het is voor de Chinese Amerikanen blijkbaar niet genoeg om gezien te worden als de erfgenamen van een grote beschaving; zij willen gezien worden als de erfgenamen van hun eigen holocaust. In een interview over haar succes vertelde Chang over een vrouw die na afloop van een lezing naar haar toekwam om te vertellen hoe trots zij zich voelde op haar Chinese afkomst na het horen van Changs verslag van het bloedbad in Nanking. Een vreemde trots.

Chinese Amerikanen zijn niet de enigen die aan zulke emoties ten prooi vallen. Ook hindoe-nationalisten, Armeniers, Afro- Amerikanen, Serviërs, Indische Amerikanen, Japanse Amerikanen, en homoseksuelen die aids als een teken van hun identiteit hebben aangenomen, worden door het idee van slachtofferschap achtervolgd.

Een boek over aids van Larry Kramer heeft bijvoorbeeld als titel: ‘Reports from the Holocaust'. Hij trekt een directe vergelijking tussen de aids-epidemie en de pogingen van de nazi’s om de joden uit te roeien. Zelfs de rustige, rijke Hollanders, vooral tieners en twintigers, veel te jong om weet te hebben van enige wreedheid, hebben hun historisch perspectief geminimaliseerd tot de ontberingen die geleden werden onder de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat is niet verwonderlijk, aangezien de geschiedenis van voor de twintigste eeuw vrijwel geheel van het onderwijsprogramma is geschrapt, als zijnde irrelevant.

Het noemen van Spielbergs naam is niet toevallig, want geschiedenis wordt in Hollywood gemaakt. Toen Oprah Winfrey de rol van slavin speelde in de film ‘Beloved’ (1998), vertelde zij de pers dat zij op de set huilend en bevend in elkaar was gezakt. Tk werd zo hysterisch’, vertelde zij, ‘dat ik totaal in de put raakte. Dat was het omslagpunt. De lijfelijke kant, de klappen, iedere dag mishandeld worden, het stelde niets voor in vergelijking met het besef dat je niet de baas was van je eigen leven’. Bedenk wel, dit was slechts een film.

 

Het is niet mijn bedoeling het lijden van anderen te bagatelliseren. De plundering van Nanking, waarbij tienduizenden, misschien honderdduizenden Chinezen werden afgeslacht door de Japanse troepen, was een afschuwelijke gebeurtenis. Het onwaardige leven en de gewelddadige dood van de ontelbare mannen en vrouwen die vanuit Afrika en China als slaven verhandeld werden, mag nooit vergeten worden. De massamoord op de Armeniërs door het Ottomaanse rijk kan niet ontkend worden. Vele hindoetempels en hindoelevens werden door mosliminvasies vernietigd. De Serviërs leden in het verleden inderdaad een bloedige nederlaag tegen de Turken, en werden tijdens de Tweede Wereldoorlog barbaars behandeld door Kroatische nazi’s. Vrouwen en homo's zijn gediscrimineerd.

En, ongeacht de vraag of Columbus op zijn geboortedag terecht een moordenaar genoemd werd, een feit is dat de Indianen in aantal gedecimeerd werden. Dat is allemaal waar. Maar het wordt problematisch zodra een culturele, etnische, religieuze of nationale gemeenschap zijn gemeenschappelijke identiteit gaat baseren op de sentimentele solidariteit met de herinnering aan het slachtofferschap. Want dat leidt tot historische bijziendheid en, in het ergste geval, tot bloedwraak. Dat leidt, ten slotte, tot Kosovo, waar nog steeds onschuldige mensen vermoord worden in naam van een Servische nederlaag van bijna duizend jaar geleden.

 

Hoe heeft het zover kunnen komen? Waarom willen zovelen zich identificeren als slachtoffer? Daarop bestaat natuurlijk geen algemeen antwoord. Geschiedenissen verschillen, en zo ook het gebruik dat ervan gemaakt wordt. Maar ik wil trachten een paar punten vast te stellen.

