Niet altijd haat achter massaal geweld: Ton Zwaan over genocidale processen

Ton Zwaan, socioloog en antropoloog, doet bij het Centrum voor Holocaust- en genocide-studies vergelijkend onderzoek naar genociden van zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast is hij universitair hoofddocent en stelt hij die genociden in vergelijkend perspectief in het academisch onderwijs aan de orde, zowel in BA-onderwijs als in een mastertraject voor studenten aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Wat maakt dit werk voor u boeiend?

 

‘Ik heb een levenslange preoccupatie met de vraag: hoe is het mogelijk dat mensen op zeer grote schaal andere mensen massaal geweld aandoen? Die geboeidheid gaat terug op mijn kinderjaren. Ik ben vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren. De oorlog was nog tastbaar aanwezig in ons gezin. Je voelde dat zich een enorme catastrofe had voorgedaan waar ik destijds heel weinig van begreep. Bij ons thuis stonden foto’s van ooms die omgekomen waren; de een in Dachau en de ander in voormalig Nederlands-Indië. Mijn vader had in een gijzelaarskamp gezeten. Toen ik twintig was, vond ik zijn dagboeken uit die periode. Hij heeft er nooit veel over verteld. Het ingrijpende was dat je gewoon van de ene op de andere dag opgehaald kon worden, dat je verdween. Mijn moeder bleef destijds achter met zes kinderen. Die intellectuele fascinatie is er een van grote schrik en verwondering. Ook heb ik een diep gevoeld verlangen dat die dingen niet meer gebeuren.’

 

Kunt u iets vertellen over dat vergelijkend onderzoek?

 

‘Je zou kunnen zeggen dat de Shoah de meest onderzochte genocide uit de geschiedenis is en dat heeft een stimulerende invloed gehad op het onderzoek naar andere genociden. We hebben veel meer inzicht gekregen in de condities waaronder een genocide ontstaat, het verloop ervan en hoe een genocidaal proces tot stilstand komt. Inzicht in de voornaamste krachten en mechanismen die zo’n proces op gang brengen en houden, en in de consequenties van genociden als de meest destructieve, kwaadaardige en ontwrichtende sociale processen. In een beginstadium is het trouwens heel moeilijk om een genocide te herkennen. Bij de Rwandese genocide in 1994 waren er veel politiek betrokkenen buiten Rwanda en in de massamedia die meenden dat het om een burgeroorlog ging. Sommige politiek betrokkenen kwam dat ook goed uit want het zou een rechtvaardiging zijn van het feit dat ze niet ingrepen. Dat heeft twee maanden geduurd en toen had die genocide zich al voor tweederde voltrokken. De moeilijkheid is: op welk moment beslissen outsiders, direct betrokkenen uit de slachtoffergroep en directe omstanders dat we te maken hebben met een genocidaal proces? Rwanda kent een lange geschiedenis van massaal geweld tussen de beide bevolkingsgroepen: Tutsi’s en Hutu’s. In Rwanda is de genocide historisch voorafgegaan door massaal onderling geweld. Toch kun je een aantal criteria noemen voor een genocidaal proces. Zijn er herhaalde massale aanvallen door gewapende aanvallers op weerloze burgers; mannen, vrouwen en kinderen? Is er een verschil tussen de daders en slachtoffers qua etniciteit, religie of politiek? Het massale geweld in 1994 is onmiskenbaar een georganiseerde, centraal door de overheid geleide, systematische vernietiging van overwegend Tutsi’s geweest. Maar ook Hutu’s die afwijzend stonden en bezwaar maakten tegen die genocide zijn vermoord. Van de 800.000 slachtoffers was 95% Tutsi. Dat was een genocidaal proces.’

 

Blijkbaar zijn er genociden over en weer tussen Hutu’s en Tutsi’s. In de krant las ik dat de huidige Tutsi-regering in een VN-rapport wordt aangeklaagd voor ‘genocide’ op vluchtende Hutu’s. Genocide staat dan wel tussen aanhalingstekens.

 

‘Het begrip genocide is omstreden en niet eenduidig. Het wordt op allerlei manieren misbruikt, vooral door politici. Sommige onderzoekers naar genociden spreken daarom liever over massaal geweld. Ik denk dat je beter aan het begrip genocide kunt vasthouden. Met de verovering van Rwanda door het Tutsi-leger RPF (Rwandees Patriottisch Front) zijn een kleine twee miljoen Hutu’s, onder wie mensen die actief deelgenomen hadden aan de genocide op de Tutsi’s, gevlucht naar het oosten van Congo en daar in vluchtelingenkampen terechtgekomen. Het leger van de RPF heeft een groot aantal Hutu’s uit die kampen onder dwang teruggevoerd naar Rwanda, en zowel bij de aanvallen op die kampen als bij die terugkeer zijn slachtoffers gevallen. Dat kun je deels zien als massale wraak en deels zeker als een genocidale gebeurtenis. Maar dat laat onverlet dat wat in 1994 is gebeurd genocide was van de Hutu-regering op de Tutsi-bevolking in Rwanda.’

