Nederlandse vrouwen en de Tweede Wereldoorlog: over sekse, zorg en prestige

Op 18 en 19 juni jongstleden werd door de Bibliothek fiir Zeitgeschichte in Stuttgart (directeur prof. dr. Gerhard Hirschfeld, auteur van onder andere Bezetting en collaboratie. Nederland tijdens de oorlogsjaren 1940-1945) de tweejaarlijkse internationale conferentie gehouden van het ‘Duitse Comité voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog’. Het thema van dit jaar was ‘De rol van vrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog’. Vijf Duitse en vijf buitenlandse sprekers èn spreeksters belichtten diverse politieke en sociale aspecten van de rol van vrouwen voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De bedoeling van de conferentie was het lopend onderzoek te inventariseren en vooral een aanzet te geven tot een vergelijkend perspectief: wat waren de eventuele overeenkomsten tussen diverse Europese landen, wat was uniek aan de vrouwelijke oorlogservaring in een bepaald land?

Hieronder drukken wij de enigszins aangepaste vertaling af van de inleiding die historisch-sociologe dr. J. Withuis hield over de Nederlandse situatie. De aard van deze bijdrage (een lezing voor een internationaal gezelschap) brengt met zich mee dat noten en literatuurverwijzingen ontbreken en dat het beeld schetsmatig en globaal is. Om die bezwaren enigszins te ondervangen heeft de auteur aan de vertaling een kleine literatuurlijst toegevoegd.

 

Wat waren de rol en ervaringen van vrouwen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog en wat voor onderzoek is en wordt daarnaar gedaan?

Om die aan mij voorgelegde vragen te beantwoorden zal ik beginnen met een korte schets van de vooroorlogse situatie; daarna volgt een overzicht van de rol van vrouwen tijdens de oorlogsjaren; ik eindig met de wetenschappelijke discussie over wat die jaren hebben betekend voor de maatschappelijke positie van vrouwen en met enige opmerkingen over de stand van zaken in het onderzoek.

Nederland was voor de oorlog geen erg modern land. Het werd gekenmerkt door een hoge mate van verzuiling; mensen deelden gewoonlijk met hun familie, vrienden en kennissen eenzelfde levensbeschouwing of religie, en het culturele leven - politieke partijen, scholen, verenigingen, kranten en zelfs sportactiviteiten - was volkomen langs die ideologische lijnen georganiseerd. Behalve in de breedte gesegmenteerd, was de Nederlandse samenleving ook sterk hiërarchisch geordend: de meerderheid

van de bevolking was a-politiek en gezagsgetrouw en geschokt door de confrontatie met een oorlog; de oorlogsdreiging was van hogerhand langdurig ontkend en anders dan andere landen hadden wij al ongeveer een eeuw geen oorlog gekend. Wat vrijheid van levensstijl betreft, was er een enorm verschil tussen stad en platteland.

Vrouwen, speciaal gehuwde vrouwen, participeerden in extreem geringe mate in de openbare sfeer van arbeid en politiek. Van alle gehuwde vrouwen werkte maar 2% buitenshuis, van de rooms-katholieke en protestantse vrouwen bijna niemand. Hoewel anders dan in België, Frankrijk en Italië vrouwen in Nederland al wel stemrecht hadden, waren zij maar zelden lid van een politieke partij en er zaten bijna geen vrouwen in het parlement. Het leven van vrouwen speelde zich nagenoeg volledig af in de beperkte kring van gezin en zuil. Wel waren hun blikveld en hun contacten enigszins verruimd met het ontstaan, in de jaren twintig en dertig, van zuilgebonden vrouwenorganisaties (die meteen veel leden trokken). Vooral bij de rol die gereformeerde vrouwen later vervulden in het verzet, in het bijzonder in de hulp aan onderduikers, waren die contacten buitenshuis van belang; het was een hoofdbestuurslid van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen die onze grootste organisatie voor hulp aan onderduikers opzette, de LO. Zijzelf, Helena Theodora Kuipers-Rietberg, bekend als ‘tante Riek’, stierf in 1944 in het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück.

Het feminisme was in Nederland, net als elders, in de jaren twintig en dertig nagenoeg verdwenen, maar midden jaren dertig deed zich een opleving voor toen de Nederlandse regering gehuwde vrouwen bij wet alle betaalde arbeid, op werk als dienstmeisje na, wilde verbieden. Door vrouwen uit zeer uiteenlopende politieke richtingen werd toen een breed protestcomité gevormd (het ‘Comité ter Verdediging van de Vrijheid van Arbeid van de Vrouw’, CWAV). Via het daaruit voortgevloeide vrouwennetwerk werden voor en na mei 1940 belangrijke activiteiten opgezet voor het redden van Nederlandse en niet-Nederlandse joodse kinderen.

Behalve met het vooroorlogse mentale klimaat, hield de rol van vrouwen gedurende de oorlogsjaren ook verband met de nationale en internationale ontwikkelingen tussen ’40 en ’45. Het Nederlandse verzet kreeg in hoge mate vorm in reactie op het beleid van de bezetters. Aangezien Nederland bezet was, kenden wij geen scheiding van ‘home-’ en ‘battlefront’ zoals Frankrijk en Engeland gedurende de Eerste en de Verenigde Staten gedurende de Tweede Wereldoorlog; ons land was niet in oorlog. Een paar dagen na de Duitse inval en het bombardement op Rotterdam had Nederland gecapituleerd; het ambtenarenapparaat werkte merendeels door; de koningin en haar regering vluchtten naar Londen en vormden een regering-in-ballingschap. Wij hadden dus geen bestuursstructuur zoals die van Vichy-Frankrijk.

