Uitsluiting maakt ziek

Frantz Fanon werd beroemd door zijn werk als psychiater in Algerije gedurende de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd van Frankrijk en de boeken die hij schreef over het trauma van de kolonisatie. Hij werd geboren in Martinique in 1925, studeerde in parijs en zijn meest bekende titels zijn Peau Noire, Masques Blancs (Zwarte huid, blanke maskers, 1952) en Les Damnés de la Terre (De verworpenen der aarde, 1961). Hij overleed jong, in 1961. Fanon was arts, psychiater maar vooral ook filosoof en politiek activist. Speerpunt van zijn filosofieën, theorieën en acties was het kolonialisme, de verhouding tussen blank en zwart, overheerser en overheerste.

 

Zijn analyses van de gevolgen van overheersing en onderdrukking maken hem ook vandaag tot een interessant denker. Het is niet moeilijk een overeenkomst te zien tussen het leven van een gekoloniseerde bevolking - die wordt gedwongen te leven onder een regime en een cultuur die hen is opgelegd - en het huidige bestaan van etnische minderheden in West-Europa. Dit was reden voor de Sectie Interculturalisatie van het NIP om in december 2009 een studiedag aan Fanon te wijden. Wat kunnen we in deze tijd leren van zijn analyses en beschouwingen, wat heeft Fanon ons te bieden op het gebied van diagnostiek en behandeling? Het initiatief tot deze dag was genomen door Hacène Seddik, de Algerijnse psycholoog die samen met zijn echtgenote Ine Vink de Sectie Interculturalisatie in 1995 oprichtte en waarin hij tot zijn totaal onverwachte dood in mei 2009 verschillende bestuursfuncties vervulde. Een waardig in memoriam.

 

Leven en werk van Fanon

 

In het werk van Fanon neemt huidskleur een belangrijke plaats in. De titel van een van zijn belangrijkste boeken, Peau Noire, Masques Blancs (Zwarte huid, Witte maskers) zegt het al: huidskleur en ideologie gaan voor Fanon samen. Nu is de koloniale geschiedenis er natuurlijk ook een van witte overheersers en min of meer zwarte onderdrukten, dus zo verwonderlijk is dit niet. Hij ondervond ook zelf hoe moeilijk het was om als zwarte opgenomen te worden in een witte maatschappij. Als 18-jarige vertrok hij naar Frankrijk om mee te vechten tegen de Duitse bezetters. Maar in het naoorlogse Frankrijk ontdekte hij dat zijn nieuwe landgenoten hem niet zagen als een verzetsheld maar als een zwarte man - een ander soort mens. Ondanks zijn kennis en zijn ontwikkeling, bleef hij een semi-burger, tweederangs, verstoken van macht. Hij vond dan ook al snel dat Frankrijk wel genoeg artsen had en als psychiater in overheidsdienst vroeg en kreeg hij overplaatsing naar een post in Algerije. Daar kwam hij tot de conclusie dat zijn patiënten gek waren geworden onder andere door hun marginale positie in de maatschappij. Hij ontwikkelde een radicale behandelingsmethode, liet patiënten (vaak letterlijk) ontketenen en gaf ze verantwoordelijkheid voor hun rol in het ziekenhuis. Zo ontstond er een maatschappij in de maatschappij, een plek waar patiënten een aanvaardbaar sociaal leven konden leiden. Het idee dat maatschappelijke uitsluiting en psychisch ziek zijn met elkaar hebben te maken, werd door Fanon benadrukt: hij stond daarmee aan de wieg van de kritische etnopsychiatrie.

 

