Kind-overlevenden - over kinderen in oorlog en daarna

Inleiding

Er bestaat pas sinds de jaren tachtig aandacht in de sociale wetenschappen voor de gevolgen van oorlogsgeweld bij kinderen. Voor het eerst werd hardop uitgesproken dat kinderen die gezien hadden hoe bombardementen gebouwen verwoestten, hoe vader of moeder, broertje of zusje of een vriendje of vriendinnetje getroffen werd door granaten en beschietingen, nog lange tijd slecht sliepen, slecht aten en slecht in staat waren zich te concentreren op school. (Zie bij voorbeeld publikaties van Hans Keilson, Lenore Terr en Robert Pynoos en collega’s.)

Aanvankelijk stuitte men op veel ongeloof. De gangbare gedachte was dat kinderen weinig merkten van gevaar of er wel overheen groeien. Daarnaast is oorlog geen synoniem voor trauma! Sommige mensen herinneren zich de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld vooral als een groot avontuur en niet zozeer als een extreem schokkende tijd. Vooral oudere kinderen genoten van de ‘ouderlijke anarchie’ en vonden het een reuze spannende periode met grote individuele vrijheid. Na de oorlog moest men weer in het gareel en deden ouders hun best hun kinderen weer aan regels en wetten te doen gehoorzamen.

Het is dus niet mijn bedoeling alle door oorlog getroffen kinderen tot slachtoffer en getraumatiseerd uit te roepen. Dat is een ontkenning van de kracht die mensen in zich hebben om moeilijke situaties het hoofd te bieden en soms onvoorstelbaar groot leed te dragen. Het zou van weinig respect getuigen. Ondanks de ellende weten veel kinderen een goed en gelukkig leven op te bouwen. Toch wil ik benadrukken dat verdriet, machteloosheid en wanhoop die het gevolg zijn van wat in oorlog is meegemaakt, op de verdere levens van vele kinderen een donkere schaduw werpen. Dit gaat op zowel voor kinderen uit de Tweede Wereldoorlog, in Nederland en Nederlands-Indië, als ook voor vluchtelingenkinderen uit hedendaagse brandhaarden - Soedan, Somalië, Rwanda, Afghanistan, Bosnië en Kosovo.

Kinderen die met oorlogservaringen te maken krijgen gaan daar niet allemaal op dezelfde manier mee om. Oorlogen verschillen van elkaar door verschillen in doelen en strategie, gebruikte wapens en de culturele achtergrond van betrokken samenlevingen. Elke oorlog op zich brengt een unieke opeenvolging van gebeurtenissen met zich mee voor ieder individu. Zo zijn er kinderen die één of beide ouders in de oorlog hebben verloren. Er zijn kinderen die opgevoed zijn door een vader die, nadat hij in het leger zijn land had verdedigd, nooit meer de oude is geworden. (Denk bijvoorbeeld aan de roman Indische duinen van Adriaan van Dis, waarin hij zijn naoorlogse, militante vader beschrijft). Er zijn kinderen die het extreem koud hebben gehad, die voedsel en adequate medische zorg hebben moeten ontberen. Veel kinderen konden korte of langere tijd niet naar school omdat het oorlog was.

Ons land wordt sinds decennia geconfronteerd met grote aantallen kinderen die huis en haard hebben achtergelaten omdat ze gevlucht zijn voor oorlogsgeweld. Nu komen ze uit Afghanistan en de Balkan; meer dan een halve eeuw geleden kwamen ze uit voormalig Nederlands-Indië. In de tussentijd waren zij geboren in Hongarije, Chili, Sri Lanka, Iran, Irak en Somalië - om maar enkele gebieden te noemen. In Nederland moeten zij hun best doen om zich aan te passen. Het is hier veilig, maar toch is het voor veel kinderen en hun ouders niet makkelijk. Zolang de asielprocedure voortduurt, is verblijf in Nederland onzeker en kunnen geen plannen voor de toekomst gemaakt worden. We weten nu dat niet alleen de oorlogstijd, maar dat ook de naoorlogse periode, zeer bepalend kan zijn voor latere gezondheid (Keilson, 1979).

