Niet afwachten waar de golven je in die woelige zee brengen

Jules Schelvis (1921) heeft meerdere kampen overleefd. Zijn eerste vrouw en veel familieleden zijn in de oorlog vermoord. Hij heeft, zoals hij zegt, nog nooit een psychiater gezien. In het proces tegen Demjanjuk, die wordt verdacht van medeplichtigheid aan de moord op 27.900 Nederlandse joden in vernietigingskamp Sobibor, is hij medeaanklager en getuige. Er is veel aandacht in de media voor dit proces en voor Jules Schelvis, een van de weinige overlevenden van Sobibor. In de media komt hij mild over. Hoe gaat hij om met zijn oorlogservaringen? Kent hij gevoelens van haat en wraak?

 

Lies Schneiders interviewt Jules Schelvis in zijn kamer vol met eigen schilderijen naar voorbeelden van Chagall, en op tafel de drukproeven van zijn nieuwe boek Een jeugd in Amsterdam.

 

Hoe was het voor u om te getuigen terwijl Demjanjuk daar met gesloten ogen in de rechtszaal lag?

 

‘Ik heb hem even gezien, voor de rest kijk ik niet in zijn richting. Voor mij is die man niet belangrijk. Wat er ook met Demjanjuk gebeurt, of hij wel of niet veroordeeld wordt, ik ga er ongezien mee akkoord. Ik zeg niet dat het proces onbelangrijk is want het is een van de laatste processen tegen oorlogsmisdadigers uit WO II. Voor mij is belangrijk dat het proces gehouden wordt om Sobibor, dat tientallen jaren in de schaduw van Auschwitz is gebleven, eens goed in de publiciteit te krijgen. Hoewel gezegd wordt dat medeaanklagers het proces zien als een middel om met het verleden in het reine te komen, geldt dat niet voor mij. Je komt natuurlijk nooit in het reine. Dat verleden zal altijd aan me blijven kleven, zolang ik nog leef. Sobibor is zo verweven met me, ook omdat ik een uitvoerige studie heb gedaan naar de omstandigheden waaronder mijn eerste vrouw en zestien van haar familieleden daar zijn vermoord. Bijna alle gevangenen werden meteen na aankomst de gaskamers ingedreven.

 

Ik kreeg in de rechtzaal uitgebreid de gelegenheid om mijn verhaal te doen. Dat komt omdat ik een van de weinige medeaanklagers ben die zelf in Sobibor is geweest. Ik heb de namen van mijn eerste vrouw en haar familieleden die daar vermoord zijn opgenoemd. Dat was heel emotioneel voor me. De president van de rechtbank wilde vervolgens weten hoe ik bij een razzia in 1943 was opgepakt en via Westerbork in Sobibor terechtkwam. Ook heb ik aan de hand van een plattegrond van Sobibor, die op twee muren werd geprojecteerd, precies verteld hoe het in Sobibor toeging. Het was een bijzondere ervaring. De president leefde mee, bedankte me en sprak de wens uit dat ik mijn verhaal nog lang aan iedereen zal mogen vertellen.’

 

U was een paar uur in Sobibor, hoe kwam dat?

 

‘Bij aankomst werden de mannen en vrouwen gescheiden. Voordat ik er erg in had liep mijn vrouw Rachel niet meer naast me. Ik zag dat een aantal jonge mannen, waaronder mijn zwager en mijn vriend Leo de Vries, door een SS’er uit de rij werden gehaald. Ik ben op die man afgestapt en heb gevraagd of ik me ook bij die groep kon aansluiten. Dat is me gelukt. We werden vervolgens naar het SS-kamp Dorohuzca vervoerd om turf te steken. Vandaar ben ik weer in andere kampen terechtgekomen: Radom-Szkolna, Auschwitz, Vaihingen-Enz en Unterriexingen. Ik heb zoveel verschrikkelijke dingen meegemaakt die niet te beschrijven zijn, zoals de liquidatie van bijvoorbeeld het getto van Radom. Ik heb de rechtbank dan ook gezegd dat een mens niet in staat is om die verschrikkelijke dingen precies te beschrijven en ik wil het ook niet. Er zijn geen woorden voor, tenzij je een begenadigd romancier ben. Bovendien wil ik mezelf ook een beetje beschermen.’