 

Rwanda kent een lange geschiedenis van geweld tussen twee bevolkingsgroepen uitmondend in genocide over en weer, dat is bij de genocide op de Joden toch volstrekt anders?

 

‘Nadenkend over verschillen zou je kunnen zeggen dat het bij de Armeense genocide en de moord op de Joden gaat om systematische aanvallen en vernietiging van twee grote groepen, Joden en Armeniërs, door vijandig gezinde daders. De zware politieke tegenstellingen en het geweld over en weer tussen verschillende bevolkingsgroepen ontbreken bij deze genociden.’

 

Kunt u iets vertellen over hoe het proces van identificatie en desidentificatie dat De Swaan beschrijft, in dat genocidale proces een rol speelt?

 

‘Wat in een genocidaal proces een rol speelt is dat een bepaalde categorie van de bevolking systematisch wordt uitgesloten van de nationale gemeenschap. Die uitsluiting kan jaren duren als je kijkt naar de Joden, maar bij de Armeniërs ging dat heel snel. Binnen één jaar waren zij uitgesloten van het Ottomaanse rijk. Uitsluiting betekent dat er polarisatie optreedt, bijvoorbeeld tussen Duitsers en die Duitsers die als Joden werden geclassificeerd, of tussen Turken en Armeniërs, tussen Hutu’s en Tutsi’s. Als polarisatie optreedt en gepaard gaat met vormen van geweld, dan is de kans groot dat mensen zich in toenemende mate identificeren met hun eigen groep en desidentificeren met de andere groep.’

 

De samenleving is opgebouwd met groepsvorming op allerlei niveaus waarbij iedere keer in- en uitsluiting plaatsvindt.

 

‘Als uitsluiting niet meer vreedzaam verloopt en er treedt radicalisering op die stelt dat de anderen geen bestaansrecht meer hebben en die uitsluiting gaat systematisch gepaard met massaal geweld, dan wordt die uitsluiting kwaadaardig en destructief. In zekere zin ligt het in het verlengde van het normale leven maar het kan zulke extreme vormen aannemen dat het over kan gaan in radicale uitsluiting en massale vervolging. Genocide gaat in laatste instantie om de integrale ontkenning van het recht op leven van een bepaalde groep.

 

Elke samenleving kent naast vormen van samenwerking ook vormen van concurrentie. Als een samenleving arm is, en dat geldt voor Rwanda, Cambodja en ook Joegoslavië, kun je verwachten dat de concurrentie tussen groepen en tussen individuen scherper zal zijn. Het kan zijn dat die concurrentie op zichzelf kan bijdragen aan een besluit van een regering, een staat of een politieke elite om te proberen één groep definitief uit te sluiten. In Darfur heeft de regering heel bewust een groot deel van de Afrikaanse boeren verdreven naar het zuiden, zodat de bestaansbronnen voor de Arabische nomaden in het noorden royaler zouden zijn. Er is op enorme schaal vee en grond van vermoorde of verdreven Afrikaanse boeren geroofd.’

 

Zijn materiële belangen een drijvende kracht voor een genocidaal proces?

 

‘Bij genocide gaat het erom dat de staatsoverheid een serie besluiten neemt, en vaak gebeurt dat mondeling en niet gedocumenteerd, die ertoe bijdragen dat één groep van de bevolking of één categorie systematisch vervolgd en uiteindelijk systematisch wordt omgebracht. In een armoe-desamenleving probeert men te overleven. De regering kan wel gebruikmaken van bepaalde spanningen die tussen bevolkingsgroepen bestaan, zoals tussen de nomaden en sedentaire boeren in Darfur. We weten uit interviews met gewone Hutu-daders, en dat waren vaak arme boeren, dat ze het als een enorme vooruitgang beschouwden als ze zich straffeloos de huizen en de bezittingen van hun Tutsi-buren in Rwanda konden toe-eigenen. In het geval van de Armeense genocide en bij de moord op de Joden heeft er ook een enorme verrijking plaatsgevonden van groepen onder de daders. Er zijn inmiddels redelijk goede studies waaruit blijkt dat niet alleen de Ottomaanse staat maar ook Turkse elites op provinciaal niveau zich verrijkt hebben met geroofde bezittingen van de twee miljoen Armeniërs. Daarvoor is nooit enige compensatie betaald. Ook heeft er grote verrijking plaatsgevonden door wat de Joden is afgenomen. Als daders kunnen profiteren is er een extra motief voor genocide, maar het voornaamste motief is in mijn ogen van ideologische aard. Bepaalde ideologieën als het nationaal-socialisme, het communisme en als derde stroming het hedendaagse etnisch nationalisme dragen bij aan genocidale gebeurtenissen. In Nederland was in de jaren zeventig overigens een betrekkelijk grote blindheid voor massale misdaden van communistische regimes.’