Verwerking van traumatische ervaringen door kinderen

In deze bijdrage gaat het om wat kinderen zelf hebben gezien, gehoord en meegemaakt. In oorlog is dat vaak een reeks van ingrijpende gebeurtenissen. In dit opzicht is het oorlogstrauma een heel specifiek trauma (Terr, 1991). Natuurlijk zijn kinderen ook nog eens opgevoed door ouders die niet zelden hun eigen oorlogsgeschiedenis meebrengen. In het algemeen wordt er van uitgegaan dat kinderen op dezelfde wijze als volwassen omgaan met diep ingrijpende ervaringen. In de verhalen die kinderen vertellen wisselen geconfronteerd worden met beelden of geluiden van een gebeurtenis die pijnlijke herinneringen wakker houden en het uit de weg gaan van deze prikkels elkaar af. Deze afwisseling kan gepaard gaan met heftige gevoelens en gewaarwordingen, zoals erg schrikken, erg transpireren of moeite hebben met concentreren. Na verloop van tijd gaan de scherpe kantjes hiervan af. Het kan heel pijnlijk blijven om terug te denken aan wat er gebeurd is. Vaak heeft het kind een onvervangbaar verlies geleden. Het verwerkingsproces geeft uiteindelijk ruimte het eigen leven in een ander daglicht te zien. Zo krijgt de traumatische periode betekenis in het verdere leven. Tot zover lijkt dit proces sterk op de verwerking van trauma door volwassenen. Kinderen hebben ook eigen strategieën tot hun beschikking. In mindere mate dan volwassenenen kunnen ze een beroep doen op verbale uitdrukkingsmogelijkheden, zeker wanneer ze heel klein zijn. Daar staat tegenover dat zij spel en fantasie gebruiken om dat wat hen allemaal is overkomen beter te begrijpen. In spel kan een eigen draai worden gegeven aan wat is gebeurd. Een weerloze toeschouwer kan veranderen in een sterke held. De dramatische afloop van de werkelijke gebeurtenis kan omgezet worden in een gunstiger einde. Op deze manier kunnen kinderen het gevoel terugkrijgen dat ze controle houden over een overweldigende situatie. Hun ongebreidelde fantasie kan zich echter ook tegen kinderen keren. Zo moeten sommige door oorlog getroffen kinderen ervan verzekerd worden dat zij niet schuldig waren aan het feil dat vader niet van het front is teruggekeerd. En dat het bijvoorbeeld niets te maken heeft met de lelijke dingen die er de ochtend van zijn vertrek nog zijn gezegd.

Gevolgen van oorlog

Al naar gelang hun leeftijd reageren kinderen verschillend op ingrijpende gebeurtenissen. Ook bij de late gevolgen van ingrijpende gebeurtenissen is het van belang een onderscheid in leeftijd te maken. We hebben al gezien dat vooral heel kleine kinderen nog niet zoveel in woorden kunnen vertellen. Herbelevingen en angsten blijken bij hen vooral uit spel en gedrag (het slapen bijvoorbeeld). Bij peuters en kleuters kan het opvallen dat ze stiller zijn dan voorheen, verward en van de kaart en dat zij zich meer dan vroeger vastklampen aan hun ouder(s). Soms vallen zij terug in gedragsniveau en gaan zij bijvoorbeeld opnieuw bedplassen. Kinderen in de basisschoolleeftijd kunnen gedragsproblemen vertonen. Ze worden heel druk en agressief of trekken zich juist terug. Kinderen van deze leeftijd hebben psychosomatische klachten zoals hoofdpijn of buikpijn, kunnen zich slecht concentreren of willen keer op keer vertellen wat is gebeurd. Kennelijk zijn ze steeds met het trauma bezig.

Kinderen zijn afhankelijk van volwassenen. Enerzijds maakt dit hen extra kwetsbaar. Niet alleen geweld dat direct henzelf, maar ook geweld dat belangrijke anderen wordt aangedaan kan diep ingrijpend zijn. Anderzijds kunnen ouders hun kinderen in belangrijke mate beschermen voor negatieve gevolgen van oorlog. Het gaat met de kinderen beter wanneer ouders greep weten te houden op de situatie, zo bleek uit onderzoek onder moeders en kinderen die gedwongen waren te schuilen voor bombardementen in Israël (Ziv en Israeli, 1973) en onder moeders en kinderen van de Palestijnse Intifada (Punamaki, 1989). De omstandigheden helder uitleggen draagt eveneens bij aan een beter welzijn van de kinderen, zoals is aangetoond door onderzoek onder Filippijnse kinderen van politieke gevangenen (Protacio-Marce-lino, 1989).