 

Toch heeft u toen u tegen het eind van de oorlog tyfus kreeg en in een ziekenhuis belandde, uw ervaringen opgeschreven

 

‘Ik dacht toen bij mezelf: als ik ooit mijn verhaal wil vertellen, dan wil ik het eerst vastgelegd hebben. Dat heb ik gedaan op de achterkant van Duitse formulieren die in dat ziekenhuis voorradig waren, zodat men later niet zou zeggen dat ik dat allemaal achteraf had bedacht. Bovendien waren mijn herinneringen nog kersvers en was ik bang dat ik anders de helft zou vergeten. Die formulieren waren van houthoudend papier en die begonnen na de oorlog te vergelen. Ik heb toen een vriendin, die later mijn vrouw is geworden, gevraagd mijn aantekeningen over te tikken. Een kopie van dat verslag heb ik ook gegeven aan de voorloper van het RIOD. Later is dit verslag de basis geworden voor mijn boek Binnen de poorten.’

 

In dat boek beschrijft u hoe u na de bevrijding terugkeert in Amsterdam, naar de plekken gaat waar u met uw vrouw gewoond heeft en het wel had willen uitschreeuwen dat u verwond was.

 

‘Verwond omdat ik zoveel had meegemaakt in die twee jaar in de kampen. De mensen die ik tegenkwam in Amsterdam, klaagden over de honger die ze in de hongerwinter hadden geleden. Ik dacht: je moest eens weten wat er verderop in Europa gebeurde. Ieder heeft zijn eigen problemen, maar ik vind dat er een groot verschil is tussen hongerlijden en de dagelijkse gedachte: haal ik de volgende dag nog wel. Die onverschilligheid tegenover mij heeft me veel pijn gedaan, omdat ik toen besefte dat ik verwond was. In de kampen had ik geen tijd om daarover na te denken. Je moest strijden voor een stukje brood, een lepel soep, een nacht kunnen slapen, Arbeitsfahig blijven want anders ging je naar de gaskamer.

 

Ik ben weer naar de drukkerij gegaan waar ik na de Februaristaking was ontslagen. Ik wilde de oorlog van mij afschudden door vooruit te kijken en niet meer achterom. Natuurlijk doe je dat wel bij tijd en wijle, maar ik wilde een nieuw leven opbouwen. Ik was alleen, later bleek dat mijn moeder en zuster de oorlog hadden overleefd en in Zweden zaten, mijn vader was vermoord in Sachsenhausen. Het eerste wat ik deed was weer aan het werk gaan en een cursus ‘Bedrijfsleiding in het grafische bedrijf volgen. Ik had een middelbare schoolopleiding gehad en was voor de oorlog drukker.’

 

Hoe lukt dat een oorlog van je afschudden?

 

‘Je bent natuurlijk nooit voor 100% afgesloten van die oorlog. Er waren altijd wel weer momenten dat je eraan terugdacht en zeker de eerste jaren. Ik had toen grote problemen met slapen, veel nachtmerries, maar dat is in de loop der tijd overgegaan. Ik heb nooit een psychiater gezien. Ik was een vrij man, zij het met een enorm groot gat, alles verloren, mijn vrouw, een groot deel van mijn familie, mijn huis, goederen. Ik heb nog een tijdje geworsteld met de Schade-enquêtecommissie die mijn verhaal niet voor zoete koek aannam. Ik moest bewijzen waar ik gewoond had. Er was niemand die naar me omkeek. Ik moest het allemaal zelf verstouwen totdat ik trouwde met degene die mijn aantekeningen uit het ziekenhuis had overgetikt.

