Slachtoffers en daders van seksueel geweld: twee zijden van dezelfde medaille? Haal ze uit hun rol

Iedere dader-slachtoffer van seksueel geweld behoeft een eigen behandelingsstrategie: het is de kunst en kunde van de therapeut om vast te stellen of als eerste het slachtoffer -dan wel het daderschap moet worden aangepakt. Ruud Bullens heeft liever geen daders die gemotiveerd aan een behandeling beginnen, nee, de therapeut moet gemotiveerd zijn en in staat om tegelijkertijd de persoon van de dader intact te laten en hem met zijn gedrag te confronteren. Zowel voor daders als slachtoffers geldt: haal ze uit hun rol, om nieuwe slachtoffers te voorkomen.

 

Inleiding

Omstreeks het midden van de vorige eeuw, zo rond 1950, was de wereld een stuk overzichtelijker dan thans het geval is, in de beleving van de mens hoe dan ook kleiner, maar vooral eenvoudiger. De Tweede Wereldoorlog was net achter de rug, had zijn verwoestende werking gedaan. Het universum likte zijn wonden. De wereld was in tweeën verdeeld. Je had het goede Westen van de Amerikanen en het Stalinistische, kille Rusland. Over dit laatste sprak je vooral in termen van ‘ubi leones’: daar waar de leeuwen zijn, oftewel ‘het grote Russische gevaar’. Die mensen daar spreken ook nog eens een niet te begrijpen taal, en onbekend maakt nou eenmaal onbemind. Wij -het vrije Westen - hadden ten minste Eisenhower en later Kennedy! Die hadden de oorlog voor ons gewonnen en toonden een beminnelijke glimlach. De anderen - die Sovjets- hadden presidenten met onuitspreekbare namen, die met een schoen op het spreekgestoelte van de Verenigde Naties timmerden, om hun woorden kracht bij te zetten.

 

Daders waren in die tijd nog gewoon daders; slachtoffers waren gewoon slachtoffers. Een dader was in die tijd geestesziek. Iemand die seksueel misbruik pleegde, moest wel een onderliggende persoonlijkheidsstoornis hebben. Anders doe je zoiets toch niet?

 

De tweede feministische golf in de jaren zeventig, ‘bedierf’ als eerste deze overzichtelijke etiologie met betrekking tot seksuele delinquenten. In die jaren werd er in het geval van een dader van seksueel misbruik niet meer gewoon gesproken van een seksueel geperverteerde, gestoorde persoon, maar deed het concept macht zijn intrede. Het seksuele aspect van daderschap verdween naar de achtergrond en behoefte aan controle bij de dader werd het leidende principe dat seksueel misbruik van meisjes/vrouwen door jongens/mannen moest verklaren. Wijlen Annelien Kappeyne van de Copello, destijds staatssecretaris van Emancipatiezaken, definieerde seksueel misbruik als het resultaat van ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen (Kappeyne van de Capello, 1984). Niet seks, maar macht was de motor achter daderschap. Later deed ook de systeemtheorie haar duit in het verklaringszakje. Omdat de ho-moiostase zo’n heilig principe was en er vooral circulair moest worden gedacht, kon het gebeuren dat daderschap werd beschouwd als de beste oplossing die dit gezinssysteem kon bedenken voor de problemen waarvoor het zich gesteld zag. Er werden groteske redeneringen geformuleerd in de trant van: omdat de moeder vanwege niet aflatende zwangerschappen -waardoor zij voortdurend zwak, misselijk of onderweg was - seksueel onvoldoende beschikbaar is geweest voor haar man, de vader, heeft het lieve dochtertje zich opgeofferd om de seksuele verlangens van de vader te kunnen bevredigen. Hij van zijn kant heeft zijn liefde voor zijn dochter niet op andere wijze kunnen uiten dan door haar te misbruiken. De moeder, die natuurlijk absoluut op de hoogte was van dit misbruik, gedoogde dat haar man haar dochter misbruikte, zodat zijzelf niet ‘aan de bak’ hoefde. Uiteindelijk droegen alle gezinsleden in gelijke mate bij aan het in stand houden van dit (quasi-)evenwicht. Opmerkelijk genoeg was er binnen de systeemtheorie tot aan de jaren negentig geen enkele aandacht voor het machtsconcept: alle betrokkenen binnen het systeem droegen simpelweg hun evenredige steentje bij aan de gezins‘homoiostase’.