Ook een ‘Rosie-the-Riveter’ (‘Klaartje Klinknagel’) hadden wij niet, dat fameuze Amerikaanse symbool voor vrouwen die in de oorlogsindustrie werkten en na de oorlog, toen de mannen van het front terugkeerden, als dank voor bewezen diensten hun ontslag kregen. Bij ons geen mannen, zonen en verloofdes die ten strijde trokken en geen oorlogsindustrie die gaande moest worden gehouden. Aangezien de Nederlandse industrie steeds meer voor Duitsland moest werken, waren er hier geen banen die om vaderlandslievende redenen moesten worden waargenomen. Integendeel, het innemen van een mannenbaan werd als collaboratie beschouwd. Nadat de Duitsers via de ‘Arbeits-einsatz’ hadden gepoogd om Nederlandse mannen te werk te stellen in Duitsland, stelden ze vervolgens (zwakke) pogingen in het werk om Nederlandse vrouwen en meisjes de leeggekomen plaatsen te doen innemen. Zonder veel succes. Een pamflet, hoogstwaarschijnlijk van de hand van de prominente feministe mr. dr. M.A. Tellegen, voor de oorlog voorzitster van het CWAV en erna Directeur van het Kabinet van de Koningin, riep meisjes op deze gedwongen arbeid te weigeren en desnoods onder te duiken. In het totaal werkten naar schatting 30.000 vrouwen in Duitsland, naar wier achtergronden en motieven wij helaas moeten gissen. Een half miljoen Nederlandse mannen werkte in Duitsland. Hun werk zal zeker soms door vrouwen zijn overgenomen (en nader onderzoek daarnaar is beslist gewenst), maar we kunnen wel voor zeker aannemen dat de oorlog in het sekse-gesegregeerde arbeidspatroon geen belangrijke verschuiving veroorzaakte.

Vanuit een vergelijkend perspectief is dat een interessant gegeven. Immers, in Engeland en de Verenigde Staten werkten vrouwen wel op grote schaal in banen die voorheen voor hen afgesloten waren zoals de zware industrie. Er werden ook voorzieningen als kinderopvang opgezet. Maar de zojuist in het Nederlands vertaalde serie Geschiedenis van de vrouw, onder redactie van George Duby and Michelle Perrot, laat nog eens overtuigend zien, dat de naoorlogse periode in alle Westerse landen een aantal opvallende overeenkomsten vertoonde: de babyboom, de ideologie van het full-time moederschap en zeer restrictieve stereotypen aangaande vrouwen en vrouwelijkheid. Moeten we dus concluderen dat het helemaal niet uitmaakte of vrouwen gedurende de oorlogsjaren al dan niet hadden gewerkt? Ik kom hier later op terug.

Als gezegd: de rol van vrouwen staat in relatie tot de militaire en politieke ontwikkelingen. In de eerste periode van de oorlog, tot ongeveer februari 1941, betrachtten de bezetters een zekere terughoudendheid. Hun voorbereiding van de jodenvervolging was niet erg zichtbaar; de bevolking werd met rust gelaten. Verzet was nog schaars. Internationaal behaalde Duitsland militaire successen en de verwachting van een langdurige Duitse overheersing maakte dat Nederland trachtte zich zo goed mogelijk aan te passen aan de nieuwe situatie. Of erger: in de eerste twee bezettingsjaren steeg het ledental van de Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisatie van 1500 tot 20.000. Wederom

moet ik helaas melden dat we van deze vrouwen en hun motieven nagenoeg niets weten.

In de tweede periode, toen de nazi-politiek verhardde, begon het verzet te groeien. Bij de organisatie van de fameuze Februaristaking van 1941, tegen de razzia’s in de Amsterdamse jodenbuurt, was een aantal vrouwen, vooral communistes, betrokken. Sommigen van hen, behorend tot de eerste Nederlanders die werden gearresteerd om politieke redenen, kwamen in Ra-vensbrück terecht, waar in totaal tussen de 800 en 1050 Nederlandse vrouwen gevangen hebben gezeten (verschillende bronnen geven hierover uiteenlopende cijfers) en waar ten minste 200 a 300 Nederlandse vrouwen en kinderen zijn omgekomen (ook sterftecijfers zijn niet exact te geven, mede omdat veel vrouwen weer op transport werden gesteld; van alle Nederlandse vrouwen die in Ravensbrück gevangen hebben gezeten overleefde niet meer dan de helft de oorlog).

