Oog en oor voor de oorlog: Hulp- en zorgverlening aan mensen met onverwerkte oorlogservaringen

Pijnlijke herinneringen aan de oorlogstijd worden niet alleen opgeroepen door een publieke discussie over het bezoek van de Japanse keizer of door andere actualiteiten die verband houden met de oorlog. Er zijn ook hele andere aanleidingen die de oorlogsherinneringen weer naar boven kunnen brengen en veruit de meeste liggen veel minder voor de hand.

In de zorgverlening heb je vaak te maken met mensen die uit hun evenwicht zijn. Bijvoorbeeld door het verlies van iemand die hen dierbaar is, door het moeten prijsgeven van de vertrouwde omgeving of door een onverwachte opname in het ziekenhuis. Juist in die situatie kan 'oud zeer' uit de oorlog naar boven komen. Het verdriet, de onmacht en de angst van nu vindt aansluiting bij de vaak weggestopte gevoelens van toen. Dat de ontstane ontreddering verband houdt met oorlogservaringen wordt vaak niet onderkend. Er is immers een voor de hand liggende, actuele oorzaak? De mensen die dit overkomt, kunnen er vaak moeilijk over praten. Soms schamen ze zich ervoor dat het de oorlog is die hen parten speelt. Praten over de oorlog is inderdaad niet gemakkelijk, maar het is wel belangrijk, omdat het kan helpen weer wat meer greep te krijgen op de eigen situatie.

Verzorgenden kunnen daarbij ondersteuning bieden door attent te zijn op de mogelijkheid dat mensen door hun oorlogservaringen (extra) worden belast, en door de betrokkenen te laten weten daar oog en oor voor te hebben.

Dit artikel begint met enkele opmerkingen over een aantal misverstanden die er bestaan over oorlog en oorlogsgetroffenen. Daarna gaan we in op de achtergronden van de mensen die beschadigd zijn door de oorlog: wie zijn het, wat is er met ze gebeurd en hoe komt het dat ze daar nu nog last van hebben. Ten slotte staan we stil bij de vraag hoe je als verzorgende met oorlogsproblematiek te maken kunt krijgen en welke mogelijkheden je hebt om ondersteuning te geven.

De beeldvorming over oorlog en oorlogsgetroffenen

Er bestaan verschillende misverstanden over oorlogsgetroffenen en hun problemen, die het contact met hen kunnen bemoeilijken. We gaan puntsgewijs op een aantal misverstanden in.

Oorlogshypotheek

Vaak wordt gedacht dat oorlogsgetroffenen een kleine, selecte groep vormen. Niemand weet precies hoeveel mensen in hun dagelijkse leven belast worden door (onverwerkte) oorlogservaringen. Er zijn wel schattingen gemaakt over het aantal mensen dat vanwege die belasting een beroep zal doen op de hulpverlening.

De verwachting is dat jaarlijks circa 10.000 mensen dat zullen doen. Belangrijker echter dan dit cijfer is de vaststelling dat circa een kwart van de huidige Nederlandse bevolking, dat wil zeggen zo’n vier miljoen mensen, zelf de oorlog heeft meegemaakt. Hun levensgeschiedenis kent een episode waarin ze onder vreemde overheersing hebben geleefd, onzekerheid en onvrijheid hebben ervaren en in veel gevallen een gebrek aan primaire levensbehoeften hebben gekend.

Voor veel van deze mensen is de oorlog een moeilijke tijd geweest, waarin heel veel is gevraagd van hun vermogen om schokkende gebeurtenissen te doorstaan en machteloosheid te verdragen. Deze ervaringen kunnen invloed hebben op hun naoorlogse bestaan. Die invloed kan zo ver gaan dat het dagelijks leven overheerst wordt. Voor sommigen zo af en toe, voor anderen zelfs permanent.

Mensen die ingrijpende dingen hebben meegemaakt in de oorlog, dragen de herinneringen daaraan mee als een soort hypotheek op hun huidige bestaan.

En. om die beeldspraak nog even voort te zetten, net als bij mensen die een hypotheek op hun huis hebben, weet je niet hoe zwaar die hypotheek op ieder van hen drukt en door welke omstandigheden zich daarin veranderingen kunnen voordoen. Een duidelijke afbakening van de groep bij wie je klachten ten gevolge van de ‘oorlogshypo-theek’ kunt tegenkomen, is daarom ook niet te maken.