Ten eerste is er het zwijgen van de werkelijke slachtoffers; het zwijgen van de doden, maar tevens het zwijgen van de overlevenden. Toen de overlevenden uit de vernietigingskampen van de nazi’s met roestige, overvolle schepen in Israël arriveerden, weerhielden schaamte en trauma de meesten van hen om over hun lijden te praten. Slachtoffers namen een moeilijke plaats in binnen de nieuwe joodse staat. Het was alsof het slachtofferschap een schandvlek was, die uitgewist of genegeerd moest worden. En daarom hielden de overlevenden in het algemeen hun mond.

Iets vergelijkbaars gebeurde in Europa, vooral in Frankrijk. De Gaulle bood onderdak aan allen die door de oorlog heen gekomen waren, verzetsstrijders, aanhangers van het Vichy-bewind, collaborateurs, Vrije Fransen en joodse overlevenden. Formeel waren het allemaal ‘citoyens’ van het eeuwige Frankrijk, en hadden allen de Duitse vijand weerstaan. Aangezien het laatste wat de Franse joden wilden was dat zij opnieuw als een aparte categorie zouden worden beschouwd, berustten de overlevenden in deze fictie, en hielden hun mond.

In China was de situatie sterker politiek geladen. In de Volksrepubliek werd weinig aandacht besteed aan het bloedbad van Nanking, aangezien er geen communisten aanwezig waren geweest in de nationale hoofdstad in 1937. Een groot deel van de slachtoffers in Nanking, of Shanghai, of elders in het zuiden van China, waren soldaten uit het leger van Chiang Kai-shek. Overlevenden uit de verkeerde klasse, of met de verkeerde politieke bloedgroep, hadden het te moeilijk de Maoïstische zuiveringen te overleven om zich druk te maken over de vraag wat er gebeurd was onder de Japanners.

 

Het werd overgelaten aan de volgende generatie, de zonen en dochters van de slachtoffers, om het stilzwijgen te verbreken. In China was daar een politieke koerswijziging voor nodig: de Open Deur-politiek van Deng Xiaoping ten opzichte van Japan en het Westen, moest in een nationalistische mantel gewikkeld worden. De afhankelijkheid van Japans kapitaal werd gecompenseerd met aanslagen op het Japanse geweten. Het duurde tot 1982 voordat het communistische bewind enige aandacht schonk aan de slachting van Nanking.

Maar even afgezien van de Chinese situatie, waarom besloten de zonen en dochters van andere slachtoffers om aan de bel te gaan trekken in de jaren zestig en zeventig? Hoe is de vasthoudendheid te verklaren van een man als Serge Klarsfeld, wiens vader vermoord werd in Auschwitz en die meer gedaan heeft dan enige andere Fransman om de geschiedenis van de Franse joden onder de aandacht van het publiek te brengen.

Nagedachtenis is een vorm van eerbetoon aan onze ouders. Maar het is ook, vooral wanneer hun lijden onuitgesproken en zonder erkenning is gebleven, een manier om ons zelf te bevestigen, om de wereld te vertellen wie wij zijn.

Het is te begrijpen dat de Franse joden hun littekens verborgen omdat zij stilletjes in de massa wensten te worden opgenomen, maar voor hun kinderen en kleinkinderen was dat niet goed genoeg. Het leek alsof een deel van henzelf was geamputeerd door het stilzwijgen van hun ouders. In het openbaar spreken over het gedeelde leed van de voorgaande generaties kan een vorm zijn van ‘coming out', van het in top hijsen van de kleuren van de eigen identiteit.

De enige manier waarop een nieuwe generatie geïdentificeerd kan worden met het leed van eerdere generaties is als dat leed publiekelijk erkend wordt, keer op keer. Deze optie wordt des te aantrekkelijker wanneer er nauwelijks of geen andere tekenen van gemeenschappelijke identiteit meer zijn, vaak juist ten gevolge van de wil van de overlevenden om te assimileren. Als een joodse identiteit gereduceerd wordt tot een voorkeur voor Woody Allen en bagels, of een Chinese identiteit tot de boeken van Amy Tan en Chinees eten op zondag, dan begint de quasi-authenticiteit van een gemeenschappelijk leed er aantrekkelijk uit te zien.