De jodendeportaties begonnen in 1941. Uit Nederland werd een hoger percentage joden weggehaald dan uit enig ander land. Van de 160.000 joden, onder wie 140.000 mensen met vier joodse grootouders, de zogenaamde ‘Volljuden’, werden 102.000 personen vermoord. Voorzover ik weet zijn er geen cijfers bekend over precieze aantallen mannelijke en vrouwelijke slachtoffers, noch zijn er eenduidige redenen om aan te nemen dat het nazisme mannen of vrouwen meer of minder trof. Wel was het soms zo dat vrouwen en kinderen als eersten werden geselecteerd voor transport of gaskamer omdat mannen werden ‘gesperrt’, vastgehouden als dwangarbeiders; dat was echter waarschijnlijk hooguit uitstel van executie. Ook zijn er bij mijn weten geen onderscheiden aantallen bekend van joodse mannen en vrouwen die zelfmoord pleegden, vluchtten of onderdoken.

In het verzet, dat in deze periode toenam, lag de rol van vrouwen grotendeels in het verlengde van hun traditionele sekserol-len, zij het dat die vaak voor omgekeerde doeleinden werden benut. Er zijn allerlei verhalen bekend - nu vermakelijk - over vrouwen die hun korsetten en kleren vol hadden gestopt met pamfletten of zelfs wapens en die dan door Duitse officieren werden geholpen omdat ze dachten een hulpbehoevende zwangere voor zich te hebben; en over Duitsers die zich vriendelijk over mooie blonde baby’s bogen, die echter op matrasjes lagen waaronder verzetskranten of pamfletten waren verstopt. Niet voor niets heet een van de weinige boeken over verzetsvrouwen Kinderwagens en corsetten.

Een van de verzetsactiviteiten waarin bijzonder veel vrouwen waren betrokken, was het wegsmokkelen van joodse baby’s uit de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, van waaruit de deportaties werden volvoerd. Behalve activistes uit het CWAV, speelde in het vrouwennetwerk dat zorgde dat deze kinderen konden ontsnappen en dat er adressen voor hen gevonden werden, de voorzitster van de Vereniging voor Academisch-gevorm-de Christenvrouwen, dr. Gesina van der Molen, een hoofdrol. De kinderen werden onder de ogen van hun vervolgers vandaan gestolen en dan naar adressen door het hele land gebracht, vooral door studentes en andere jonge vrouwen, de enigen die zonder dat het al te verdacht leek, met een baby over straat konden. Wat natuurlijk niet wegneemt dat het een riskante bezigheid was.

Dat geldt evenzeer voor het verbergen van andere onderduikers - joodse en niet-joodse Nederlanders. Naar schatting hebben gedurende de oorlogsjaren 25.000 joodse en 300.000 niet-joodse Nederlanders ondergedoken gezeten om te ontkomen aan vervolging of Arbeitseinsatz, vooral dat laatste. Wat betekent dat gegeven? Het is niet bekend hoeveel gezinnen hierbij precies betrokken zijn geweest. Mensen hadden soms meer dan één onderduiker en onderduikers moesten vaak van adres naar adres trekken. Maar laten we veronderstellen dat in zo’n 300.000 gezinnen iemand ondergedoken heeft gezeten. Dat zou betekenen dat 300.000 vrouwen, van wie velen nooit politiek geïnteresseerd waren geweest, opeens medeplichtig waren aan illegale of ten minste clandestiene daden, daden die ook henzelf en hun gezinnen in gevaar brachten; door gewoonweg, zij het onder zware omstandigheden, hun huishouden te doen, kwamen zij - om het sterk te stellen - in aanraking met de wereldpolitiek.

En dat was niet het enige: het was moeilijk om betrouwbare adressen voor onderduikers te vinden (vooral voor joodse!), maar voor elke ondergebrachte vluchteling was bovendien een compleet net van helpers vereist om voor vervoer te zorgen, voor voedselbonnen, voor valse papieren, soms voor medische zorg en vaak voor geld voor achtergebleven gezinsleden. Bij al die activiteiten, zoals de illegale industrie die werd opgezet om valse persoonsbewijzen te maken, waren vrouwen betrokken. Al deze mensen leefden continu in angst voor verraad, voor buren die wat zouden merken, voor een postbode die een gordijntje zag bewegen, voor visite die een zolder hoorde kraken. En voor de kans dat zijzelf of anderen zouden worden gearresteerd en wellicht gefolterd om namen te geven. Nederland is niet het gemakkelijkste land om mensen te verbergen.

Vrouwen werden in het georganiseerd verzet belangrijker naarmate de bezettingsmacht harder optrad. Voor 1943 waren vrouwen niet overal even welkom geweest. Er heerste, met name in de protestant-christelijke groepen, nogal wat mannelijk chauvinisme; en hoewel dat in de meer liberale en linkse groepen minder het geval was, is toch het algemene beeld dat vrouwen vooral een ondersteunende rol vervulden. Ze waren vaak gastvrouw voor vergaderingen en verzorgden onderdak, eten en emotionele opvang voor mannen die veelal full-time ondergronds waren. Ook zulke gastvrouwen Hepen vanzelfsprekend gevaar; bovendien was het niet eenvoudig om in een land waar het eten schaars werd, meer mensen te verzorgen dan het eigen gezin.