 

Vanaf de jaren negentig worden in Nederland daders van zedendelicten vooral op basis van cognitieve gedragstherapie behandeld. Zowel het misbruikdenken als het misbruikgedrag zijn onderwerp van behandeling, bijvoorbeeld door het uitdagen van negatieve cognitieve schema’s die uitlokken tot het plegen van seksueel misbruik, of het in een zo vroegtijdig mogelijk stadium leren ingrijpen in misbruik-ketens.

 

 

Wat hebben we vanaf dat moment zoal geleerd? Hoe dan ook dat daderschap niet kan worden verklaard vanuit een zogenoemde monocausale theorie. Het gaat niet om alléén maar een geperverteerde gek, het gaat niet om alléén maar macht, het gaat niet om alléén maar een gemankeerd gezinssysteem dat op miraculeuze wijze het evenwicht weet te bewaren. Het gaat om méér risicofactoren tegelijk, die zowel een biologische, psychologische als socioculturele achtergrond kunnen hebben. Seksueel misbruik is volgens dit bio-psychosociale model (Marshall & Barbaree, I99°) in ieder geval multicausaal gedetermineerd.

 

Verder weten we dat het om delicten gaat, in de zin der wet. Eén persoon of meerdere personen tegelijk kunnen een dergelijk zedendelict plegen en maken een of meerdere slachtoffers. De daders zijn volgens de wet schuldig, niet de slachtoffers. Enkel de dader is voor zijn gedrag verantwoordelijk.

 

Verder weten we dat er veel personen zijn, ongeveer de helft van alle daders, die zo’n delict maar één keer zullen plegen: ‘first offenders’. Vaak blijken deze gelegenheidsdaders afschuwelijk normaal te zijn: normaal, omdat ze niet gestoord, geperverteerd of anderszins ‘gek’ zijn, maar wel afschuwelijk vanwege het grensoverschrijdend gedrag dat zij hebben vertoond. Van de overige helft behoort zo’n 80%, dat wil zeggen zo’n 40% van het totaal, tot de habituele grensoverschrijders. Dit zijn de opportunisten, de antisocialen die stelen, geweld plegen, stelen met geweld en af en toe ook ‘seks stelen’. De resterende 20% van die resthelft, zo’n 10% van het totaal, kan tot de meer gevaarlijke zedendelinquenten worden gerekend. Zij hebben seksueel deviante interesses. Op zich is het hebben van seksueel deviante interesses niet erg, ook niet als die interesses worden omgezet in gedrag, zolang dit geschiedt tussen personen die op een consensuele basis hun seksuele behoeften bevredigen en instemmen met het ten uitvoer brengen van deze gemeenschappelijke deviante interesses. Gevaarlijk wordt het pas als er sprake is van ongelijke machtsverhoudingen, zoals tussen een volwassene en een kind: een per definitie ongelijke machtsverhouding.

 

Daarnaast kunnen zich ongelijke machtsverhoudingen voordoen tussen mannen en mannen, mannen en vrouwen, en vrouwen en vrouwen. Dit kan zich privé, maar bijvoorbeeld ook op de werkvloer voordoen.

 