 

Harvard-professor K.A. Appiah heeft dit mooi onder woorden gebracht in een analyse van de identiteitspolitiek in het hedendaagse Amerika. De talen, religieuze overtuigingen, mythes en geschiedenissen van de oude landen raken op de achtergrond wanneer de kinderen van immigranten Amerikanen worden. Dat leidt regelmatig tot defensieve claims op de culturele eigenaardigheid, vooral wanneer er nog maar weinig eigenaardig is.

Zoals Appiah zegt over de nieuwe Amerikanen: ‘Hun middle-class-nakomelingen, die in het dagelijks leven Engels spreken en zich vrij bewegen tussen de soapserie Seinfeld en de afhaalchinees, raken in verwarring door het vermoeden dat hun identiteit maar vaag is in vergelijking met die van hun grootouders. En sommigen van hen vrezen dat als de rest van ons hun anders-zijn niet snel erkent, er weinig meer over zal zijn om te erkennen.’

Vervolgens zegt Appiah dat het nieuwe verhaal van de ‘identiteit' de belofte in zich draagt van vormen van erkenning en solidariteit die het verlies van die goede oude, vertrouwde etniciteit opvangen. Helaas echter doen deze vormen maar al te vaak denken aan de combinatie van kitsch en dood, zoals beschreven door Saul Friedlander. Identiteit raakt meer en meer gebaseerd op de pseudo-religie van het slachtofferschap.

Wat Appiah zegt over etnische minderheden zou ook van toepassing kunnen zijn op vrouwen: hoe geëmancipeerder de vrouwen werden, hoe meer sommige extreme feministes zichzelf gingen beschouwen als hulpeloze slachtoffers van de man.

Nationaliteit is uiteraard iets anders dan deel uitmaken van een etnische minderheid. Over het algemeen spreken mensen uit verschillende landen nog verschillende talen, eten anders, en krijgen andere geschiedenislessen. Maar deze verschillen worden onduidelijker. Tot op zekere hoogte worden wij allemaal, vooral in de rijkere landen, minderheden in een veramerikaniseerde wereld.

Nog maar weinig landen buiten het Middenoosten worden religieus gedefinieerd. En voor vaderlandse geschiedenis, en de verering van nationale helden is maatschappijleer in de plaats gekomen, waarbij nationale propaganda vervangen is door vieringen van het hedendaagse multiculturalisme.

Literaire canons raken verouderd, zij het in Europa misschien minder snel dan in de Verenigde Staten. In combinatie met een forse instroom van immigranten naar landen als Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland, hebben deze ontwikkelingen de restjes oude, vertrouwde etniciteit in de Europese landen uitgewist.

 

Het sterkste bindmiddel dat de nationale gemeenschappen bijeenhield, het meest bevrijdende en tevens het meest fatale, is wellicht de manier waarop wij verkozen of gedwongen werden geregeerd te worden. Sommige staten worden in hoofdzaak gekenmerkt door hun politieke systeem. Dat geldt voor de Verenigde Staten, maar ook voor het Verenigd Koninkrijk. Soms komen staatsinrichting en religie samen in een monarchie. Nergens is politiek geheel ontdaan van irrationele elementen: gewoonten, geloof en historische eigenaardigheden laten allemaal hun sporen na.

Het was een bizarre gedachte, voortgekomen uit de Verlichting en de Franse Revolutie, dat politieke utopieën geheel verstandelijk beredeneerd konden worden. Nationalisme, in de zin van het aanbidden van de natiestaat als uitdrukking van de volkswil, was een onderdeel daarvan. De politiek zou de banden van religie of regio of ras geheel vervangen. Dit bracht veel verbetering. Het bracht ook veel ellende. De tweelingrampen communisme en fascisme toonden hoe gevaarlijk het is om de natiestaat als zuivere uitdrukking van de volkswil te beschouwen.

In ieder geval kwam de politieke ideologie, geboren uit de verdeling tussen links en rechts in het Franse parlement en verscherpt tijdens de Koude Oorlog, tot een einde met het ineenstorten van de Sovjet-Unie. En de effecten van het wereldwijde kapitalisme en steeds meer gemeenschappelijke politieke instellingen hebben, vooral in Europa, in zekere mate het idee onder-mijnd dat staten worden gedefinieerd door de manier waarop zij worden geregeerd. Het lijkt er immers niet meer toe te doen hoe een staat wordt geregeerd: de beslissingen lijken toch altijd elders te worden genomen.