 

Hoe speelt haat een rol bij uitsluiting die leidt tot genocide?

 

‘Ik denk dat je haat niet in een isolement moet zien. Haat is een menselijke potentie: mensen kunnen haten. Haat resulteert vaak uit voorafgaande gevoelens van angst of vernedering. De vraag die je zou moeten stellen is: hoe wordt haat gegenereerd tussen groepen mensen? Dat zal heel vaak gebeuren door conflicten die hebben plaatsgehad, door massale verliezen die men ooit heeft geleden en wat men toeschrijft aan bepaalde groepen. Behalve dat haat een individuele potentie is van mensen is het in deze context heel belangrijk om te kijken naar georganiseerde haat. Er zijn politici en ideologen die op een gegeven moment een collectieve haatfantasie ontwikkelen over een bepaalde groep. Neem als voorbeeld het antisemitisme. Zo’n collectieve haatfantasie is een voedingsbodem om haat te organiseren. Dat individuen haten komt in iedere samenleving voor, maar het wordt pas gevaarlijk als collectieve haat verbonden wordt met een staatsoverheid en als een politieke elite die de staat beheert zijn beleid gaat baseren op het verspreiden en organiseren van collectieve haat. Daar ligt denk ik een heel belangrijk aspect van genocidale ideologie, die er in essentie op neerkomt dat een bepaalde groep mensen definitief uit de samenleving moet worden verwijderd en vernietigd. Als president Ahmadinejad van Iran zegt dat Israël van de kaart moet worden geveegd is dat een manifestatie van haat. Als een joodse rabbi zegt dat de Palestijnen geen bestaansrecht hebben, dan is dat de mentale wortel van genocidaal denken. En als je ook bereid bent om die gedachten om te zetten in daden, dan speelt haat daarin een centrale rol.’

 

Haat speelt niet altijd een rol?

 

‘Mensen kunnen ook doden zonder te haten. Materieel gewin kan een motief zijn, maar mensen volgen soms ook gewoon bevelen op, in het algemeen doen soldaten en politiemensen wat hun is opgedragen. Er zijn mensen die op zoek zijn naar avontuur of naar bevordering van hun carrière. De eenvoudigste daders op het laagste niveau van uitvoering, dus de mensen die daadwerkelijk deporteren, verkrachten, doden, verminken blijken op allerlei manieren gemotiveerd te zijn en doen dat niet perse uit haat. Er is natuurlijk altijd een fractie van mensen die gedreven wordt door ideologisch gevormde haat; tegen Joden, tegen Tutsi’s.

 

Haat kan een verlangen naar wraak omvatten. Bijvoorbeeld de collectieve afgunst die onder Hutu’s bestond ten aanzien van Tutsi’s, maar ook onder heel veel Duitsers ten aanzien van de Joden. Met name als je wereldbeeld enigszins paranoïde is en je die bedreigende groep een enorme macht toekent, kunnen haat tegen die groep en een verlangen om wraak te nemen heel goed samengaan. Wraak kan natuurlijk ook een cyclus zijn. Dat zie je bijvoorbeeld in Joegoslavië waar wraakgedachten lange historische wortels hebben en een rol speelden in het daadwerkelijke geweld. Het verlangen naar wraak gaat over een verlangen naar herstel van werkelijk of vermeend onrecht. Als je meent dat je onrecht is aangedaan door een bepaalde groep kan het meedoen aan massaal geweld tegen die groep een gevoel van voldoening geven. Er wordt wraak genomen. Ik denk dat haat en wraak in elkaars verlengde liggen en met elkaar gemengd zijn. Zolang mensen gehouden zijn om hun destructieve verlangens en emoties te beheersen, onder andere omdat ze leven in een sociale context van een rechtsstaat die het geweld reguleert en beheerst, zijn de consequenties niet zo groot. Valt die centrale beheersing weg dan gaat er ongelooflijk veel mis. Je zou kunnen zeggen dat dit alles gaat over cultuur. Wat zijn de standaarden voor individuele en collectieve zelfbeheersing in de samenleving? Wat zijn de vormen van beschaafde omgang met elkaar? Als in de cultuur de norm is dat je op een civiele manier met elkaar omgaat en als die norm domineert en gedeeld wordt door mensen uit die cultuur, zal de kans op massaal geweld aanzienlijk verminderen. Maar als bijvoorbeeld de norm wordt dat we met groep x helemaal niet op een beschaafde manier om hoeven te gaan, als we ze ongestraft kunnen discrimineren, lastigvallen en in laatste instantie met geweld kunnen bejegenen, dan is het ernstig gesteld en kunnen allerlei vormen van massaal geweld gaan optreden die uiteindelijk kunnen leiden tot genocide.

