Het recht om pessimist te zijn : 2 mei 1945 ; veertig jaar later

De veertig jaar die verstreken zijn sedert mijn bevrijding uit een Nazi-concentratiekamp, hebben mij van een verstokt optimist tot een overtuigd pessimist gemaakt. Dat is een slechte zaak en niet alleen voor mijn eigen psyche.

Het effekt dat dit op anderen heeft is nog veel erger. Want mensen in het: algemeen, maar vooral diegenen die zelf neigen tot pessismisme, willen dat je hen bemoedigt en niet ontmoedigt. Al weten ze zelf dat het slecht gaat; van jou willen ze horen dat het goed gaat. De werken van Kant en Hegel worden heel wat beter verkocht dan die van Schopenhauer en dit gebeurt niet omdat ze zoveel beter zijn. We kennen opeenvolgende generaties van Neo-Kantianen en Neo-Heg§lianen, maar wie heeft er ooit gehoord van Neo-Schopenhauerianen?

De relatie Kant - Schopenhauer overheerst overal binnen het fenomeen dat psychotherapie genoemd wordt, in literatuur, in films, om een paar van de meest voor de hand liggende terreinen te noemen.

Op elk van deze terreinen vormt het "happy end" een beslissende faktor. Mensen zullen forse toe

gangsprijzen betalen voor een theatervoorstelling die hen op-montert, maar zalen waarin minder optimistische stukken opgevoerd worden zullen ze half of helemaal leeg laten.

Ze kopen miljoenen exemplaren van boeken die een opbeurend effekt hebben, maar besteden geen enkele aandacht aan literair werk van superieure kwaliteit als het effekt daarvan deprimerend of niet komplimenteus is.

Vleiende taal van leiders wordt royaal met vleierij beantwoord, maar door de harde waarheid voelen ze zich gekwetst.

Deze populaire smaak heeft niets met werkelijke waarde en kwaliteit te maken. De pessimist kan gelijk hebben en de optimist ongelijk, toch luisteren we liever naar het ongelijk van de optimist dan naar het gelijk van de pessimist. Deze voorkeur kan zelfs geheel of gedeeltelijk bewust zijn.

Zij houdt rechtstreeks verband met het beeld dat wij van onszelf hebben en de wijze waarop dit zich manifesteert. In talloze grafredes wordt de overledene geprezen omdat hij 'zoveel van mensen gehouden heeft’. Boekrecensies prijzen auteurs om dezelfde reden. Zelfs als er verder niets gunstigs over hen gezegd kan worden, dan is het feit dat ze 'van mensen houden' toch iets positiefs. Er is geen sprake van dat je de argumenten van degene die mensen haat en degene die hen liefheeft zorgvuldig met elkaar vergelijkt en die van de laatste overtuigender vindt; het oordeel wordt instinktief en onmiddellijk geveld. Zodra van iemand wordt vastgesteld dat hij mensen liefheeft, krijgt hij al gelijk; de mensenhater wordt afgewezen zodra hij als zodanig geïdentificeerd wordt. Zonder de voor- en nadelen van mensenliefde en mensenhaat tegen elkaar af te wegen, vertelt ons instinkt ons dat het ene juist is en het andere niet.

Of misschien is dit helemaal niet zo. Misschien vertelt ons instinkt ons alleen maar wat prettig is, en alleen daarom welkom -en wat vervelend is en alleen daarom onwelkom. Als dit oordeelkundig inzicht nu eens gekoppeld zou zijn aan een even groot vermogen om waarheid van leugen te onderscheiden, dan zouden we heel wat van onze vleiende opvattingen over de soort waartoe wij behoren moeten herzien.

Maar in mijn titel beloofde ik dat ik iets zou vertellen over 2 mei 1945, de dag van mijn be-vrijding, een dag die echter niet voor mij bestond. Die dag bestond niet voor mij omdat ik, op het randje van de dood, niet bij bewustzijn was.

Als ik nu een enkele keer kijk naar een dokumentaire over concentratiekampen, ben ik me ervan bewust dat ik in de weken voorafgaande aan de bevrijding een van de spookachtige gedaantes geweest, kan zijn die zich als verdwaasd traag voortbewogen. Het duurde niet lang of ik liep helemaal niet meer rond. Ik lag in een hoek van een barak, overdekt met een dikke laag luizen. Sommige hadden zich ingevreten in mijn wenkbrauwen, de randen van mijn oogleden, in de huid van mijn oksels en mijn buik. Ik lag daar in een plas urine vermengd met bloed en ontlasting, steeds minder beseffend dat er iets niet klopte of dat er ooit een ik bestaan had.