 

Welke kant gaan wij nu op, in deze onttoverde wereld van afgezworen ideologieën, religies, nationale en culturele grenzen? Bezien vanuit een seculier, internationalistisch, kosmopolitisch standpunt, ziet het er nog niet zo slecht uit. Tenminste, zolang je in het rijke, liberale westen woont. Het is toch een goede zaak dat de nationalistische historische verhalen zijn afgelegd, dat homo’s voor hun geaardheid kunnen uitkomen en niet meer anders hoeven zijn dan de rest, dat vrouwen nu ook banen kunnen krijgen die voorheen aan de mannen waren voorbehouden, dat immigranten uit alle windstreken onze cultuur komen verrijken, en dat wij niet langer geterroriseerd worden met religieuze of politieke dogma’s. Een halve eeuw seculiere, democratische en progressieve verandering is een enorm succes. We zijn eindelijk bevrijd van de irrationele, verstikkende, vaak fatale, maar knusse etnische vertrouwdheid. Niettemin willen steeds meer mensen terugkeren naar juist die oude vertrouwdheid, en de vorm die dat vaak aanneemt is die van de pseudo-religie van kitsch en dood.

Tom Segev beweert dat de huidige tendens in Israël om de holocaust tot een burgerreligie te maken, een reactie is op het seculiere zionisme. De ‘nieuwe mens’, socialistisch, heldhaftig en ondernemend, bleek ontoereikend. Meer en meer mensen willen terug naar hun historische wortels. Maar een serieuze omgang met religie is moeilijk. Zoals Segev zegt: ‘Emotioneel en historisch besef van de Holocaust is een veel gemakkelijker weg terug naar de hoofdstroom van de Joodse geschiedenis, die niet noodzakelijkerwijs een persoonlijke morele verplichting met zich meebrengt. De “erfenis van de Holocaust” is daarom voornamelijk een manier voor seculiere Israëliërs om hun verbondenheid met het joodse erfgoed uit te drukken.' Voor velen van ons geldt hetzelfde, of wij nu joden zijn, Chinese Amerikanen of wat dan ook. De heropleving van het hindoe-nationalisme in India bijvoorbeeld, is het sterkst onder de ‘middle-class'-hindoes, die in opstand komen tegen Nehru's visioen van een socialistisch, seculier India. Aangezien vele van deze ‘middle-class’-hindoes die in de steden wonen, slechts een oppervlakkige kennis van het hindoeïsme bezitten, is een agressieve wrok jegens de moslims een eenvoudiger optie. En zo doet zich in India de merkwaardige situatie voor dat de hindoe-meerderheid zich bedreigd voelt door de armere, veel minder machtige moslim-minderheid.

Maar er is ook een bredere context, vooral in het westen. Zoals het romantische idealisme en de cultuuraanbidding van Herder en Fichte volgden op het seculiere rationalisme van de Franse ‘philosophes’, kondigt onze neiging tot kitsch en dood een nieuw romantisch tijdperk aan dat zich kenmerkt door irrationalisme, sentimentaliteit en collectivisme.

Het is te zien in de politiek van Clinton en Blair, waarin de socialistische ideologie vervangen is door het appèl op de gevoels-gemeenschap, waar we allemaal delen in eikaars leed. Het was te zien in de ongewone taferelen rond de dood van prinses Diana, toen de wereld, zo vertelden ons de tv-commentatoren. verenigd was in rouw. Prinses Diana was in feite de perfecte belichaming van onze obsessie met slachtofferschap.

Niet alleen vereenzelvigde zij zich op vaak prijzenswaardige wijze met slachtoffers, hier een knuffel voor een aids-patiënt, daar een voor een dakloze, maar zij werd ook zelf als een slachtoffer gezien: van mannelijk chauvinisme, het koningshuis, de media, de Britse samenleving, enzovoort. Iedereen die zich ergens het slachtoffer van voelde, kon zich met haar identificeren, vooral vrouwen en leden van etnische minderheden.