Zijn werk kwam tot stand in de naoorlogse periode waarin in Algiers de overheersende gedachte in de psychiatrie die van de école d’Algers was, waarin de Noord-Afrikaan werd beschreven als un homme lobotomisé, primitief, emotioneel labiel, een leugenaar, een dief. Hij beschreef al in zijn eerste artikelen de racistische en denigrerende houding van de Franse medische stand tegenover de Noord-Afrikaanse patiënten. En hier ontwikkelde Fanon zijn ideeën over een gecon-textualiseerde psychiatrie: ziekte en ziek-zijn ontstaan niet in een isolement maar worden mede bepaald door maatschappelijke omstandigheden. Ook onderstreepte hij het belang van het spreken van de taal van de patiënt - elkaar letterlijk verstaan was toch de eerste stap om psychisch ziek zijn te kunnen begrijpen. Uiteindelijk verschoof het aandachtsgebied van Fanon en richtte hij zijn ideeën niet alleen op de ziekmakende effecten van de koloniale structuur op individuele patiënten, maar ook op de ziekmakende maatschappij zelf. Ook elders in Afrika kwamen leiders op die zich bogen over wat de koloniale geschiedenis met hun land en hun volk had gedaan - zoals bijvoorbeeld Nkrumah en Nyerere - en die gedachten formuleerden over de inrichting van de postkoloniale staat. Concepten als pan-afrikanis-me en négritude werden gevormd, concepten die een tegenwicht zouden moeten bieden aan de overheersing van het witte denken. Fanon zag dit soort begrippen als een tijdelijke oplossing: uiteindelijk streefde hij naar een ‘rasloze’ humaniteit. Eind jaren ’50 gaf hij zijn baan op en voegde zich bij de Algerijnse bevrijdingsbeweging.

 

Fanon schreef vooral over de betekenis van de koloniale overheersing en dekolonisatie voor de identiteit van de (voormalig) onderdrukten en onderdrukkers. In het Afrika van de jaren ’50 leidde, na eeuwen van onderdrukking, ook de massale dekolonisatie tot grote ontwrichting van de maatschappij - niet alleen in de koloniën zelf maar ook bij de voormalige kolonisatoren. Fanon beschrijft hoe er eigenlijk geen uitweg is voor de onderdrukte bevolking: de machthebber vraagt om aanpassing aan de normen van de overheerser. De onderdrukte kan pas iets worden als hij zich aanpast aan diens waarden en normen, maar echt geaccepteerd door de machthebber wordt hij echter nooit. Hij kan wel een wit masker opzetten maar hij blijft daaronder een zwarte die door de witte overheersers niet voor vol wordt aangezien. Uiteindelijk geloven de onderdrukten zelf ook dat ze ‘minder’ zijn, ze internaliseren de discriminerende ideeën van hun overheersers. Dit verklaart dat ook na een bevrijding van het koloniale juk, zowel landen als individuen zich blijven spiegelen aan de normen en waarden van hun vroegere overheersers. Het begrip ‘post-kolo-nie’, gedefinieerd door Van der Poel (hoogleraar Franse letterkunde, Universiteit van Amsterdam) als ‘een manier van leven en de beleving van de wereld van zowel individuen als samenlevingen na het uiteenvallen van de koloniale rijken [die] nog altijd worden gestructureerd door de herinneringen aan de koloniale situatie’, verwijst hiernaar. De koloniale verhoudingen blijven dus bestaan - ook na het formele einde van het kolonialisme. De politieke oplossingen die Fanon voor deze problematiek zag, komen nogal onbevredigend over. Zo zag hij geweld als enige manier voor de onderdrukten om zich van hun overheersers te bevrijden. Een revolutionaire wraak die hij met religieus taalgebruik onderstreepte: ‘de laatsten zullen de eersten zijn’ (Bhabha, 2009). Ook leek hij weinig heil te zien in een gemengde samenleving, alleen landgenoten hebben recht op ‘de waarheid’. Fanon had wel zijn aarzelingen bij het begrip ‘nationaal bewustzijn’-maar dan vooral omdat dit in jonge staten nog zo slecht ontwikkeld is en een jong land makkelijk weer uiteenvalt in etnische groepen of stammen. Op zich voorspelde hij daarmee correct de grote en gewelddadige moeilijkheden waarin de meeste ex-koloniën terecht kwamen. Sommige van de analisten van zijn werk veroordelen Fanon om zijn instemming met het gebruik van geweld, anderen denken dat hij zijn opvattingen hierover wel zou hebben aangepast als hij langer had geleefd en had kunnen zien hoe ontwrichtend het geweld in veel landen zou uitpakken.

 

Voor de spreekkamer was en is Fanon’s werk relevant omdat het het belang en de invloed van reële trauma’s - en dan vooral van die van het racisme en de daaraan gepaard gaande vernederingen - op de psyche benadrukt. Voor Fanon was het rassenvraagstuk niet alleen een politieke zaak maar juist ook een intieme kwestie: het zelfgevoel wordt gekrenkt en op den duur wordt een gevoel van minderwaardigheid geïnternaliseerd.