Oorlog en trauma werken onmiskenbaar in op de ontwikkeling. Op korte termijn kan spelen minder plezierig worden doordat aspecten van het trauma zich blijven opdringen. Veel kinderen uit oorlogsgebieden schrikken van vliegtuigen of van mannen in uniform. Die beelden worden direct geassocieerd met bombardementen en soldaten. Verder kan het uit de weg gaan van alles wat met de ingrijpende gebeurtenis te maken had, verandering van interesses en tijdsbesteding tot gevolg

Buigen voor de kampwacht (foto afkomstig uit ‘Getekend. Nederlanders in Japanse kampen’; maker: A.J.F. Gogelein).

hebben. Snel geïrriteerd raken, explosief reageren of juist een heel teruggetrokken opstelling zal op den duur uitwerking op contacten met leeftijdgenootjes niet missen (DiNicola, 1996).

Ook op de langere termijn kunnen oorlogskinderen last krijgen van herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen. Dagelijks kunnen zich allerlei beelden of geluiden voordoen die ineens doen denken aan wat lang leek vergeten. De uitgebreide aandacht die in het afgelopen jaar in de media geschonken werd aan de herdenking van vijftig jaar vrede bracht bij velen de herinneringen aan de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog weer tot leven. Dergelijke ‘triggers’ zijn overal en bovendien erg onvoorspelbaar. Een voorbeeld is het volgende citaat van een Indisch kampkind: ‘Nu heb ik ze pas teruggezien, vorig jaar, die tekeningen, dan zie je, dan ruik je het, daar zijn ook tekeningen bij van mensen die buigen - dat weetje dan, dat voel je dan, maar dat kan je niet overbrengen.’

Sinds de posttraumatische stress stoornis in de handboeken voor psychiatrie en psychopathologie is opgenomen, wordt deze categorie ook veel bij kinderen en jongeren gezien. Oorlog en trauma volgen echter niet een eenrichtingsweg naar een posttraumatische stress stoornis. Andere angststoornissen en depressie zijn eveneens een mogelijk gevolg van oorlogsgeweld. Lichamelijke problemen op latere leeftijd kunnen een gevolg zijn van stress, maar ook van het ontbreken van goede voedingsstoffen in de eerste levensjaren. Zo worden bij voorbeeld aan mensen die als kind de oorlog in voormalig Nederlands-Indië meemaakten, regelmatig tegemoetkomingen in de kosten van gebitsrevalidatie verstrekt. De relatie tussen lichamelijke gebreken op latere leeftijd en het meemaken van oorlog op jeugdige leeftijd blijft echter een heikel punt en moeilijk zonder twijfel aantoonbaar. Kinderen in oorlog hebben doorgaans een reeks van ingrijpende ervaringen meegemaakt. De laatste tijd komt steeds vaker aan de orde dat het meemaken van opeenvolgende traumatische gebeurtenissen vooral een verandering van de persoonlijkheid teweegbrengt. Dit geldt in ieder geval voor volwassenen, hoewel die toch al beschikken over een redelijk robuust karakter. Maar geldt dit ook voor kinderen? Worden ook kinderen in het bijzonder geraakt in hun basisvertrouwen dat de wereld een veilige en goede plaats is, waarin je op je medemens kunt vertrouwen? Er moet nog meer onderzoek naar de beleving en hantering van oorlog door kinderen worden gedaan voor we hier een antwoord op hebben. Bekend is inmiddels wel dat kinderen uit de oorlog hun toekomst anders zijn gaan zien. Veel kinderen willen desgevraagd soldaat, dokter of advocaat worden. (Zie bijvoorbeeld Dodge en Raundalen, 1987).

Veel kinderen die vanwege een oorlog naar ons land zijn gevlucht zijn afkomstig uit samenlevingen met andere tradities en gewoonten dan de onze. Kinderen leren over het algemeen snel Nederlands spreken en tonen een groot aanpassingsvermogen. Bezorgdheid van ouders over de gezondheid van hun kinderen kan vaak ook in dit licht worden bezien. Dit neemt niet weg dat veel kinderen achtergebleven grootouders, vriendjes en vriendinnetjes en huisdieren erg missen. Het gaat dus niet alleen om 'traumatische stress’; de sociale en culturele omgeving speelt evengoed een prominente rol in het herstel van een kind na een turbulente periode.