Hoe moeilijker het voor mannen werd vrijuit door het land te reizen of gewoonweg de straat op te gaan (er werden razzia’s gehouden om mannen voor de Arbeitseinsatz op te pakken), hoe onmisbaarder de vrouwen werden. Na ongeveer 1943, toen de Duitsers ook de niet-joodse bevolking begonnen te terroriseren, fietsten honderden koeriersters het land door, op fietsen zonder banden, met wapens, boodschappen, waarschuwingen, kopij en

lood voor de illegale pers, etcetera. In de laatste periode van de oorlog waren de illegaliteit en bijvoorbeeld de illegale Communistische Partij bijna geheel afhankelijk van deze koeriersters.

Een laatste verzetstaak van vrouwen die ik hier wil noemen, was neergeschoten Engelse en Amerikaanse piloten te helpen het land uit te komen. Vaak deden ze zich daarbij voor als hun vriendin. Deze taak - ‘hulp aan de vijand’ in oorlogsjargon -bracht extreme spanningen met zich: per trein het land doorreizen met iemand die geen woord Nederlands spreekt, met overal mogelijk Duitse of ‘foute’ medereizigers en op elk station patrouilles en controles.

In het laatste oorlogsjaar was de Nederlandse samenleving totaal ontwricht: gezinnen waren uit elkaar gerukt en met name in de westelijke provincies heersten chaos, honger en schaarste. Gedurende de ‘hongerwinter’ van 1944-1945, die ook nog eens extra koud was, stierven 20.000 mensen. Je gezin warm, gevoed en gezond houden - vanouds en ook toen de taak van vrouwen -werd met de dag moeilijker. Aangezien eerste levensbehoeften nagenoeg ontbraken, vereiste het huishouden veel inventiviteit en improvisatietalent. Het is bekend: van tulpebollen werden koekjes gebakken, er werden suikerbieten gegeten, bomen werden gekapt en treinbielzen gestolen voor de haard, gebreide spreien werden uitgehaald om er iets nuttigers van te maken. Er waren geen kolen, geen luiers, geen verband- en wasmiddelen meer, en geen echtgenoten bovendien. Veel mannen waren ondergedoken of in Duitsland, en ook al waren ze thuis, dan nog konden ze nauwelijks meer veilig de straat op. Vrouwen en kinderen uit de grote steden liepen vaak dagenlang naar het noorden en oosten - de bekende ‘hongertochten’ - in de hoop wat eten los te krijgen, vaak voor veel geld, of in ruil voor sieraden of linnengoed. Nederlandse vrouwen moesten nu zichzelf zien te redden, terwijl zij voor de oorlog gewend waren geweest dat alle zaken buitenshuis door hun man werden geregeld. Hoezeer het alledaagse leven in dit laatste jaar werd aangetast door deze totale oorlog kan worden geïllustreerd met demografische statistieken: na de slag om Stalingrad en vervolgens toen de Duitse nederlaag in de zomer van 1944 nabij leek, steeg het aantal concepties enorm, om in de winter daarna tot een dieptepunt te dalen.

In het gangbare onderzoek naar de oorlog zijn vrouwen maar zelden onderwerp geweest en ook de vraag naar wat sekse toen betekende, is zelden gesteld.

Wat ik bedoel met ‘de vraag naar de betekenis vaii sekse’ behoeft wellicht uitleg. Het onderzoek in ‘vrouwenstudies’ is de laatste jaren opgeschoven van onderzoek naar ‘vrouwen’ sec in de richting van vragen naar de sociale en culturele betekenis die samenlevingen, culturen en mensen gaven of geven aan biologische verschillen tussen de seksen. Zoals je over rassenpolitiek wijsheid op kunt doen door onderzoek te doen naar de maatschappelijke betekenis van huidskleur (wat niet per se onderzoek naar gekleurde mensen hoeft te zijn), zo kun je onderzoek doen

naar ‘sekse’ (waarvoor veelal de Engelse term ‘gender’ wordt gebruikt) door te bekijken hoe (on)belangrijk in de ene of de andere samenleving mensen het verschil tussen de seksen vinden, of naar de vraag in hoeverre aan het behoren tot een bepaalde sekse discriminatie en bijvoorbeeld ruimtelijke segregatie worden verbonden, of naar de vraag welke soort eigenschappen mensen aan mannen en vrouwen toebedelen etcetera.

Onderzoek naar sekse is van een hoger abstractieniveau dan onderzoek naar vrouwen, en maakt een meer gedistantieerde houding mogelijk - het doet geen uitspraken over hoe mannen of vrouwen zijn maar over hoe een bepaald fysiek verschil in een samenleving werkt als een sociaal onderscheid; het is bovendien radicaler, omdat het het sekse-onderscheid op zich wil ontleden, als een maatschappelijk indelingsprincipe, in plaats van alleen te kijken wat vrouwen en/of mannen zoal deden of doen.

Dat naar vrouwen in de Tweede Wereldoorlog zelden apart onderzoek is gedaan, is een van de redenen waarom het moeilijk is cijfers te geven. Zeker is echter dat vrouwen alle mogelijke rollen hebben vervuld: ze waren slachtoffers, verzetsstrijdsters, spionnen én agenten, en alles daartussenin. Ze waren ook nazi’s en collaborateurs. In Nederland is weliswaar nog niet zo’n opzienbarend ‘geval’ beschreven als de beruchte Duitse Gestapo-‘vanger’ Stella Goldschlag, maar wel werd na de oorlog één vrouw, Ans van Dijk, ter dood gebracht om haar aandeel in de jodenmoord. Het aantal vrouwen dat meedeed aan het gewapend verzet was gering; van ten minste zes Nederlandse vrouwen is bekend dat zij in Nederland of Duitsland werden geëxecuteerd wegens hun aandeel in sabotage of liquidaties.