 

De relevantie voor vandaag

 

Dit alles werd geschreven eind jaren ’50 begin jaren ’60 van de vorige eeuw: is dit nog steeds relevant?

 

Helaas wel, zo was de onontkoombare conclusie van de studiedag. De ontwrichting van de (wereld)maatschappij die Fanon schetste, duurt in feite tot op de huidige dag voort en huidskleur speelt nog steeds een belangrijke rol in de samenleving. Job Cohen (burgemeester van Amsterdam), die de studiedag opende, benadrukte de aanwezigheid van racisme in de samenleving. Hoewel bijna iedereen ontkent racistisch te zijn, wordt er veel racistisch gehandeld, zo blijkt telkens weer. Maar door de ontkenning ervan, en juist ook omdat het formeel verboden is, is het moeilijk er ook tegen op te treden. Ook Khadija Arib (lid Tweede Kamer voor de PvdA) benadrukte dat ‘we’ minder tolerant zijn dan we zelf geloven. Armoede komt veel vaker voor onder allochtonen dan onder de autochtone bevolking en dat heeft sterk te maken met een maatschappij die discrimineert en daarmee uitsluit. Armoede heeft een kleur gekregen. Veel kinderen van allochtonen groeien in armoede op; uitsluiting van het maatschappelijk leven dreigt op die manier voor een groot deel van de jeugd en wordt zo ge-nerationeel voortgezet. Het is op die manier een structureel probleem dat dan ook weer funest is voor het zelfbeeld waarmee allochtone jongeren opgroeien. Arib riep hulpverleners op om hun ervaringen met de effecten van deze uitsluiting op hun patiënten duidelijke naar buiten te brengen. Politici kunnen dit alleen weten als hulpverleners er over rapporteren.

 

Hoe racistisch zijn we eigenlijk?

 

Als je mensen vraagt of ze racistisch zijn, zegt slechts 10% ‘ja’, 73% zegt van niet en nog een klein groepje is onduidelijk in zijn uitspraken. Veel van de nee-zeggers blijken echter op subtiele wijze wel te discrimineren. ‘Categoriseren’ is een nuttige vaardigheid: je ziet een tijger die op je afloopt, je categoriseert het beest snel in de categorie ‘gevaarlijk’ en handelt daarnaar. Het lijkt er op dat we dit categoriseren moeilijk kunnen laten en het ook op mensen toepassen. Ook mensen die niet bewust discrimineren, blijken namelijk wel vooroordelen te hebben - lees: te categoriseren - die via subtiele en moeilijk te controleren non-verbale communicatie doorsijpelen. Ron Dotsch (promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen) die onderzoek doet naar de invloed van vooroordelen op gezichtspercep-tie, is pessimistisch over de mogelijkheid om vooroordelen en discriminatie uit te bannen. Glenn Helberg (kinder- en jeugdpsychiater Riagg Rijnmond, Rotterdam) haalde hiertoe, in Nederlandse kranten ruimschoots gepubliceerd, onderzoek aan waarbij jonge zwarte en witte kinderen werd gevraagd witte en zwarte poppen te selecteren op zoiets als ‘lief en ‘stout’. Het bleek dat zelfs de zwarte kinderen, zwarte poppen negatieve eigenschappen toedichtten en de witte positieve. Hiermee komen we dus al snel terug bij de geïnternaliseerde beelden waar ook Fanon het al over had. Deze vooroordelen zijn dus al genesteld in jonge kinderen, die waarschijnlijk ogenschijnlijk gezellig in hun gemengde klasje samenspelen. Discriminatie wordt kennelijk met de paplepel ingegoten en altijd in die zin dat wit wordt geassocieerd met positieve eigenschappen en zwart met negatieve. Helberg benadrukte de grote gevolgen van alledaags racisme: het gevoel dat de blanke mooier, slimmer en beter is, heeft zich in de geest van de zwarte genesteld. Het Surinaamse woord ‘bakra’ - de blanke - betekent letterlijk ‘de baas van de ziel’. Psychische problemen van minderheidsgroepen hebben veel te maken met discriminatie en de verinnerlijking daarvan. Discriminatie is dus ook niet alleen een kwestie van interpersoonlijke communicatie -discriminatie zit al generaties lang van binnen.