 

Omdat de meeste conflicten politiek van aard zijn, kan haat een rol spelen en gemanipuleerd worden, maar haat hoeft geen doorslaggevende rol te spelen. Burgeroorlogen en etnische conflicten worden makkelijk toegeschreven aan het bestaan van haat. Ik denk vaak ten onrechte, het vereist een complexere analyse van wat er gebeurt.’

 

Wat heeft de hulpverlening aan inzicht in genocidale processen?

 

‘Als inzicht wordt verspreid kan dat leiden tot een zekere waakzaamheid ten aanzien van situaties waarin dit soort verschrikkelijke verschijnselen zich kunnen voordoen. Dat is één lijn. Een tweede is: je moet proberen de menselijke samenleving zo te reguleren dat er zo min mogelijk gelegenheden optreden waarin massaal geweld kan plaatsvinden. Laat ik het concreet maken. Geen enkele samenleving is immuun voor genocide. Maar je kunt beargumenteren dat stabiele democratieën, stabiele rechtsstaten en de staten waarin het geweldsmonopolie volgens de wet redelijk gehandhaafd blijft, de beste oplossing zijn tot nu toe om massaal geweld te voorkomen. Dat betekent dat de politiemachten en legers onderhorig zijn aan politieke autoriteiten. Heel veel landen in de wereld worden bestuurd door militaire elites, die geweld toepassen wanneer het ze uitkomt. Dat moet aan banden worden gelegd en dat kan niet van vandaag op morgen en ook niet zonder inzicht. Pas als we begrijpen waarom mensen van tijd tot tijd op massale schaal anderen ombrengen kunnen we maatregelen bedenken.

 

Hulpverlening na massaal geweld vindt eigenlijk maar in een klein deel van de wereld plaats. Als hulpverleners daadwerkelijk iets voor mensen willen betekenen, is het van groot belang om inzicht te hebben in het verloop van conflicten waar degenen aan wie ze hulp moeten geven deel van hebben uitgemaakt en in de gevolgen van de geweldpleging voor de geestelijke en fysieke situatie van de voormalige slachtoffers of van geweldplegers.’

 

Wat voor inzicht is nog meer nodig?

 

‘Als mensen bang zijn is een van de manieren om met hun angst af te rekenen die om te zetten in daadwerkelijke agressie. Op het gebied van wreedheid hebben we nog betrekkelijk weinig inzicht. Waarom neemt men geen genoegen met het simpelweg ombrengen van de ander, wat op zich al wreed genoeg is, waarom gaan daar soms bizarre vormen van wreedheid aan vooraf, zoals kinderen in krokodillenvijvers gooien of het afhakken van ledematen en daar grote stapels van maken? We weten een heleboel dingen van dat genocidale proces op hoofdlijnen, waarom het gestart is, hoe het georganiseerd is, maar dat betekent nog niet dat je het gedrag dat je ziet begrijpt. Extreme wreedheden die vrijwel universeel voorkomen, daar zouden we nog meer inzicht in moeten hebben. Een gedachtegang is dat mensen in de vernietiging van anderen een bevestiging vinden van het eigen leven. Het vernederen van anderen door middel van marteling, het uitleven van de lust aan vernedering van anderen, is een bevestiging van het eigen gevoel van macht en identiteit. Je beschikt over macht en dat kan met genotbeleving gepaard gaan, maar dat zijn natuurlijk de zwarte kanten van mensen. Niet veel onderzoekers, afgezien van een aantal psychoanalytici, kunnen zich diepgaand in de zwarte kanten van mensen verdiepen, want het gaat ook over jezelf. Dat is moeilijk, je bent ook een mens. In Het onbehagen in de cultuur heeft Freud wel geschreven over potenties of disposities van mensen, die in de richting gaan van rücksichtlose agressie. Als je jezelf de vraag stelt: hoe komt het toch dat ik in bepaalde omstandigheden in heel korte tijd extreem kwaad kan worden, bijvoorbeeld in het verkeer, zie je een glimp van die agressie.’

 

Literatuur

 

Ton Zwaan, Civilisering en decivilisering Studies over staatsvorming en geweld, nationalisme en vervolging. Amsterdam: Boom, 2001. ISBN 90-5352-969-X; 463 pagina's.

Referentie: 
Lies Schneiders | 2010
Cogiscope : tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld, ISSN 1871-1065 | 6 | 4 | december | 15-19
Trefwoorden: 
agressie, Armenie, conflicten, geweld, haat, hulpverlening, identificatie, interviews, joden, politiek, radicalisering, Rwanda (nl), wraak