Daderschap blijkt een universeel verschijnsel te zijn. Daderschap kent vele verschijningsvormen en kent geen karikatuur zoals de ‘bad guy' in een cowboyfilm, de man met die groezelige zwarte kleren en dat gemene ongeschoren gezicht. Daders - waar ook ter wereld -kunnen ook witte boorden dragen, geaffecteerd spreken en over een charmante glimlach beschikken die kan doen smelten. Voor velen van hen is daderschap een normaal, automatisch gegeven: zij doen dit gewoon, die volledig rechtvaardigen wat zij doen en daar een egosyntoon gevoel bij hebben. Denk hierbij aan de verkrachter die meent recht te hebben op seks op het moment dat hij dit wil: 'I want to have it, and I want to have it now’. Deze daders handelen vanuit entitlement: ze zijn ertoe gerechtigd, het komt hen toe. Tot deze categorie van egosyntone daders behoren ook de pedofielen die hun preferentie omzetten in gedrag en daarmee pedoseksueel worden. Ook zij hebben hun rationalisaties om te doen wat zij willen. Hun argumentatie: ‘het is gewoon die rare maatschappij, die niet toestaat dat een volwassene een relatie mag opbouwen met een kind, en wat is er in hemelsnaam mis mee dat zo’n relatie eventueel kan uitgroeien tot een seksuele relatie?! Het is de maatschappij die ten onrechte de seksuele verlangens ontkent die het kind óók heeft’. Zo ongeveer luiden de egosyntone gedachten en gevoelens van de pedoseksueel. Tegenover deze zogenoemde ‘toe-naderingsdaders’, die als vanzelfsprekend misbruik plegen, staan ‘vermijdende’ daders: dit zijn personen die het liefst geen misbruik zouden willen plegen, maar er uiteindelijk niet in slagen zich te beheersen. Zij imponeren vaak als zielenpoten, als 'losers', die slachtofferachtige trekken kunnen gaan aannemen. De intake van dergelijke personen wordt vaak gekenmerkt door een amechtig snotteren: hij heeft het zo niet gewild; het overkwam hem allemaal; het gebeurde opeens; hij zal het nooit meer doen. Via allerlei cognitieve vervormingen die moeten voorkomen dat het toch al gedeukte zelfbeeld nog verder ineenschrompelt, wordt de verantwoordelijkheid voor het handelen buiten het zelf geplaatst, bij voorkeur bij het slachtoffer. Zo ‘verdun’ je je verantwoordelijkheid voor ongewenst handelen door het over tenminste twee personen te verdelen, hetgeen de eigen schuld tot minimaal de helft reduceert.

 

Daderschap is - in toto - pluriform van aard, inhoud en contouren. De motieven kunnen in hoge mate verschillen. De verschijningsvorm is oneindig divers.

 

Waar past nu het slachtofferschap in dit plaatje?

Een monocausale theorie uit de therapeutische ‘prehistorie’ luidde dat daders van zedendelicten vroeger zelf slachtoffer moeten zijn geweest. Afgezien van het feit dat zedendelinquentie - zoals we hebben gezien - multi-causaal is gedetermineerd, blijkt de empirie heel andere data te genereren. Onderzoeksresultaten zijn overigens niet unaniem. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat seksueel misbruik zo verschillend wordt gedefinieerd. Hebben we het bijvoorbeeld over ‘hands off delicten’, zoals exhibitionisme of voyeurisme, dan wel over ‘hands on’ delicten, zoals aanranding en verkrachting?

 

En over welke leeftijdscategorieën bij bijvoorbeeld jeugdige daders spreken we? Die verschillen nogal per land. Waar in Zwitserland een kind van zeven jaar op dit moment strafrechtelijk kan worden vervolgd voor het plegen van een zedenmisdrijf, bereikt een jongetje dat vier kilometer verder over de grens in wel eens dat het gunstig kan zijn om zichzelf als slachtoffer te profileren. Bill Marshall, een vooraanstaand Canadees behandelaar en onderzoeker, vertelde eens dat in de ‘maximum security prison’ waar hij werkzaam was, van de ruim vijfhonderd zedendelinquenten rond de 70% te kennen gaf - naast dader -óók slachtoffer van zedendelicten te zijn. Toen hij deze groep aan een test met een leugendetector (polygraaf) onderwierp, bleef daar uiteindelijk maar ongeveer 30% van over. Door zich als slachtoffer voor te doen dacht men kennelijk secundaire ziektewinst te boeken.

 

Hoe wordt in de praktijk van de behandeling omgegaan met daders die ook slachtoffer zijn?