 

Politiek gevoelig

 

De Franse psychiaters die op deze studiedag spraken (Alice Cherki, die persoonlijk met Fanon in Algerije samenwerkte, Taïeb Ferradji en Claire Mestre) legden er vooral de nadruk op dat deze maatschappelijke uitsluiting niet alleen in koloniale tijden een rol speelde. Fort Europa heeft nieuwe vormen van uitsluiting gecreëerd van groepen die ze niet wil beschermen: asielzoekers die in groten getale sans papiers zijn geworden en die zonder naam en zonder rechten in onze maatschappij een plek zoeken. Ook hier speelt de relatie overheerser-overheerste een rol en de vervreemding die hier uit voortkomt is niet anders dan die door Fanon werd beschreven. We moeten in de behandelkamer deze realiteit niet negeren. De historische context van migranten, waarin politieke repressie en geïnstitutionaliseerde xenofobie een belangrijke rol spelen, moet worden meegenomen om de migrant te kunnen begrijpen. De Franse sprekers behandelden uitgebreid de ziekmakende effecten van deze maatschappelijke uitsluiting. Het was dan ook niet verwonderlijk dat op een gegeven moment vanuit de zaal werd gerefereerd aan het onderzoek onder Marokkaanse Nederlanders waaruit naar voren komt dat het er op lijkt dat juist ‘mi-gratiestress’ er voor zorgt dat er onder hen een buitengewoon hoge incidentie aan schizofrenie is. Tot mijn verrassing reageerden de Franse psychiaters hier zeer afwijzend op: er was absoluut geen sprake van een hogere incidentie van welke kwaal dan ook onder bepaalde etnische groepen. Het Nederlandse onderzoek echter wijst juist ook op de ziekmakende effecten van maatschappelijke factoren - hier als luxerende factor voor schizofrenie - en laat daarmee juist zien dat dit niet te maken heeft met ‘Marokkaan zijn’ maar met factoren zoals ‘uitgesloten zijn’. De spraakverwarring die hierover ontstond zal deels wel aan het taalverschil hebben gelegen - Frans is toch een moeilijke taal - maar ik vermoed dat ook de gevoeligheid van het hele begrip discriminatie hier voor een belangrijk deel aan bijdroeg. Racisme en discriminatie zijn zo not done dat elke uitspraak die maar even de schijn wekt discriminerend te zijn, moet worden verworpen. Deze krampachtigheid kan ook tot het veronachtzamen of ontkennen van verschillen leiden. Discriminatie heeft er mee te maken dat mensen als groep worden beoordeeld - hun individualiteit wordt daar dan aan ondergeschikt gemaakt. De culturele benadering is daarmee vaak ook discriminatoir. Helberg benadrukte nog eens dat etniciteit niet als oorsprong van gedrag moet worden gezien. Maar tegelijkertijd zou het onjuist zijn de maatschappelijke invloeden waaraan mensen bloot staan juist omdat ze worden gecategoriseerd / gediscrimineerd en uitgesloten, te negeren. Fanon zei in dit verband ‘c’est le raciste qui crée l’infériorité’. Dit maatschappelijke en vaak trans-generationeel doorgegeven trauma en de betekenis ervan voor de individuele mens, heeft aandacht nodig.

 

Literatuur

Bhabha, H., ‘Wie zijn de nieuwe verworpenen?', in: Contrast vol. 16 (2009) pp. 32-34.

 

Fanon, F., Peau Noire, Masques Blances. Paris: Seuil, 1952 (in het Engels beschikbaar als Black Skin, White Masks). Fanon, F., Les Damnés de la Terre. Paris: Maspero, 1969 (in het Engels beschikbaar als The Wretched of the Earth). Verschillende stukken, vaak zonder auteursnaam en/ of jaartal uit de documentatiemap van de studiedag, waaronder: Mestre, Claire, Frantz Fanon: Les Fondations d'une ethnopsychiatrie critique.

 

Hanneke Bot is socioloog en psychotherapeut. Zij is werkzaam bij de Gelderse Roos. Tevens is zij redactielid van Cogiscope.

Referentie: 
Hanneke Bot | 2010
Cogiscope : tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld, ISSN 1871-1065 | 6 | 1 | maart | 6-9
Trefwoorden: 
Algerije, congresverslagen, dekolonisatie, discriminatie, filosofie, Frankrijk, kolonialisme, psychiaters, psychotrauma (nl), racisme