Tot slot

De wetenschappelijke en maatschappelijke belangstelling voor de vele kinderen die oorlog meemaakten en nu meemaken, is langzaam van de grond gekomen. In het heel algemeen is belangrijk kinderen allereerst van basale verzorging te verzekeren. Daarnaast is van belang dat het kind heldere uitleg heeft gekregen over wat is gebeurd. Begrip van de situatie kan voorkomen dat verkeerde ideeën wortel schieten en een eigen leven gaan leiden. Hoewel absoluut niet gesteld kan worden dat elk oorlogskind gedoemd is getraumatiseerd door het leven te gaan - dat hebben de kinderen uit de Tweede Wereldoorlog overtuigend laten zien - moeten we wel bedacht zijn op groot verdriet en angst bij individuele kinderen. Omdat het vaak zo moeilijk te zien is wat er in een kind omgaat, wordt nogal eens onderschat wat een kind gedurende een oorlog heeft gezien en gehoord.

Literatuur

DiNicola, V.F., ‘Ethnocultural aspects of PTSD and related disorders among children and adolescents’. In: A.J. Marsella, M.J. Friedman, E.T. Gerrity en R.M. Scurfield (eds.), Ethnocultural aspects of Posttraumatic Stress Disorder. Issues, research, and clinical applications. Washington: American Psychological Association, 1996, 389-414.

Dodge, C.P. en M. Raundalen (eds.), War, violence and children in Uganda. Oslo: Norwegian University Press, 1987.

Keilson, H., Sequentielle Traumatiserung bei Kindem. Deskriptiv-klinische und quantifizie-rend-statistische follow-up-Untersuchung zum Schicksal der jiidischen Kriegswaisen in den Niederlanden. Stuttgart: Enke, 1979.

Mooren, G.T.M. en R.J. Kleber, Gezondheid en herinneringen aan de oorlogsjaren van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen. Utrecht: Universiteit Utrecht, 1996.

Mooren, G.T.M., W.H.G. Wolters, R.J. Kleber en L.H.M. van Willigen, Vluchtelingenkinderen in Nederland. Een onderzoek naar knelpunten in de opvang en hulpverlening. Utrecht: Wilhelmina Kinderziekenhuis, 1993.

Protacio-Marcelino, E., ‘Children of political detainees in the Philippines’. In: International Journal of Mental Health vol. 18 (1989) 71-86.

Punamaki, R.-L. en R. Suleiman, ‘Factors affecting the mental health of Palestinian children exposed to political violence’. In: International Journal of Mental Health vol. 18 (1989) 63-79.

Pynoos, R.S., ‘Post-traumatic stress disorder in children and adolescents’. In: B.D. Garfinkel, G.A. Carlson en E.B. Weller (eds.), Psychiatric disorders in children and adolescents. Philadelphia: W.B. Saunders, 1990, 48-63.

Richman, N., ‘Annotation: Children in situations of political violence'. In: Journal of Child Psychology and Psychiatry vol. 34 (1993) 1286-1302.

Terr, L., ‘Childhood traumas: An outline and overview'. In: American Journal of Psychiatry vol. 184(1991) 1, 10-20.

Udwin, O., ‘Annotation: Childrens reactions to traumatic events'. In: Journal of Child Psychology and Psychiatry vol. 34 (1992) 2, 115-127.

Ziv, A. en R. Israeli, ‘Effects of bombardment on the manifest anxiety level of children living in Kibbutzim’. In: Journal of Consulting and Clinical Psychology vol. 40 (1973) 287-291.

 

Drs. G.T.M. Mooren

 

Referentie: 
Drs. G.T.M. Mooren | 1999
In: Trauma door oorlogsgeweld : twaalf inleidingen rond een thema : gehouden op een symposium ter gelegenheid van tien jaar AMCHA 8 september 1998, RAI Amsterdam / red.: Judith Schuyf | Utrecht : Stichting ICODO
Trefwoorden: 
adolescenten, kind-overlevenden, kinderen, oorlog, oorlogsgetroffenen, Posttraumatic Stress Disorder (PTSD), Posttraumatische Stressstoornis (PTSS), psychotrauma (nl), PTSD (nl), PTSS, traumatische ervaringen, Tweede Wereldoorlog