 

Het delen van leed is ook doorgedrongen in de manier waarop wij de geschiedenis bekijken. Geschiedschrijving is steeds minder een kwestie van uitzoeken hoe het werkelijk geweest is, of van trachten uit te leggen waarom iets gebeurde. Want historische waarheden zijn niet alleen irrelevant, meer en meer mensen betwijfelen of er wel zoiets bestaat. Het is allemaal subjectief, een socio-politieke constructie. En als de lessen maatschappijleer op school ons iets leren, is het dat we de waarheden moeten respecteren die anderen geformuleerd hebben of, zoals het meestal gezegd wordt: de ander. Dus bestuderen wij het geheugen, dat wil zeggen: de geschiedenis zoals die ervaren wordt, in de eerste plaats door haar slachtoffers. Door de pijn van anderen te delen, leren wij de slachtoffers begrijpen.

Vera Schwarcz, hoogleraar in de studie van Oost-Azië. publiceerde onlangs het boek ‘Bridge Across Broken Time’, waarin zij haar eigen herinneringen als kind van joodse holocaust-over-levenden verbindt met die van slachtoffers van het bloedbad van Nanking en het repressieve geweld in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede.

Met de beelden uit 1989 nog op haar netvlies bezoekt Schwarcz Yad Vashem, de holocaust-gedenkplaats bij Jeruzalem. Daar ondergaat zij de immense omvang, zowel van het leed dat in het China van na 1989 niet herdacht kon worden, als van het bloedbad van Nanking in 1937 met de talloze doden die nog moesten worden opgenomen in het collectieve geheugen van Japan en van de Verenigde Staten. ‘Ik voelde ook de grootte van mijn eigen verlies, dat niet kon worden verzacht door het licht van een kaars, al werd het een miljoen keer gereflecteerd.' Nu twijfel ik niet aan de nobele aard van professor Schwarcz' gevoelens, maar ik vraag mij wel af of deze aanpak enig geschiedkundig nut heeft. In feite is het a-historisch, aangezien de werkelijke ervaringen van de historische slachtoffers opgaan in een soort pijnsoep.

Hoewel het ongetwijfeld waar is dat Chinezen, joden, homo’s en anderen allemaal te lijden hebben gehad, is het niet zo dat zij allemaal geleden hebben op dezelfde manier. De verschillen dreigen verloren te gaan. Het is maar al te typerend voor ons neo-romantische tijdperk dat de bekende Nederlandse balletdanser en romancier Rudi van Dantzig in een door het Amsterdams Verzetsmuseum uitgegeven pamflet aankondigde dat homo’s en andere minderheden in Nederland de verzetsstrijders tegen de nazi's als voorbeeld moesten nemen in hun strijd tegen sociale discriminatie.

Maar het gaat hier waarschijnlijk niet om verduidelijking. In plaats daarvan gaat het om authenticiteit. Als alle waarheid subjectief geworden is, zijn alleen gevoelens nog authentiek, en alleen het subject kan weten of zijn of haar gevoelens oprecht zijn of vals.

De romanschrijver Edmund White heeft hierover een opmerkelijke stelling geponeerd. In een artikel over aids-literatuur zegt hij dat literaire beschrijvingen van de ziekte niet aan de normen van de kritiek getoetst kunnen worden. Hij zegt het een tikkeltje theatraal: ‘Ter verdediging van mijn gevoelens kan ik nauwelijks meer zeggen dan dat het mij als aanstootgevend voorkomt om aan mannen en vrouwen aan de rand van het graf beoordelingen uit te delen.’ Vervolgens rekt hij de aids-literatuur ver genoeg op om multiculturalisme in het algemeen te kunnen omvatten en schrijft dan dat multiculturalisme niet alleen onverenigbaar is met een literaire canon: ‘ik zou zelfs verder willen gaan en stellen dat multiculturalisme onverenigbaar is met het hele gebeuren van goede en slechte beoordelingen door de kritiek.’ Met andere woorden, onze kritische vermogens kunnen niet worden toegepast op romans, gedichten, essays of toneelstukken waarin de pijn van anderen tot uitdrukking wordt gebracht.

Zoals White zegt over het aids-genre: ‘Wij zullen het onze lezers niet toestaan ons te evalueren. We willen dat ze woelen en draaien met ons, gedrenkt in ons nachtzweet.’