Wat het verdere ‘georganiseerd’ verzet betreft: geschat wordt dat 10% van het verzet uit vrouwen bestond, dat wil zeggen dat er zo’n 3000 vrouwen verzetsactiviteiten hebben gepleegd, zij het dat ‘het verzet’ voor hen minder vaak dan voor mannen een fulltime levenswijze was. Dit soort cijfers moet echter (niet alleen wat vrouwen aangaat) met veel korrels zout worden genomen; het verschijnsel verzet is nauwelijks meetbaar en historici hanteren bovendien veel uiteenlopende definities van ‘verzet’, definities die veel van wat vrouwen deden buitensluiten. Onderduikers hebben gehad en andere huiselijke vormen van anti-Duits gedrag vallen er bijvoorbeeld meestal niet onder en ook wordt vaak onderscheid gemaakt tussen ‘georganiseerd’ en individueel verzet; veel daden van vrouwen vallen ook buiten de categorie ‘verzet’ omdat zij ten doel hadden mensen te redden in plaats van de natie.

Aangaande de sociale achtergrond van wat volgens bovenomschreven criteria (dus zonder bijvoorbeeld onderduikneemsters) de ‘echte’ verzetsstrijdsters waren: het aantal gereformeerde, vrijzinnige en onkerkelijke vrouwen was hoger dan op grond van hun bevolkingsaandeel te verwachten zou zijn, het aandeel van rooms-katholieke vrouwen lager. Verzetsvrouwen waren meestal jong en ongetrouwd en als ze getrouwd waren hadden ze zelden jonge kinderen. Ze waren vaak hoger opgeleid dan de gemiddelde Nederlandse toen was, met uitzondering van de communistes,

die zeer actief waren maar meestal slechts lagere school hadden. Verder was de kans groot dat zij een baan hadden (gehad) en in de stad woonden. Een getrouwde vrouw met kinderen die op het platteland woonde en vaak van huis was zou in toenmalig Nederland meteen verdacht zijn geweest.

De oorlog had dus een enorme invloed, ook op het leven van niet-joodse vrouwen, en ook op wie geen actieve betrokkenheid hadden bij verzet of verraad. Wat heeft dat alles nu later voor uitwerking gehad?

Vrij algemeen is door wetenschappers gesteld dat de oorlog de maatschappelijke positie van de Nederlandse vrouw niet substantieel heeft gewijzigd. Die veronderstelling klopt als we naar de harde feiten kijken: het aandeel van Nederlandse vrouwen op de arbeidsmarkt en in de politiek begon eigenlijk pas na 1980 flink te stijgen. Maar het plaatje wordt anders, althans gecompliceerder, als we andere zaken in aanmerking nemen, zoals het verhoogde seksebewustzijn van 1945. Er werden in de eerste jaren na de oorlog door vrouwen diverse politieke bijeenkomsten gehouden over de vraag wat je als vrouw zou moeten stemmen. Verzetsvrouwen uit allerlei stromingen en richtingen repten van een gegroeid maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel en een vergroot zelfvertrouwen. ‘Niet meer zijn wij zwakke vrouwen maar een nieuw en fier geslacht’, luidde het refrein van het Lied der Vrouwen van de in 1946 opgerichte organisatie NVB. Het initiatief tot deze NVB (‘Nederlandse Vrouwenbeweging’) werd met name genomen door overlevenden van het vrouwenkamp Ravensbrück. De organisatie (onderwerp van mijn proefschrift Opoffering en heroïek) ontwikkelde zich al snel tot een overheersend communistische vrouwenvereniging, maar wat er relevant aan is voor de geschiedschrijving van ‘vrouwen en oorlog’ is dat in de NVB, net als in andere vrouweninitiatieven uit de jaren ’44-’48, de overtuiging leefde dat vrouwen diepgaand waren veranderd. Sterker nog: vrouwen meenden dat ze hun waarde nu wel hadden bewezen en verwachtten te worden beloond voor hun inspanningen. ‘We hadden liever gelijke rechten gehad dan standbeelden’, zeiden zij toen zo rond 1950 mannen hun oude posities hadden hernomen en vrouwen als vanouds thuis zaten.

Om te verklaren waarom zichtbare verandering dan toch uitbleef moeten we, lijkt mij, kijken naar ‘'gender'’ in plaats van te blijven debatteren over de vraag of de oorlog nu wel of niet een ommekeer betekende. Verschillende wetenschapsters, zoals de antropologe Michelle Rosaldo en de historica Natalie Zemon Davis, hebben voorgesteld het sekseverschil op te vatten als een ‘prestigestructuur’. Dat wil zeggen dat iemands sekse bepaalt hoe zijn/haar daden worden beoordeeld en gewaardeerd, en niet wat iemand nu precies doet. (Zo ongeveer zoals het prestigieuze beroep van arts in de Sovjet-Unie volledig in aanzien daalde toen dat een vrouwenvak werd. Of zoals een rondhangende zwarte in een racistisch land als een potentiële dief wordt gezien terwijl een blanke die op dezelfde manier rondhangt waarschijnlijk

beleefd wordt gevraagd of hij de weg kwijt is.) Kijken naar sekse/gender als een primair maatschappelijk indelingscriterium kan verklaren waarom die nieuw-gepraktizeerde autonomie en zelfs de vrouwelijke deelname aan het gewapend verzet, niet automatisch tot een breuk in de traditie leidden.