Niet alleen ouderen

Een tweede misverstand is het idee dat oorlogsgetroffenen oude mensen zijn en dus een snel uitstervende groep vormen. De mensen die tijdens de oorlog volwassen waren, een gezin en een werkkring hadden, behoren nu inderdaad lot de ouderen. Hun beleving van de oorlog is lange tijd beeldbepalend geweest voor wat mensen tijdens de oorlog hebben ondervonden. Maar er zijn natuurlijk ook veel mensen die de oorlog als baby, kleuter, kind of jongere hebben meegemaakt. Ook voor hen geldt dat ze ervaringen hebben opgedaan, indrukken en emoties hebben ‘opgeslagen’ die een belasting kunnen vormen voor hun huidige bestaan. Dat betekent dat ook mensen die als kind de oorlog hebben meegemaakt, klachten en problemen kunnen hebben die samenhangen met deze periode.

Aard van de klachten

Een ander misverstand is de veronderstelling dat je oorlogsgetroffenen zou kunnen herkennen aan de specifieke klachten die ze hebben. Een veelgehoorde term in dit verband is ‘KZ-syndroom’ of oorlogssyn-droom. De klachten en problemen van oorlogsgetroffenen zijn echter meestal helemaal niet specifiek. Het gaat bijvoorbeeld om chronische moeheid, gestoorde slaap, voortdurend gespannen zijn, concentratie-moeilijkheden en dergelijke. Kortom: aan de klachten zie je niet dal oorlogservaringen een rol spelen. Die achtergrond van de klachten kun je dus ook gemakkelijk over het hoofd zien.

Aard van de hulpverlening

Oorlogsgetroffenen zouden alleen door gespecialiseerde hulpverleners geholpen kunnen worden. Ook dat is een vertekening van de werkelijkheid die, helaas, hulp en zorgverleners ervan kan weerhouden om zelf in te gaan op de hulpvraag. Terwijl zij doorgaans heel goed in staal zijn om de ondersteuning te geven die op dat moment nodig is. Dat neemt natuurlijk niet weg dat meer specialistische hulp soms noodzakelijk blijkt te zijn. Maar ook wanneer die hulp voorhanden is. zal de client toch voor een belangrijk deel aangewezen zijn op dc ondersteuning vanuit dc algemene zorg- en hulpverlening.

Wat kan de verzorgende doen?

Een misverstand dat met het voorgaande samenhangt is dat hulp in verband met oorlogsproblematiek om speciale vaardigheden en een geheel eigen methodiek vraagt. Ook dat kan hulp- en zorgverleners afschrikken, waardoor ze een gesprek over de oorlog uit de weg gaan. Het is in dit verband goed om je te realiseren dat je in je werk veel moeilijke en pijnlijke onderwerpen tegenkomt waar mensen zich over willen uiten. Ook in die situaties blijkt dat mensen je niet vragen om een oplossing voor hun problemen, maar om aandacht, belangstelling en warmte. Dat is bij gesprekken over de oorlog niet anders.

Overigens geldt ook hier dat de ondersteuning die je kunt geven soms niet toereikend is en dat intensievere hulp moet worden gezocht.

Consequenties voor naasten

Het laatste misverstand dat we hier willen noemen is de veronderstelling dat oorlogsproblematiek alleen degenen raakt die daadwerkelijk door de oorlog zijn getroffen. Ook de partners en de kinderen van oorlogsgetroffenen ondervinden daarvan de gevolgen. De opvoedingssituatie en de onderlinge relaties in een gezin kunnen diepgaand door de oorlog beïnvloed zijn. Het gezinsleven wordt vaak beheerst door de opgave om voor de getroffen ouder een veilige omgeving te vormen waarin hij of zij het wankele evenwicht kan bewaren. Dit kan ertoe leiden dat de gezinsleden nauwelijks aan hun eigen leven toekomen omdat het oorlogsverleden van de getraumatiseerde ouder als het ware alles overschaduwt. Het gevolg kan zijn dat ook partners en kinderen van oorlogsgetroffenen klachten en problemen hebben die sterk gekleurd zijn door de oorlog.

De grote en de kleine oorlog

De misverstanden die hiervoor geschetst zijn. vloeien deels voort uit de algemene beeldvorming over de oorlog en de slachtoffers van die oorlog. De media geeft meestal een nogal eenzijdig beeld van de oorlog. In films, kranten en tijdschriften wordt vaak de heroiek van het verzet, de gruwel van de vervolging cn de verschrikking van het oorlogsgeweld benadrukt. Je zou dat het beeld van de 'grote' oorlog kunnen noemen. De werkelijkheid van toen is ingedikt, als een soort samenvatting van een voetbalwedstrijd waarin alleen de doelpunten getoond worden.