 

Afgezien van de sentimentaliteit die hierdoor in het openbare leven wordt gebracht, zijn de nieuwe religies van kitsch en dood nog om een andere reden verontrustend. Ondanks Vera Schwarcz’ verhaal over bruggen bouwen tussen rouwende gemeenschappen, denk ik dat de tendens om authenticiteit gelijk te stellen aan gemeenschappelijk lijden, werkelijk begrip tussen mensen in de weg staat. Want gevoelens kunnen alleen maar worden geuit, er kan niet over gediscussieerd of geredetwist worden. Dat kan nooit leiden tot wederzijds begrip, maar uitsluitend tot klakkeloze acceptatie van alles wat mensen over zichzelf willen beweren, of tot een gewelddadige confrontatie. Hetzelfde geldt voor het politieke debat. Voor alle duidelijkheid: ideologieën hebben veel ellende teweeggebracht, vooral in die politieke systemen waar een ideologie met geweld werd opgelegd. Maar zonder enige ideologie wordt het politieke debat onsamenhangend, en zullen politici zich gaan beroepen op sentimenten in plaats van op ideeën. En dat kan gemakkelijk uitdraaien op autoritaire praktijken want nogmaals over gevoelens valt niet te discussiëren. Wie dat wel probeert zal er niet van beticht worden dat hij het bij het verkeerde eind heeft, maar dat hij gevoelloos en harteloos is, een slecht mens die het niet verdient dat er naar hem geluisterd wordt.

 

De oplossing voor deze problemen is niet de mensen te vertellen dat ze terug moeten keren naar de kerk, in een poging de pseudo-religies te vervangen door de gevestigde. Ik ben geen tegenstander van georganiseerde religie, maar als ongodsdienstig persoon is het niet aan mij om dat aan te prijzen. Evenmin ben ik een tegenstander van het oprichten van gedenktekens voor de slachtoffers van oorlog of onderdrukking. Literatuur, feit of fictie, over individueel of gemeenschappelijk lijden moet zijn plaats hebben. Geschiedenis is belangrijk. En het zou pervers zijn om tolerantie en begrip voor andere culturen en gemeenschappen niet te willen bevorderen. Het is desondanks jammer om te zien hoe politieke helderheid, helder denken überhaupt, wordt ondermijnd door het nieuwe sentimentalisme. Het zal geen gemakkelijke kuil zijn om weer uit te komen.

Maar we kunnen beginnen met onderscheid te maken op plaatsen waar dat nu nauwelijks gedaan wordt. Politiek is niet hetzelfde als religie of psychiatrie, al kan zij door beide beïnvloed worden. Geheugen is niet hetzelfde als geschiedenis, en gedenken is niet hetzelfde als geschiedschrijven. Een cultureel erfgoed delen is meer dan ‘onderhandelen over identiteit’. Voor diegenen onder ons die de religieuze, linguïstische en culturele banden met hun voorouders kwijt zijn, is misschien de tijd gekomen om dat toe te geven en er vrede mee te hebben. Ten slotte, en ik denk dat dat de kern van de zaak is, zullen we moeten erkennen dat waarheid meer is dan zomaar een standpunt. Er bestaan feiten die niet verzonnen zijn. En doen alsof er geen verschil is tussen feit en fictie, of dat alle literatuur fictie is, werkt verlammend op ons vermogen om waarheid en leugen te onderscheiden. En dat is het ergste verraad aan Primo Levi en alle anderen die in het verleden geleden hebben. Want Levi’s angst was niet dat toekomstige generaties zijn pijn niet zouden kunnen delen, maar dat zij de waarheid niet zouden erkennen.

 

Noten

 

- Dit artikel is eerder verschenen in het dagblad Trouw van 16 januari 1999.

- De foto bij dit artikel is afkomstig uit: Ludo van Eek, Het boek der kampen, Amsterdam: Van Gennep, 7e dr. 1985.

 

Ian Buruma is essayist.

Referentie: 
Ian Buruma | 1999
In: Icodo Info, ISSN 0168-9932 | [16] | 1/2 | 41-50
Trefwoorden: 
burger-oorlogsslachtoffers, concentratiekampen, herdenkingen, herdenkingsreizen, Israel, joden, jodendom, oorlogsslachtoffers, Overlevenden, Polen, studenten, Tweede Wereldoorlog (1939-1945)