Het eerstvolgende waar ik me van bewust werd, was dat alles wit was, ook het bed waar ik in lag.

De muren, de meubels, het plafond - En ik, ik had zelf niet willen geloven dat dit echt bestond. Nu ben ik zelf in het hiernamaals. Welk een les voor een skeptikus! Ik had het helemaal bij het verkeerde eind gehad; ik was zo zeker van mezelf, maar wat had ik me vergist!

De nieuwe realiteit begint langzaam door te dringen tot mijn bewustzijn. Maar de gedachte dat ik mijn bevrijding ben misgelopen doet me hevig pijn. Alstublieft,

Zuster, blijf niet zo aandringen. Ik weet de naam niet meer. Ik zal proberen om me die te herinneren, dat beloof ik. Geef me de tijd, alstublieft. Ik kom er nog wel achter wie ik ben.

Die heldere nacht in mei, toen ik vanuit het ziekenhuisbed vlak onder een groot raam mijn hoofd achterover boog om naar de vele sterren aan de hemel te kijken, zal altijd vers in mijn geheugen blijven. In die nacht verrichtte ik een inspanning die misschien de grootste uit mijn hele leven geweest is: ik trachtte me te herinneren wie ik was, hoe ik heette en wie mijn ouders waren.

Vroeg in de morgen vertelde ik alles aan de jonge non.

Maar ofschoon mijn bevrijdingsdag me ontnomen was, was mijn geest snel weer in staat verbanden te leggen, en tenslotte werd mijn innerlijke gevoel „van kontinuï-teit hersteld. Tot deze kontinuï-teit behooorden ook lang gekoesterde verwachtingen die me gedurende de Holocaust-jaren op de been hadden gehouden. Eindelijk zouden deze dan getoetst worden aan de werkelijkheid van na de bevrijding.

0, hoe rijk en schitterend waren die hoop en verwachtingen geweest. Ze hielden rechtstreeks verband met de intensiteit van ons lijden en onze ontmenselijking. Hoe meer wij leden, des te rooskleuriger leek de na-oorlogse toekomst. De mensheid zal dan iets geleerd hebben van wat ons aangedaan is, want dat wat ons is aangedaan was te gruwelijk om genegeerd te worden. Als mensen kunnen beweren dat ze iets geleerd hebben van het lot van een enkele Christus,- hoeveel meer zullen ze dan moeten leren van het lot van miljoenen Christussen.

De wereld die degenen van ons die zullen overleven wacht, zal een andere wereld zijn geworden. Wie zal het wagen in die wereld oneerlijk of onrechtvaardig te zijn, nu is gebleken waar leugens en onrechtvaardigheid uiteindelijk toe leiden? Al wie onderdrukt was en uitgebuit zal nu de rechten en waardigheid krijgen die hij verdient. Puur menselijk narcisme,, dat als reaktie op massale vleierij is uitgegroeid tot chauvinistische zelfverheerlijking en daardoor tot een heel nationaal systeem, zal altijd bezoedeld blijven. De wereld die op ons wacht zal een goede, fatsoenlijke, vreedzame wereld zijn.

Dat geloofden wij, want dat moesten we wel geloven. Wie zou het overleefd hebben zonder die beloftes die wij aan onszelf deden?

Waarom zou iemand zo hard vechten alleen om te overleven als dit overleven niet ook bepaalde beloftes inhield? Als alles alleen maar 'normaal' wordt en weer terugkeert tot die werkelijkheid die datgene wat wij door moeten maken uiteindelijk veroorzaakt heeft, wie zal er dan keihard voor vechten om de dag van zijn bevrijding mee te kunnen maken en te ervaren?

De zeer weinigen die alles overleefd hebben zijn nu veertig jaar ouder. Zij zijn nu in staat de balans op te maken. Zij kunnen antwoord geven op de vraag in hoeverre hun verwachtingen en hoop van toen in vervulling zijn gegaan. En in het licht daarvan kunnen zij antwoord geven op de vraag of het de moeite waard was om te overleven.

Was het de moeite waard om te overleven, zelfs zonder mijn ouders en mijn zuster? Ja, zonder de hele sociale omgeving waarin ik geboren was en opgegroeid tot een jongeman?

Ik zal er geen doekjes om winden en me evenmin laten afschrikken door de verwachtingen die lezers koesteren omtrent een positief en daarmee hun ijdelheid strelend antwoord. Mijn antwoord luidt ondubbelzinnig: Nee, het was het niet waard om te overleven.

Het was het niet waard om de • Holocaust te overleven, want de mensheid heeft nauwelijks iets geleerd van de Holocaust. Kon-flikten tussen mensen en samenlevingen blijven wat ze altijd geweest zijn. Sedert die eerste bevrijdingsdagen in 1945 is er geen uur zonder deze konflikten geweest.