Bekijken we bijvoorbeeld de (auto)biografische literatuur en de geschiedschrijving van kort na de oorlog, dan zien we dat verzetsvrouwen, als hun aandeel al niet volledig werd verdonkeremaand, sterk werden gestereotypeerd. Wat ze deden, en waarom, werd ingepast in traditionele ideeën over hoe en wat vrouwen (en mannen) zijn. Verzetsvrouwen worden (niet alleen door mannen) emotioneel, irrationeel en roekeloos genoemd, en daarom alleen bruikbaar onder mannelijke leiding. Ze waren moedig, dat zeker, maar hun moed moest in bedwang worden gehouden door de verstandige en rustige beslissingen van mannen. Tegelijkertijd worden de vrouwen geroemd om hun uithoudingsvermogen, hun zorgzaamheid en hun bereidwilligheid alsmaar weer hun kameraden te troosten en op te vangen met surrogaatkoffie, zelfs als zijzelf degenen waren die net terugkeerden van een gevaarlijke opdracht.

Vrouwen deden veel in de oorlog, maar wat ze deden kon bijna altijd worden geïnterpreteerd als een uitgebreidere invulling van wat traditioneel als het wezen der vrouw werd beschouwd. Hun verzetsnamen illustreren dit: de moeder van de knokploeg, tante Riek, mammie Boissevain. In Geschiedenis van de vrouw hebben Marjan Schwegman en ik dan ook geconcludeerd dat op het eind van de oorlog onbedoeld op grote schaal een variant werd gepraktizeerd van een oud ideaal uit de eerste feministische golf: het ideaal van een symbolisch en sociaal moederschap. Dit concept, ook wel ‘geestelijk moederschap’ genaamd, was ten tijde van de eerste golf gebaseerd op de gedachte dat alle vrouwen, ongeacht of ze kinderen hebben, een soort intuïtieve moederlijkheid zouden bezitten, een beschermende neiging ten opzichte van al wat zwak en hulpbehoevend is. Het eerste-golfideaal hield ook in dat het algemene belang van zulk moederschap door anderen werd ingezien; dat door de samenleving werd erkend hoe noodzakelijk dat - onderschatte -vrouwenwerk is voor het functioneren van de openbare sfeer (en voor het werk buitenshuis van mannen). Het lijkt erop dat veel van dit ideaal nu onbedoeld was verwerkelijkt.

Het verschil tussen huisvrouw-zijn voor en tijdens de oorlog was dat huishoudelijke taken en het verzorgen van mensen vooral aan het eind van de bezettingstijd een politieke lading kregen. De grens tussen openbaar en privéleven werd vaag. De toenemende zwaarte van het huishouden (voor een soms extra uitgebreid gezin) werd niet langer beleefd als het geïsoleerd geploeter van individuele vrouwen maar als een collectief-vrouwelijke inspanning om het vaderland in stand te houden tot de be vrij ding daar zou zijn. En in dat gevoel, in het tweezijdige proces waarin aan de ene kant de verzetsdaden van vrouwen werden ondergewaardeerd en geminimaliseerd terwijl tegelijk het belang van hun huisvrouwschap plots werd ingezien, moeten we, lijkt mij, de verklaring zoeken voor de naoorlogse ontwikkelingen (waarin immers alle nadruk op de huisvrouwenrol kwam te liggen).

Vrouwen werden na 1945 op grote schaal geprezen om de manier waarop ze hun ‘typisch-vrouwelijke’ eigenschappen ten behoeve van de natie hadden ingezet, maar zelf deden ze dat ook. Als we het verse seksebewustzijn van 1945 feminisme willen noemen, dan was het een vmc/iz'/feminisme. Prominente feministische overlevenden van Ravensbrück startten na hun terugkeer allerlei vrouwenactiviteiten waarin het ‘anders-zijn’ van vrouwen (ingevuld als hun moederlijkheid) werd benadrukt. In die vrou-wemisie. echter gingen nadruk op verschil en de eis van gelijkheid samen: juist omdat vrouwen ‘anders’ waren en omdat een tekort aan vrouwelijke invloed de wereld deze oorlogsramp had gebracht, moesten vrouwen meer rechten en politieke invloed krijgen. Omdat ze ‘anders’ waren moesten ze gelijk worden. Helaas kwam van dat laatste deel van hun programma niet direct iets terecht: het veronderstelde anders-zijn van vrouwen was het uitgangspunt voor hun sociale positie in zowel de wederopbouw als de Koude-Oorlogsperiode. Sterker nog: de jaren vijftig - en dit geldt voor alle westerse landen - waren de jaren waarin de zogenaamde ‘Feminine Mystique’, de mythe van de ‘vrouwelijkheid’, een ongekend hoogtepunt bereikte. Het idee van gelijkheid ging nagenoeg ten onder. (Overigens niet helemaal, maar het voert te ver om daarop op deze plaats genuanceerder in te gaan.)