De vuistregel is dat de therapeut primair therapeut is: hij dient zowel de kunde als de kunst van zijn vak te verstaan. Dit impliceert dat er geen panacee is, geen enig juiste strategie, behalve de strategie dat iedere dader zijn eigen behandelingsstrategie behoeft. Als dit voor de ene dader zou inhouden dat éérst diens slachtofferschap moet worden aangepakt vóórdat kan worden overgestapt naar diens daderschap, dan is dat de juiste strategie. Indien voor de andere dader het omgekeerde zou gelden, dient eerst het daderschap te worden aangepakt. Er is, zoals gezegd, kunde en ook kunst voor nodig om dit te kunnen bepalen. Er bestaat wél een voorkeur: pak eerst het daderschap aan.

 

Terugkomend op het aantal daders dat vroeger zelf slachtoffer zou zijn geweest: dit blijkt, afhankelijk van de definitie van seksueel misbruik, bij zo’n 10 tot 30% van de daders het geval te zijn. Dit impliceert dat zo’n 70 tot 90% van de daders van zedendelicten géén slachtoffer is. Een onwetenschappelijke conclusie zou kunnen luiden dat het niet-slachtoffer zijn van een zedendelict een betere voorspeller is voor toekomstig daderschap dan de oorspronkelijke aanname. Uiteraard is dit geen valide redenering, omdat zedendelinquentie immers per definitie multicausaal is gedetermineerd en in het gegeven voorbeeld het eerder uitgebannen monocausale denken via de achterdeur weer zijn intrede doet. Daders denken overigens het van groot belang is om het bestaande reci-divegevaar zo snel mogelijk in te dammen. Daarnaast leert de ervaring dat door te lang stil te staan bij het slachtofferschap het daderschap vaak niet meer aan bod komt. Moet de cliënt dan nóg eens door al die ellende heen, maar dan nu als de dader? Wat betekent dat voor alle behandelwinst die hij als slachtoffer heeft geboekt? Zie eens hoe knap hij zijn slachtofferschap heeft verwerkt! Bovenstaand dilemma moet eerst tot een keuze leiden voor de ene dan wel de andere aanpak: een middenweg van tegelijkertijd dader- en slachtofferbe-handeling is moeilijk voorstelbaar.

 

 

Persoon en gedrag: een wezenlijk onderscheid

In de behandeling van daders van zedendelicten - alleen dader, dan wel naast dader ook slachtoffer - is het cruciaal om een ‘working alliance’ tot stand te brengen. Daders hoeven wat mij betreft niet gemotiveerd te zijn om in behandeling te komen. Ze moeten wel moti-veerbaar zijn. De enige die écht gemotiveerd moet zijn, is de therapeut zelf. Hij moet met daders willen werken. Vele behandelaars willen dit niet. Die willen alleen met slachtoffers werken of met gemotiveerde patiënten/cliënten. Een gemotiveerde dader is eigenlijk een ‘contradictio in terminis’: hij was gemotiveerd om een of meerdere zedendelicten te plegen. Dat staat vast. Gemotiveerd zijn voor behandeling impliceert iets heel anders: erkenning dat je een groot probleem hebt, dat er sprake is van een klachtpatroon, of zelfs dat je ‘ziek’ of gestoord bent. Op het moment dat je als behandelaar te maken krijgt met een gemotiveerde dader, weet je dat er iets flink mis is met diens afweer, een falende ‘self serving bias’. Bij daders valt dan ook eerder (gedeeltelijke) ontkenning, rationalisering, minimalisering en/of bagatellisering te verwachten. Hij graaft zich bij voorbaat in tegen een confrontatie met zijn misbruikgedrag, waarop hij naar verwachting zal worden afgerekend door de behandelaar. Toch is een confronterende benadering in de regel weinig effectief. Het resultaat van een dergelijke ‘aanvallende’ therapeutische aanpak zal in de regel zijn dat de dader zich nog verder ingraaft, een defensief bolwerk optrekt en daar omheen ook nog eens een muur bouwt. Dit wordt ook wel de iatrogene muur genoemd: de muur die bij de patiënt/cliënt is ontstaan door toedoen van de ‘dokter’ die zijn werk gewoon niet goed heeft gedaan en die deze muur zelf ook weer zal moeten afbreken, vóórdat er met een effectieve behandeling kan worden gestart. Verstandiger is het om mee te gaan met de afweer van de patiënt/cliënt, anders geformuleerd: ‘surfen’ op diens afweer. Zo blijken veel daders bij voorbaat al geen enkel vertrouwen in hun behandelaar te hebben. In plaats van hen te overtuigen dat je als behandelaar wél te vertrouwen bent, is het beter om aan te geven dat je wellicht inderdaad niet te vertrouwen bent. Dat is een simpele techniek van August Aichhorn, die in 1925 het boek Verwahrloste Jugend publiceerde. Als een der eersten had hij in de gaten dat je zoveel mogelijk moet aansluiten bij de belevingswereld van je cliënt. De forensische clientèle blinkt nu eenmaal niet uit in vertrouwen van een ander en al helemaal niet als het om behandelaars gaat. Verwoord wat deze persoon tóch al over je denkt, meent Aichhorn. Een dergelijke houding voorkomt in ieder geval dat de patiënt/cliënt zal gaan bewijzen dat je niet te vertrouwen bent.