Kijk eens naar de geschiedenis vanaf 1945. Die blijft zoals ze altijd geweest is. De slachtoffers en beulen zijn nu van een nieuwe generatie, maar de relatie tussen hen is niet veranderd. Er was eens een nationale leider die zijn volk vertelde dat het het allerbeste was, het uitverkoren volk en dat hun voorvaderen al het beste en uitverkoren geweest waren. In ruil voor deze verfijnde vleierij, vleiden zij hem en smeekten hem om hun leider te zijn. Vandaag de dag zijn er wel honderd mini-Hitlers die hetzelfde doen met evenveel of bijna evenveel succes. Hun aanwezigheid is niet beperkt tot een staat of een werelddeel. Khomeini doet het in Iran, Kadaffi in Libië, Ronald Reagan doet het in de Verenigde Staten.

En overal vloeit bloed. Nee,

Joden worden niet langer met miljoenen tegelijk afgemaakt. Vandaag de dag wordt hun plaats ingenomen door Vietnamezen, Cam-bodianen, Senghalezen, Tamils, mensen in Midden-Amerika en de miljoenen in Afrika die honger lijden.

Bedenk wel, dit is het portret van die zogenaamde bevrijde wereld, een wereld waarin honderden mensen voor hun recht op zelfbeschikking gevochten hebben, een wereld waarin alle slaven naar men zegt bevrijd zijn. Misschien zijn ze bevrijd, maar niet van zichzelf.

Kijk zelf maar eens,, iedereen die kracht heeft, gebruikt die om daarmee voor zichzelf voorrechten en plezier te verkrijgen. Mensen hebben alleen maar hun onafhankelijkheid gekregen om zich te kunnen koesteren in hun eigen ijdelheid. Iedereen bejubelt een leider, een vlag, een volkslied, een nationaliteit, die hij ziet als de kernsymbolen van zijn eigen wezen. Ieder bejubelt zichzelf. Precies zoals de vurigste Nazi.

Onze maatschappelijke instellingen zijn nauwelijks veranderd.

Het is heel schokkend om over na te denken, maar het moet: Precies hetzelfde systeem dat de Führer voortbracht, de Republiek van Weimar, wordt vandaag algemeen beschouwd als een garantie tegen diktatuur. Dit systeem blijft mini-Führers vóórtbrengen op de Filippijnen, in grote delen van Latijns-Amerika en in andere landen, maar toch blijven we vertrouwen stellen in een demokratie die louter uit procedures bestaat, als een middel om machtsmisbruik te voorkomen.

Wat is er veranderd? Weinig, bijzonder weinig. De waarschuwingen van de Holocaust worden volledig en konsequent genegeerd. Dat behoeft niemand te verbazen, want als waarschuwingen ooit voldoende waren geweest voor de mens dan zou hij iets geleerd moeten hebben van de talloze eerdere slachtpartijen die onze geschiedenis telt, het zijn er zeer vele geweest.

De basis van dit alles wordt niet gevormd door het ene of het andere systeem maar door de mens zelf. Hij is 's werelds schaamteloze leugenaar. Hij rekent het vermogen om abstrakt te denken tot zijn kunnen. Hij bezit niets van dien aard; zijn hersens zijn niets meer dan een komputercen-trum waarin de kansen op materieel en geestelijk gewin worden berekend. Het voornaamste verschil tussen hem en andere diersoorten ligt in het feit dat hij lijvige woordenboeken tot zijn beschikking heeft. Daarin zoekt hij ieder goed klinkend adjektief op dat hij op zichzelf kan be-

trekken en die adjektieven waaraan hij zich kan spiegelen. Alle andere adjektieven hanteert hij ten aanzien van vreemden, de mensen die anders zijn dan hij, de mensen die hij niet hoeft te vleien om zijn eigen ijdelheid te strelen.

0, ik zou zoveel meer kunnen zeggen op deze veertigste gedenkdag van mijn "bevrijding". Maar waarom zou ik dat doen? Zou het enig verschil maken? Nee.

Dus als men mij vraagt wat deze veertigste gedenkdag voor mij betekent, dan gebiedt onbarmhartige eerlijkheid mij te zeggen: Het betekent een voordurende spijt dat ik niet nummer zes-miljoen-één ben geweest.

(Uit het Engels vertaald door mevrouw T. Rubinstein.)

Referentie: 
M.S. Arnoni | 1985
In: Icodo Info , ISSN 0168-9932 | 2 | 1 | maart | 7-12