Ik baseer deze redenering vooral op mijn eigen onderzoek naar diverse naoorlogse vrouweninitiatieven, waaronder de NVB, die alle laten zien hoezeer de notie van een symbolisch moederschap vrouwen toentertijd verenigde. De NVB was niet uniek; er werden tijdens en net na de oorlog meer vrouwenorganisaties opgezet, stuk voor stuk op grond van de oorlogservaringen van vrouwen en stuk voor stuk met de gedachte dat er een nieuwe samenleving op komst was, waarin mensen niet langer zouden worden gescheiden door sekse, klasse of religie. Door hun ‘geestelijk moederschap’ te accentueren, dachten de vrouwen alvast het links-rechtsonderscheid te overbruggen en hun fundamentele eensgezindheid als sekse te demonstreren.

Jammer genoeg - want dit is allemaal mede zo interessant omdat het de historiografisch verwaarloosde bemoeienis van vrouwen met de wederopbouw laat zien - zijn andere organisaties dan de NVB tot nog toe geen onderwerp van diepgaand onderzoek geweest. En dat is niet de enige lacune: voorzover ik dat kan overzien ligt het onderzoek naar vrouwen-in/en-Tweede-Wereldoorlog zowel binnen vrouwenstudies als in de overige universitaire disciplines nagenoeg stil. Dergelijk onderzoek werd voor het eerst enigszins systematisch opgezet in de beginjaren van vrouwenstudies, toen het streven vooral was de ervaringen en bezigheden van vrouwen op te sporen, omdat die in de ‘male-stream’-geschiedschrijving waren verwaarloosd. Het vrouwen-en-oorlog-onderzoek van toen weerspiegelt vanzelfsprekend die vragen en belangstellingssfeer. Zo waren feministische onderzoeksters veelal op zoek naar voorgangsters, voorbeeldvrouwen die konden bewijzen dat er altijd al vrouwen buitenshuis actief waren geweest en dat ook vrouwen een historische rol hadden vervuld. Wat de oorlog betreft leidde die vraagstelling tot een grote belangstelling voor het georganiseerd verzet, met name het meer linkse. Op dat gebied verschenen dan ook in de vroege jaren tachtig een aantal pionierswerkjes en diverse interviews. Ik noemde al Kinderwagens en corsetten, belangrijk was verder vooral Marjan Schwegmans Het stille verzet - de titel spreekt voor zich. Ook een artikel over vrouwen in de hongerwinter zocht vooral naar sporen van militantie: en het vond die, in de gedurfde demonstraties die vrouwen hielden om van de Duitsers meer voedsel te eisen. Al deze publikaties dragen de term ‘verzet’ in hun (onder)titel.

Dat verzetsperspectief echter, dat overigens te vergelijken valt met het goed-fout-perspectief dat onze algehele oorlogsgeschied-schrijving langdurig heeft gedomineerd, heeft (achteraf bezien) mijns inziens een aantal betreurenswaardige blinde vlekken veroorzaakt. Zo werd er allereerst nauwelijks onderzoek gedaan naar joodse slachtoffers of naar nazi-vrouwen; ook weten we weinig van de achtergronden en motieven van vrouwen die onderduikers namen of van de deelneemsters aan het gereformeerde of meer rechtse of meer ‘upp er class ’-verzet. Naar ik recentelijk ontdekte, bevonden zich onder die laatste groep vaak feministen, maar hun soort feminisme, verbonden als het was met de monarchie, was typisch niet het onze. Ten slotte, om deze zeer onvolledige opsomming af te sluiten, ontbreekt het ons aan materiaal aangaande het interessante ‘grijze’ gebied van vrouwen en gender in de diverse vormen van accommodatiepolitiek van het eerste oorlogsjaar.

Gender als theoretische invalshoek zou kunnen helpen deze blinde vlekken in te vullen, omdat het een soort afstandelijkheid levert en niet steeds vraagt om morele uitspraken aangaande wat in sekse-kwesties genoemd wordt: de dichotomie van onderdrukking en verzet, de zwart-wit-tweedeling van vrouwen in ofwel slachtoffers ofwel strijdsters. In mijn eigen onderzoek naar de NVB hielp een gender-perspectief me om de niet-moraliserende positie te vinden die ik broodnodig had omdat het als onderzoekster nu eenmaal niet je taak is partij te kiezen in zoiets controversieels als de naoorlogse geschiedenis van de NVB. Immers: communistische vrouwen waren wat hun verzet betreft heldhaftig, maar hun kampgedrag is omstreden (daarover doen zowel verhalen de ronde van moed en altruïsme als van kwaadaardigheid) en hun houding ten tijde van de koude oorlog - hun verering van Stalin, hun vijandigheden jegens voormalige medegevangenen -was het tegendeel van heroïsch. De NVB kortom maakt alle nadelen van een heldinnenmodel onmiddellijk zichtbaar, want deze vrouwen waren geen slachtoffers maar aantrekkelijke voorbeelden van vrouwenverzet waren ze ook niet.