Dit beeld van de ‘grote’ oorlog biedt je als naoorlogse hulp- of zorgverlener weinig steun om een indruk te krijgen van de wijze waarop de mensen met wie je in je werk te maken hebt de oorlog hebben beleefd. Met geeft je eerder het gevoel dat je buitenspel staat: je hebt de oorlog niet meegemaakt en bovendien wordt de oorlog voorgesteld als iets wat nauwelijks te bevatten is. Het lijkt haast onmogelijk om gesprekspartner te zijn voor mensen die lijden onder de oorlog.

Een ander aspect van de beeldvorming over de oorlog is dat de oorlog zich zou beperken tot de periode 1940-1945. met de bevrijding als klapstuk. De onuitgesproken boodschap die daarvan uitgaat is dat op 5 met 1945 aan alle narigheid een einde kwam en dat Nederland, in alle opzichten, 'bevrijd' aan de wederopbouw kon beginnen.

De gevolgen van de oorlog in maatschappelijk opzicht en de doorwerking van oorlogservaringen in het leven van mensen, blijven doorgaans buiten beschouwing. De oorlogstijd wordt op die manier een soort eilandje in de geschiedenis en de mensen die belast worden door herinneringen aan die tijd krijgen iets buitenissigs, iets overjarigs: 'heeft u nog steeds last van de oorlog?'

Dit beeld van de ‘grote' oorlog kan een fikse barrière zijn voor een open en vanzelfsprekend contact met mensen over deze levensperiode. Het maakt van de oorlog een haast onbespreekbare gebeurtenis en het geeft de psychische gevolgen een uitzonderlijk en griezelig karakter. Ook mensen die zelf de oorlog hebben meegemaakt. hebben vaak moeite om zich te herkennen in het spektakel van de ‘grote' oorlog. Hun persoonlijke herinneringen aan de oorlog passen daar lang niet altijd in, terwijl hun ervaringen evengoed ingrijpend geweest kunnen zijn. Ook voor hen kan het beeld van de grote' oorlog een barrière vormen die het moeilijk maakt om aandacht te vragen voor hun eigen oorlogsverhaal: wat zij hebben meegemaakt valt immers in het niet bij wat bijvoorbeeld de joden is overkomen? Het zijn verhalen die een indruk geven van wat we hier de ‘kleine’ oorlog zullen noemen.

De ‘kleine’ oorlog

Tijdens de vele voorlichtingsbijeenkomsten die het ICODO verzorgt voor mensen die werken in de hulp- en zorgverlening vertellen de deelnemers elkaar onder meer over hun eigen relatie lot de oorlog. Die gedachtewisseling levert doorgaans een aantal inzichten op die een duidelijke correctie vormen op het beeld van de ‘grote’ oorlog.

De eerste bijdragen aan het gesprek zijn vaak nogal schuchter, bijna verontschuldigend: ‘mijn ouders hebben eigenlijk weinig meege-maakt'. En dan volgen verhalen over de ‘kleine* oorlog: zoektochten naar eten, razzia's, beschietingen, onderduikervaringen en de angsten en spanningen daarbij. Vooral de wijze waarop ouders over de oorlog praten, maakt duidelijk hoe beladen de herinneringen vaak zijn. Opvallend is ook hoeveel ouders liever over die periode zwijgen. De aandacht van de groep brengt met zich mee dat, gaandeweg, de deelnemers het eigen oorlogsverhaal meer serieus gaan nemen, de invloed daarvan tot zich laten doordringen en daar uiting aan geven. Dan blijkt ook dat de doorwerking van de oorlogservaringen niet alleen de mensen belast die de oorlog zelf hebben meegemaakt. Ook de kinderen zijn geraakt door wat dc oorlog met hun vader of moeder heeft gedaan.

Het beeld van dc ‘grote’ oorlog, dal de afstand tot de oorlog en de getroffenen zo groot maakt, wordt door de getuigenissen van de deelnemers over dc ‘kleine’ alledaagse oorlog aanzienlijk bijgesteld: het feit dal vrijwel alle deelnemers aan het gesprek iets kunnen vertellen over dc invloed van dc oorlog in eigen gezin of familie, maakt duidelijk dat de oorlog een collectieve ervaring is geweest en niet slechts een aantal exclusieve groepen heeft getroffen.