 

Het volgende wat ook goed werkt, is tegen de dader te zeggen (en dat ook waarlijk te menen!) dat je hem als persoon voor 98,5% respecteert, maar dat je de resterende I,5% van zijn gedrag - het door hem gepleegde zedendelict - radicaal afwijst. Dat is een techniek die bij uitstek geschikt is om de eerdergenoemde working alliance handen en voeten te geven. De centrale boodschap die ze daarbij krijgen, luidt: ik word als persoon niet afgewezen, maar wél dit gedrag, waarvan ik eigenlijk zelf ook wel weet dat het niet deugt. Daarom heb ik ook zo lange tijd al mijn cognitieve vervormingen moeten inzetten. Self serving biases helpen de mens om te kunnen blijven functioneren, ook onder zeer moeilijke omstandigheden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de crisis die kan ontstaan direct nadat het seksueel misbruik is uitgekomen. Het is van groot belang om in zo’n periode van crisis zeer respectvol om te blijven gaan met daders. Mijn ervaring is dat op momenten als deze de suïcidale gedachten, gestes of zelfs min of meer uitgewerkte plannen in die richting, reële vormen kunnen gaan aannemen. Een enkele keer is zo’n balanssuïcide ook nog eens succesvol. Dit vormt reden te meer om zich in therapeutisch opzicht net zo te gedragen als men had verwacht dat de dader zich zou hebben opgesteld ten opzichte van het slachtoffer: zorgvuldig, respectvol, dat wil zeggend niet-misbruikend. Opmerkelijk is hoe sommige behandelaars zich vol afschuw en walging kunnen afwenden van de persoon van de dader, hem ongelooflijk kunnen diskwalificeren, terwijl het per saldo gaat om het confronteren van gedrag, zeer afkeurenswaardig gedrag zelfs. Dit kun je echter alleen doen als je - dit zij herhaald - de persoon van de dader intact laat.

 