 

Ik had zoveel familieleden verloren, maar ik kon ze niet meer terughalen. Ik leefde nog en wilde wat van mijn leven maken. Bijna 40 jaar heb ik bij de Arbeiderspers gewerkt, eerst als chef expeditie, daarna werd ik algemeen bedrijfsleider. Toen de Arbeiderspers het bedrijf voortzette in Rotterdam werd ik hoofd personeelszaken. Ik was bezeten van mijn werk en wilde de oorlog achter mij laten.’

 

U was bezeten van uw werk, hoe is het boek Binnen de poorten dat in 1982 verscheen, dan tot stand gekomen?

 

‘Halverwege de jaren zeventig werd ik geïnterviewd door een journalist van Het Vrije Volk die gehoord had dat ik als jood in een kamp had gezeten. Dat was eigenlijk de omslag. Ik had mijn verhaal aan hem verteld en dat stond in onze eigen krant, zij het beperkt want een krant is geen boek. Toen dacht ik: nu ik het eindelijk heb prijsgegeven kan ik niet meer stoppen. Nu wil ik me verder ook wijden aan de geschiedenis, mijn eigen geschiedenis. Ik wilde een episode uit het getto van Radom waar ik geweest was aan het papier toevertrouwen, en heb mijn secretaresse gevraagd dat uit te tikken. Zij kwam met de suggestie om er een boek van te maken. Ik heb de oorlog nu zover achter me gelaten, dacht ik, ik heb een bestaan opgebouwd, heb mijn notities uit het ziekenhuis, wat is er op tegen om nu verder te gaan met mijn verhaal te vertellen? Het is tijd om mijn mond open te doen. Ik wil anderen laten weten wat het lot is geweest van een man die in de oorlog zo getreiterd, zeg maar beschadigd is. Je kunt bijna niet geloven dat een mens dat allemaal kan verduren, maar een mens is tot veel in staat en je moet ook de kracht hebben, de wil, om te knokken voor de volgende dag.’

 

Is schrijven een vorm van verwerking voor u?

 

‘Dat weet ik niet. Je zou wel kunnen zeggen dat mijn leven nadat ik in 1982 met de VUT ben gegaan, in het teken staat van de oorlog. Van 1:983 - 1985 was ik medeaanklager tijdens een proces in Hagen tegen SS’ers van Sobibor. Daarover heb ik een aantal artikelen voor Het Vrije Volk geschreven. Ik heb toen ook medegevangenen op video hun verhaal laten vertellen. Die opnamen hebben jarenlang bij mij in de kast gelegen. Het NIOD heeft ze op dvd gezet en laten ondertitelen. In april komt een boek uit met die interviews, waarvoor ik een nawoord schrijf. In 1993 kreeg ik een eredoctoraat voor mijn studie naar Sobibor, waar ik heel blij mee ben en in 1999 was ik betrokken bij de oprichting van de Stichting Sobibor die herden-kingsreizen organiseert. Ik geef ook regelmatig lezingen en ben gastspreker op scholen.

 

Ook al heb ik in detail beschreven wat er in Sobibor gebeurde en geschreven over mijn ervaringen in de andere kampen, ik kan het niet bevatten. Soms denk ik dat ik het zelf niet ben geweest die dit heeft meegemaakt en dat ik over anderen schrijf. Het lijkt een boze droom waarin ik een toeschouwer ben.’

 

U komt in de media zo mild over, kent u gevoelens van haat en wraak?