Uit de bijdragen van veel deelnemers blijkt ook hun persoonlijke betrokkenheid bij de oorlog, vaak ten gevolge van de lotgevallen van hun ouders en de doorwerking daarvan op de onderlinge relaties. De oorlog krijgt daardoor het karakter van een gemeenschappelijke erfenis. Door in de groep de oorlogsgeschiedenis van het eigen gezin aan anderen te vertellen en door van elkaar te horen wat mensen in de oorlog is overkomen en wat de invloed daarvan is op het verdere leven, krijgt de oorlog als belangrijke levenservaring de plaats die hem toekomt.

De oorlog is door een dergelijke gedachtewisseling niet opeens een huis, tuin en keukenonderwerp geworden, maar het helpt wel om de gevolgen van de oorlog dichterbij te brengen en naar waarde te schatten. Het betekent dat je als hulp- of zorgverlener, ook wanneer je met oorlogsproblematiek te maken krijgt, niet bij voorbaat onthand bent: je kunt gewoon bij jezelf te rade gaan, zoals je dat ten aanzien van andere problemen ook zou doen

Wal is er gebeurd?

Dr. L. de Jong geeft, na zijn beschrijving van de bevrijding van Nederland een indruk van de schade die de oorlog aan het land cn de bevolking heeft toegebracht. Hij berekent bijvoorbeeld dat bijna anderhalf miljoen mensen, circa een zesde van de toenmalige bevolking, door evacuaties, onderduik, tewerkstelling en deportatie ontheemd was geraakt. Het is maar eén cijfer, maar het geeft wel een indicatie van de ontwrichting die de oorlog teweeg heeft gebracht. Achter dit cijfer gaat namelijk een grote verscheidenheid van ervaringen schuil en ook de mate waarin die ervaringen gevolgen hebben gehad voor het verdere leven van mensen zal sterk uiteenlopen.

De meeste mensen hebben deze ervaringen uiteindelijk een plaats kunnen geven in hun leven. Vergeten hebben ze het niet, maar het beheerst hun leven niet meer.

Bij veel Nederlanders liep dat echter anders. Zij konden hun naoorlogse leven alleen maar aan door de herinneringen aan de oorlog weg te drukken en zichzelf niet toe te staan om er aan te denken of er over te praten. Onder hen treffen we mensen aan die als volwassene, als jongere of als kind hebben blootgestaan aan oorlogsgeweld, bombardementen en beschietingen: de zogeheten burger-oorlogsgetroffenen. Velen zijn daarbij gewond geraakt, hebben dierbaren verloren of hebben hun huis moeten verlaten en veel moeten opgeven wat hen lief was. Een andere groep burger-oorlogsgetroffenen wordt gevormd door mensen die als dwangarbeider in Duitsland hebben gewerkt, vaak onder heel slechte omstandigheden.

Ook onder de mensen die betrokken waren bij het verzet, hun partners en kinderen, zijn er vele die de grote spanningen die het verzetswerk met zich meebracht niet hebben kunnen verwerken. Veel verzetsmensen zijn in concentratiekampen terecht gekomen, waar ze van hun leven niet zeker waren. Dat geldt uiteraard ook voor de joden en de zigeuners die de uitroeiing hebben overleefd. Voor velen zijn de kampervaringen zo ingrijpend geweest dat ze niet te verwerken zijn. Ook wanneer ze door onder te duiken aan deportatie hebben kunnen ontkomen, is hun leven vaak getekend door de angst en spanningen van die periode.

De mensen die in Nederlands-lndie tijdens de Japanse bezetting in kampen geïnterneerd werden en daarna blootstonden aan de gewelddaden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd hebben vaak niet de gelegenheid gehad om enigszins te herstellen van hun schokkende ervaringen, omdat ze alle energie nodig hadden om in Nederland een nieuw bestaan op te bouwen.

Ook de militairen die tijdens de oorlog direct betrokken waren bijge-vechtshandelingen en/of krijgsgevangen geraakten, hebben ervaringen opgedaan die een belasting kunnen vormen voor hun huidige bestaan. In de nasleep van de oorlog kwamen ook vele gezinnen van mensen die hebben samengewerkt met de bezetter in situaties terecht. Hie zeker ook voor de kinderen vaak een grote emotionele belasting zijn blijven vormen.