Daders die ook slachtoffer zijn

Als eerst het slachtofferschap van de dader in ogenschouw wordt genomen, valt daar in zijn algemeenheid gesproken het volgende over te zeggen: slachtofferschap kent een aantal fasen. De eerste fase is die van het aanhikken tegen de erkenning slachtoffer te zijn. Het in I985 verschenen boek De straf op zwijgen is levenslang is een indrukwekkende bundeling van ‘egodocumenten’ waarin een I9-tal vrouwen voor het eerst naar buiten trad met de mededeling dat zij in hun jeugd seksueel waren misbruikt. Zij hadden hier gedurende vele jaren over gezwegen. Jarenlang hadden zij gevochten tegen het feit dat zij zich ‘een afgelikte boterham’ voelden, zoals een van hen dit plastisch uitdrukte. Zij hadden geen uitdrukking kunnen geven aan hun slachtofferschap, geen erkenning daarvoor durven vragen, totdat zij elkaar ontmoetten en een boek schreven over hun misbruikervaringen. Zij hadden daarmee een essentiële stap gezet, na zo lange tijd hun slachtofferschap als het ware te hebben ontkend. Denk in dit geval ook aan verkrachte of fysiek mishandelde vrouwen, die om hen moverende redenen geen aangifte willen doen tegen hun verkrachter dan wel mishandelaar. Het vergt moed om die tweede fase in te gaan: durven erkennen dat je slachtoffer bent, primair tegenover jezelf en secundair ook tegenover anderen. Dit kan een korte fase zijn, maar er zijn ook slachtoffers die daar hun hele leven in kunnen blijven ‘hangen’, zichzelf daarmee reduceren tot enkel en alleen maar slachtoffer. Zij zijn simpelweg niets anders meer; andere manieren van in het leven staan voelen op den duur ongemakkelijk, ja zelfs tegennatuurlijk aan. Zij dragen enkel een ‘slachtofferjasje’, de hele dag door, hun hele leven lang. Zo’n slachtofferidentiteit verschaft je natuurlijk ook de nodige zekerheid: mensen weten wat ze aan je hebben en als slachtoffer weet jij op jouw beurt wat je van de mensen mag verwachten. Daarom vergt het óók moed om naar de derde fase te gaan: die van het afwerpen van je slachtofferschap, het ‘herstel van het gewone leven’ durven aangaan, zoals pedagoog Ter Horst dat uitdrukte. Die derde fase is de fase waarin binnen het kader van de behandeling naartoe moet worden gewerkt: het afscheid nemen van je slachtofferschap. Per saldo is slachtofferschap niet jouw hele persoon, maar slechts een van de vele rollen die je binnen jouw persoonlijke en sociale werkelijkheid kunt ontwikkelen. Je moet hoe dan ook voorkomen dat je vergroeid raakt met die rol, omdat het je in ernstige mate kan beperken in de vele andere mogelijkheden die er in jou schuilgaan.

 

Zo luidt ongeveer het fasemodel waarmee ik werk als slachtofferschap bij daders wordt gethematiseerd. De te gebruiken technieken zijn onder meer het uitvergroten van de te verwachte winsten en verliezen bij het beëindigen dan wel laten voortbestaan van de slachtofferi-dentiteit. Maak gebruik van een decisiematrix, een vierhoek met daarin vier kwadranten voor het beschrijven van de korte respectievelijk lange termijn voor- en nadelen van slachtofferschap. Maak verder ook gebruik van humor, maak er - als je met een groep werkt - een wedstrijd van wie het ergste slachtoffer onder deze daders is. Maak duidelijk dat ze moeten ophouden om hun eigen slachtofferschap te gebruiken, ja zelfs te ‘misbruiken’ als rationalisatie voor het misbruik maken van een ander, bijvoorbeeld een kind of een ander kwetsbaar persoon.

 

Slachtofferschap is een feit, maar laat dit niet ‘stollen’. Slachtofferschap is een ‘life event’ die kan worden verwerkt, dat wil zeggen op de achtergrond kan raken, omdat nieuwe uitdagingen in het leven zich aan je opdringen. Zorg er als therapeut voor dat slachtoffers het leven meer ‘tussen de tanden’ gaan nemen.

 

Heb eerbied voor het feit dat ze slachtoffer zijn:

 

-    dit heeft immers impact gehad op hun leven

-    maar ‘vergiftig’ (in therapeutische zin) de negatieve invloed daarvan op iemands verdere leven.

 

Met dit laatste wordt bedoeld dat - in psychologische zin - gedrag wordt bepaald door de kennelijke voordelen die het voor de persoon in kwestie heeft. Soms kunnen deze ‘voordelen’ (op termijn) echter negatief gaan uitwerken op de verdere ontwikkeling van deze persoon. Daarom moeten dergelijke ‘voordelen’ worden omgevormd, ‘vergiftigd’, tot regelrechte nadelen. Schrijf dergelijke personen bijvoorbeeld hun slachtofferrol in uitvergrote vorm voor, maak ze er bewust van hoe ze zichzelf uiteindelijk zullen reduceren tot een bijrolletje, wanneer ze blijven vastzitten in hun slachtofferidentiteit; maak ze duidelijk hoe ze met hun slachtoffergedrag macht over anderen kunnen uitoefenen, hoe ongelooflijk dicht slachtoffer- en daderschap daardoor naast elkaar kunnen komen te liggen.