Een niet-moraliserende analyse ook aangaande andere onderwerpen dan sekse, zou bovendien kunnen helpen de nog steeds bestaande taboes in het onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog op te heffen. Een zo’n taboe is het seksueel geweld dat slachtoffers ondervonden van degenen die wat de Duitse bedreiging betreft, hun helpers waren. Als ergens een ‘conspiracy of silence’ bestaat is het inzake deze feiten, die immers een smet werpen op het fiere blazoen van het verzet. Ikzelf stuitte op verhalen over zulk misbruik bij de bevrijding van het kamp Ravensbrück door de Sovjet-troepen, en in de interviews die Ziporah Valkhoff recentelijk maakte werd door joodse vrouwen die als adolescente ondergedoken waren, misbruik onthuld van de kant van degenen die nu juist hun leven redden.

Een 'gender-perspectief’ is echter geen panacee. Vooral in Nederland, waar dit de belangrijkste theoretische invalshoek in vrouwenstudies is geworden, bestaat de neiging om in navolging van de Amerikaanse historica Joan Scott, gender vooral ‘discursief’ op te vatten, dat wil zeggen: meer op het niveau van ideologische opvattingen en denksystemen over vrouwelijkheid en mannelijkheid, dan als een begrip dat betrekking heeft op de ervaringen en gevoelens van personen. In mijn eigen werk heb ik steeds gepoogd een gelaagd gen Eerbegrip toe te passen teneinde zowel de beelden van vrouwelijkheid, als de ervaringen van vrouwen alsook psychische processen zoals traumatisering in het onderzoek te integreren. Misschien verklaart de dominantie van de discursieve opvatting van gender, die onderzoek naar gender haast beperkt tot onderzoek naar teksten, waarom het onderzoek naar vrouwen en oorlog is komen stil te liggen; het onderwerp vrouwen-en-oorlog raakt immers direct aan de schokkende ervaringen en hevige emoties van zeer concrete mensen.

Ik ben benieuwd naar de stand van zaken in onderzoek en theorievorming elders.

Geraadpleegde literatuur

Blom, J.C.H. (1980), ‘De Tweede Wereldoorlog en de Nederlandse samenleving: continuïteit en verandering’, Crisis, bezetting en herstel. Tien studies over Nederland 1930-1950. Den Haag 1989, pp. 164-183. Blom, J.C.H., ‘Nederland onder Duitse bezetting; 10 mei 1940 - 5 mei 1945’, Geschiedenis van het moderne Nederland. Politieke, economische en sociale ontwikkelingen. Houten 1988, pp. 481-516.

Breur, D., Een verborgen herinnering. Tekeningen van Aat Breur uit Ravensbrück. Amsterdam 1983.

Graaff, B. de, L. Marcus, Kinderwagens en corsetten. Een onderzoek naar de sociale achtergrond en de rol van vrouwen in het verzet, 1940-1945. Amsterdam 1980.

Hirschfeld, G. (1984), Bezetting en collaboratie. Nederland tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, Haarlem 1991.

Holt-Taselaar, A.M.J. ten, ‘Vrouwen en meisjes in het verzet’, in: J.J. van Bolhuis e.a. (red.), Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd III, Arnhem/Amsterdam z.j., pp. 818-827.

Marrenga, E., ‘De Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisatie’, in:

M. Grever, C. Wijers (ed.), Vrouwen in de twintigste eeuw. De positie van de vrouw in Nederland en de Verenigde Staten van Amerika, 1929-1969, IJsselstein 1988, pp. 37-42.

Schwegman, M., Het stille verzet. Vrouwen in illegale organisaties Nederland 1940-1945. Amsterdam 1980.

Schwegman, M., J. Withuis, ‘Moederschap van springplank tot obstakel. Vrouwen, burgerschap en natie in Nederland in de twintigste eeuw’, in: George Duby, Michelle Perrot (ed.) Geschiedenis van de vrouw, dl.5:

De twintigste eeuw, Amsterdam 1993 (verschijnt dit najaar).

Stinis, Y.H., ‘Lijfsbehoud. Vrouwen in verzet tegen de honger 1944-1945’, Skript 10:1 (voorjaar 1988), pp. 25-33.

Valkhoff, Z., ‘Leven in een niet-bestaan’. Beleving en betekenis van de joodse onderduik. Een onderzoek naar de geschiedenis van acht joodse vrouwen die tussen 1942 en 1945 in Nederland ondergedoken waren. Utrecht 1992.

Withuis, J., Opoffering en heroïek. De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976. Amsterdam/Meppel 1990.

Withuis, J., ‘De doorbraak en de feestrok. Een uitnodiging tot onderzoek naar de politieke geschiedenis van sekse rond het einde van de tweede wereldoorlog’, De Gids 154:4 (april 1991), pp. 255-268.

Withuis, J., (1992), ‘Zonder naam, zonder ouders, vogelvrij. Ondergedoken kinderen en de complexe constellatie van verlating, woede en dankbaarheid’, in: Z. Valkhoff, ‘Leven in een niet-bestaan’, pp. 9-54.

Referentie: 
Jolande Withuis | 1993
In: Icodo Info , ISSN 0168-9932 | 10 | 2 | augustus | 41-53
Trefwoorden: 
onderzoek, oorlogsgetroffenen, verzet, vrouwen, vrouwenemancipatie