De hier genoemde groepen en categorieën van de bevolking, vormen meer een aanduiding dan een afbakening van de totale groep mensen bij wie de oorlog een blijvend stempel op het leven heeft gedrukt. Belangrijker nog dan de kennis over deze groepen, is de aandacht voor het levensverhaal, en dus vaak ook het oorlogsverhaal, van de man of vrouw met wie je als hulp of zorgverlener in contact komt.

De doorwerking van onverwerkte oorlogservaringen

In de ervaringen van veel getroffenen zijn een aantal gemeenschappelijke aspecten te onderscheiden die inzichtelijk maken waarom ze van zo grote en langdurige invloed zijn op hun naoorlogse leven.

In de eerste plaats is dat de doodsdreiging waaraan mensen - soms jarenlang - hebben blootgestaan. Door deze levensbedreigende ervaringen is hun gevoel van veiligheid, dat fundamenteel is voor de psychische gezondheid, blijvend verstoord.

Het gevoel van veiligheid ontlenen we voor een deel aan de illusie van persoonlijke onkwetsbaarheid. Die illusie is voor veel getroffenen verloren gegaan. Dat uit zich bijvoorbeeld in voortdurende waakzaamheid en pogingen om zichzelf en de eigen omgeving te vrijwaren van gevaren. Het gevoel steeds op je hoede te moeten zijn kost geweldig veel energie en kan mensen volledig uitputten.

Een tweede gemeenschappelijk aspect is onmacht. Veel mensen kwamen tijdens de bezetting in situaties terecht waarin ze geen greep meer hadden op hun bestaan. Ze waren overgeleverd aan een macht waar geen verweer tegen mogelijk was. Uil de psychologie weten we hoe belangrijk het voor de psychische gezondheid van de mens is om te kunnen geloven in het vermogen om zelf richting en vorm aan je leven te geven. Dat geloof in het zelf kunnen sturen van je eigen leven is bij veel getroffenen fundamenteel aangetast. Ze voelen zich in hun huidige leven, vooral in moeilijke situaties, vaak heel onzeker. Het geloof in eigen kunnen heeft door de oorlogservaringen een flinke knauw gekregen.

In dc derde plaats getuigen vele ervaringen van geleden verlies. Het verlies van omgekomen dierbaren en vrienden blijft vaak een belasting vormen, omdat dc verwerking van het verlies niet op gang kan of mag komen. De herinnering aan de doden moet levend gehouden worden, de zin van hun dood is immers niet te vinden. De rouw over het in de oorlog geleden verlies komt pas op gang naar aanleiding van een recent verlies. Ook het verlies van de eigen sociaal-culturele omgeving, de gemeenschap waartoe men behoorde, zoals voor de joodse overlevenden, is een blijvend gemis» een niet meer te vullen leegte.

Oorlogservaringen die door aspecten als doodsdreiging, onmacht en verlies worden gekarakteriseerd, behoren tot de essentiële levenservaringen van de getroffenen. De gebeurtenissen hebben de kern van hun bestaan geraakt. Dat maakt de verwerking van deze ervaringen zo moeilijk en tegelijkertijd ook noodzakelijk. Moeilijk, omdat terugdenken aan wat er gebeurd is veel angst en pijn oproept. Noodzakelijk, omdat je dreigt te vervreemden van jezelf en van de mensen die je lief zijn, wanneer je niet kunt praten over dingen die zo wezenlijk voor je zijn.

Het is geen wonder dat veel mensen hebben geprobeerd om dergelijke ervaringen te vergeten of zo goed mogelijk toegedekt te houden. Maar het is evenmin verwonderlijk dat zulke essentiële ervaringen zich niet echt laten vergeten.

Elke ervaring vraagt om verwerking, om een plaats en betekenis in je leven, ook ervaringen waar je geen kant mee op kunt. Bij sommige mensen zie je periodes van afweer tegen de herinneringen algewisseld worden door periodes waarin ze een nieuwe poging doen om iets te verwerken van wat ze hebben meegemaakt.

Bij anderen blijft de afweer vele jaren intact, totdat ze bijvoorbeeld door een ingrijpende gebeurtenis uit hun evenwicht raken en de afweer niet meer kunnen volhouden. Bij de mensen met wie je in je werk te maken hebt kun je zowel het beschreven taaie gevecht met het oorlogsverleden tegenkomen, als ook het plotseling overspoeld worden door lang verdrongen herinneringen aan die periode.