 

Therapie moet niet doods zijn; in therapie moet iets gebeuren, je moet de eerder gestolde, stilstaande beelden weer in beweging zien te krijgen. Ik doel op het creëren van nieuwe perspectieven, telkens opnieuw. Het maakt mij daarbij niet zoveel uit of ik met daders of slachtoffers werk. Waar het, tot de simpelste vorm teruggebracht, om gaat, is dat voor beide groepen geldt dat er sprake moet zijn van zelfrespect en respect voor de ander. Zonder zelfrespect geen respect voor de ander, en zonder respect voor de ander geen zelfrespect. In die zin zijn slachtoffers en daders inderdaad twee zijden van een en dezelfde medaille. Bij de behandeling van daders is tegenwoordig het 'good lives' model van Tony Ward in zwang geraakt: hoe zorgt een beter evenwicht in je leven voor minder drang om andere, meer kwetsbare personen, te willen misbruiken, te willen beschadigen? Dit ‘good lives’ model geldt vanzelfsprekend in dezelfde mate voor slachtoffers: de kwaliteit van hun leven is eveneens in het geding. Verbetering van deze kwaliteit kan ook voor hen een winstsituatie opleveren.

 

Epiloog

In bovenstaande is betoogd dat - in geval van daders die tevens slachtoffer zijn - goede therapeuten de kunde een kunst verstaan om te weten of ze eerst het daderschap dan wel het slachtofferschap van hun patiënt/cliënt moeten aanpakken. Als vuistregel zou kunnen gelden: pak eerst het daderschap aan, tenzij. Het is immers van groot belang om nieuw of hernieuwd slachtofferschap te voorkomen. Ga niet uit van motivatie bij dadercliënten. Een working alliance ontstaat in de regel alleen wanneer je als therapeut gemotiveerd bent om met daders te willen werken. Doe dat vooral heel respectvol, want je bent een belangrijk model voor hen. Bekort de behandelroute, door als therapeut niet eerst een iatrogene muur rondom je patiënt/cliënt op te bouwen, maar speel liever open kaart over je attitude als behandelaar. Vertel dat je hen als persoon voor 98,5% zult respecteren, maar dat je die 1,5% van hun grensoverschrijdende gedrag zult aanvallen/ confronteren. Als ze zeggen dat ze niemand vertrouwen, ook jou als therapeut niet, geef ze dan groot gelijk. Vraag echter tegelijkertijd of ze tot dit ‘niemand’ ook zichzélf rekenen. Je hebt dan als behandelaar al een fantastisch eerste behandeluur voor de boeg. Maak verder gebruik van humor, biedt je patiënten/cliënten perspectieven, vergroot de rollen die zij spelen uit, daag hen uit, maar toon ook zorg, wees paradoxaal, maar wees vooral ook een respectvol model voor hen.

 

Daders zijn soms geen slachtoffer, daders voelen zich wel vaak slachtoffer; daders zijn soms ook echt slachtoffer, en slachtoffers zijn soms dader. Therapeuten hebben hoe dan ook de opdracht hen uit die rol te halen, met als doel nieuw slachtofferschap te voorkomen.

 

Literatuur

Aichhorn, A., VerwahrlosteJugend. Bern: Verlag Hans Huber, 1925.

Marshall, W.L. & H.E. Barbaree, ‘An integrated theory of the etiology of sexual offending’, in: W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (eds.), Handbook of sexual assault: Issues, theories and tre-atment of the

offender (pp. 363-382). New York: Plenum Press, 1990.

Kappeyne van de Copello, A., Voortgangsrapportage beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1984.

Ward, T. & C.A. Stewart, ‘Good lives and the rehabilita-tion of sexual offenders’, in: T. Ward, D.R. Laws & S.M. Hudson (eds.), Sexual deviance: issues and controversies. Thousand Oaks: Sage, 2003.

 

RUUD BULLENS is bijzonder hoogleraar Forensische Kinder- en Jeugdpsychologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, directeur FORA en senior consultant De Waag.

 

 

Referentie: 
Ruud Bullens | 2005
Cogiscope : tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld, ISSN 1871-1065 | 1 | 3 | 10-17