 

‘Op elke vraag past niet altijd een antwoord. Ik kan me niet herinneren dat ik de laatste jaren echt boos ben geweest, na de oorlog wel, maar nooit in hevige mate, laat ik zeggen: altijd getemperd. Dat is een mechanisme waar je zelf niets aan kunt doen. Je bent zo. Ik denk dat ik op mijn vader lijk. Hij was diamantbewerker van beroep en een bedachtzame man. Als hij wat zei kon je er een huis op bouwen. Hij was kunstzinnig, deed aan muziek, zat in een groot koor. Toen ik drukker wilde worden zei hij tegen mij: “Ik vind het best maar dan moet je eerst een gedegen opleiding volgen. Drukkers en drukkersleerlingen zijn er bij de vleet, maar drukkersleerlingen met een opleiding moet je met een lampje zoeken.” Mijn vader was lid van de SDAP. Toen ik zestien werd mocht ik ook lid worden en dat heb ik gedaan, alhoewel ik toen nog niets van politiek afwist. Mijn vader heeft mij de weg gewezen en is vermoord in Sachsenhausen. Nu raak ik geëmotioneerd.

 

Mijn moeder was een vrolijk mens, altijd grapjes, ook onder moeilijke omstandigheden als er geen werk was. Mijn zus die in Australië woont, wil niet over de oorlog praten. Zij lijkt meer op mijn moeder.

 

Ik ben een actieve man en kan niet stilzitten. Als ik aan iets begin dan doe ik het goed. Of het nou op het gebied is van schilderen, schrijven of knutselen, ik wil het allerbeste en geen half werk afleveren.’

 

Heeft die kunstzinnige kant u ook geholpen?

 

‘Die is heel belangrijk voor me. Mijn vriend Leo de Vries en ik waren uit hetzelfde muzikale hout gesneden. We waren verknocht aan klassieke muziek. Erover praten en delen fluiten hield ons in de oorlog op de been. Iedere avond kijk ik nu naar een zender op de televisie die uitsluitend klassieke muziek uitzendt, of ik zet een dvd op met een concert. Een dag zonder muziek is een verloren dag.

 

Ik slaap wel altijd met een slaappilletje. Dat is vaste prik. Als ik het vergeet merk ik om een uur of drie dat ik niet lekker meer slaap. Geen nachtmerries meer. Een paar maanden geleden kwamen ze wel weer terug. Toen speelde of ik wel of niet medeaanklager zou worden in het proces tegen Demjanjuk. Aanvankelijk wilde ik het niet. Maar die nachtmerries zijn weer voorbij. Ik vind van mezelf dat ik een beetje stressbestendig ben.’

 

Welke lessen wilt u anderen meegeven?

 

‘Een van de belangrijkste dingen in het leven is dat je initiatief moet nemen en niet moet afwachten waar de golven je zullen brengen in die woelige zee. Dat is de les die ik als gastspreker aan jongeren in de klas meegeef.

 

Toen ik in de oorlog mijn eerste oproep kreeg om te gaan werken ben ik naar een specialist gegaan. Ik wilde een attest dat ik ziek was. Ik vertelde dat ik een oproep had gekregen, pijn in mijn maag had en vroeg hem daar eens naar te kijken. Na onderzoek zei hij dat ik een maagzweer had en gaf me een attest. Dat is een van de vele keren dat ik door initiatief te nemen door de mazen van het net ben gekomen.’

 

De boeken van Jules Schelvis Binnen de poorten en Vernietigingskamp Sobibor zijn verschenen bij De Bataafsche Leeuw. Ook zijn nieuwe boek Een jeugd in Amsterdam verschijnt bij deze uitgeverij.

 

Het boek met interviews van overlevenden van Sobibor wordt uitgebracht door Ambos/Anthos uitgevers.

 

LIES SCHNEIDERS is freelance opleider en oud-medewerker van Cogis.

Referentie: 
Lies Schneiders | 2010
Cogiscope : tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld, ISSN 1871-1065 | 6 | 1 | 2-5
Trefwoorden: 
concentratiekampen, haat, interviews, oorlogsgetroffenen, oorlogsslachtoffers, persoonlijke ervaringen, Posttraumatic Stress Disorder (PTSD), Posttraumatische Stressstoornis (PTSS), PTSD (nl), PTSS, schokkende gebeurtenissen, slachtoffers, Sobibor, Tweede Wereldoorlog (1939-1945), verwerkingsproces