Ondersteuningsmogelijkheden van de hulp- en zorgverlening

Als hulp- en zorgverlener kun je op verschillende manieren met de doorwerking van oorlogservaringen worden geconfronteerd. Zoals eerder al is opgemerkt kan er oorlogsproblematiek ten grondslag liggen aan klachten als gestoorde slaap en uitputting; kortom klachten die wijzen op een (te) grote psychische belasting.

Wanneer de situatie zich daartoe leent, bijvoorbeeld bij intakegesprekken. is het goed om (ook) aandacht te geven aan de oorlogsperiode. Bijvoorbeeld door te vragen waar betrokkene was tijdens de oorlog en of die periode belangrijk voor hem of haar is geweest. Daar zal lang niet altijd direct op worden gereageerd, maar voor de client is het een belangrijk signaal. Het betekent namelijk dat jij iemand bent die oog heeft voor deze achtergrond van de klachten. Dat kan hem ertoe brengen om er zich naderhand alsnog over te uiten. Ook is eerder al gewezen op het feit dat bij (plotselinge, ingrijpende) veranderingen in het bestaan van mensen de herinneringen aan oorlogservaringen zich kunnen opdringen, die hen (nog meer) uit hun evenwicht brengen. Ook in die situatie is het belangrijk om alert te zijn cn eventuele aanknopingspunten te vinden voor het openen van een gesprek. Wanneer je duidelijk kunt maken dat het heel gewoon is dat herinneringen aan de oorlog in bepaalde situaties weer kunnen opspelen, geef je de betrokkene vaak al enig houvast en wordt ook de vertwijfeling minder over wal er met hem aan de hand is.

Als mensen uit zichzelf, of daartoe uitgenodigd, over hun oorlogsgeschiedenis gaan praten, kan de situatie ontstaan dat het. soms voor beide partijen, te veel wordt.

Vaak is het verhaal te complex en te emotioneel om in één keer te kunnen vertellen en aan te horen. Veel hulp- en zorgverleners zijn beducht voor situaties als deze. De praktijk wijst uit dat het mogelijk is om zo’n gesprek toch tijdig en op een verantwoorde manier af te ronden, althans voor dat moment. Net als bij andere emotionerende gesprekken is het goed om iets te zeggen over het verloop van het gesprek en wat jou daarin is opgevallen. Bijvoorbeeld dat het gelukt is om over zo'n moeilijk onderwerp te praten en dat je gemerkt hebt hoe beladen en pijnlijk de herinneringen zijn.

Heel belangrijk is dat je duidelijk maakt bereid te zijn om het gesprek op een ander moment voort te zetten. Deze wat zakelijke afsluiting geeft de client de gelegenheid om terug te keren tot het hier en nu. Wanneer het gesprek je erg zwaar is gevallen, dan is het zaak om zelf steun te zoeken. Bijvoorbeeld door in het team of met je begeleider He situatie door te spreken en na te gaan wat het voor jou moeilijk maakte. Bij eventuele vervolgcontacten wordt het je meestal wel duidelijk of de ondersteuning die jij kunt geven toereikend is. Wanneer je daaraan twijfelt, kun je bijvoorbeeld het ICODO telefonisch om advies vragen of je het contact kunt voortzetten en op welke manier. Als je ervan overtuigd bent dat meer gespecialiseerde hulp noodzakelijk is. dan is het belangrijk om dat met de cliënt te bespreken en aan te geven waar jouw grenzen liggen. Ook in die situatie kun je onder meer een beroep doen op het ICODO om een goede verwijzing tot stand te brengen.

Dit artikel is eerder verschenen in Tijdschrift voor verzorgenden vol. 2 (1989) 5, pp. 127-132.

1

Sytse G van der Veen is medewerker van de afdeling Deskundigheidsbevordering en voorlichting van het ICODO.

Referentie: 
Sytse G. van der Veen | 2000
In: Verder leven met de oorlog : hulpverlening aan oorlogsgetroffenen / red.: Wim D. Visser, Sytse G. van der Veen
Trefwoorden: 
beeldvorming, complex trauma, families, hulpverlening, lange-termijn effecten, oorlog, oorlogsgetroffenen, persoonlijke ervaringen, psychotrauma (nl), traumatische ervaringen, Tweede Wereldoorlog, veiligheid, verlies, zorgverlening