Jezelf durven aankijken: gesprek met oud-verzetsman Bill Minco

Bill Minco werd als zeventienjarige joodse scholier opgepakt en samen met zeventien anderen in 1941 ter dood veroordeeld vanwege zijn betrokkenheid bij de verzetsgroep de Geuzen.

Hij is een van de achttien uit het gedicht De achttien dooden van Jan Campert. Omdat Minco minderjarig was kreeg hij levenslange tuchthuisstraf.

Pal na de oorlog doet hij verslag van die gebeurtenissen. Hij beschrijft zijn gang door een aantal tuchthuizen - waaronder anderhalf jaar eenzame opsluiting - en de concentratiekampen Mauthausen, Auschwitz en Dachau. Dit verslag is onlangs, tezamen met een aantal overdenkingen uit de afgelopen periode, als boek verschenen onder de titel Koude voeten.1Wij hadden een gesprek.

'Ik ben achteraf dolgelukkig, ook voor mezelf, dat ik op aanraden van mijn vriend Sijds Nijdam in de eerste maanden na de oorlog mijn verhaal heb opgeschreven. Ik zou dat nu met geen mogelijkheid meer kunnen. Ik herinner me praktisch niets feitelijks meer uit die tijd. In de loop der jaren ga je over bepaalde dingen die bovenkomen nadenken. Je vraagt je af hoe iemand uit zichzelf kan treden, zoals mij is overkomen in de periode van eenzame opsluiting? Of hoe je je in godsnaam met de vijand kan gaan vereenzelvigen? In diezelfde periode heb ik een keer de Hitlergroet gebracht, terwijl ik daar niet toe gedwongen werd. Daar loop je zo nu en dan over te piekeren en dat heeft geleid tot de overdenkingen, die ook in het boek zijn opgenomen. Al schrijvende wordt het voor mezelf duidelijker, waarbij ik de handicap heb dat mijn hersenen vlugger werken dan mijn handen.

Als ik die gedachten niet meteen opschrijf ben ik ze kwijt. Die "fabriek daarboven" draait nog zo op volle toeren, dat ik het met schrijven nauwelijks kan bijbenen.

Ik denk dat ik altijd filosofisch van aard ben geweest. Vroeger vond ik school niet zo belangrijk. Ik was geen briljante leerling, deed sommige klassen twee keer, terwijl ik wel een wiskundeknobbel heb. Met mijn vrienden namen we de wereldproblemen door. Dat vond ik belangrijker.

Een van de dingen die ik mis in mijn leven is de mogelijkheid om mijn gevoelens van toen ook op een andere wijze tot uitdrukking te brengen. Ik had wel graag een instrument willen bespelen of iets maken met mijn handen. Ik teken en schilder, maar het zijn afgeleide tekeningen. Ik kan niet vanuit mijn gevoel van toen iets op papier zetten. Ik moet het eerst onder woorden brengen. Ik heb vijftig jaar geworsteld met het onder woorden brengen van het gevoel van bijvoorbeeld uit jezelf treden. Dat is me pas eind vorig jaar gelukt. Vervolgens heb ik geprobeerd dat gevoel te tekenen, maar dat is ongelooflijk moeilijk. De tekening in het boek is de minst slechte van een serie schetsen.

 

Mijn boek is uitgegeven door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945. Deze stichting draagt het gedachtegoed uit van wat kunstenaars die in de Tweede Wereldoorlog aan de goede kant stonden, bezielde. Als zo’n groep, de ruggegraat van de samenleving, je boek adopteert betekent dat voor mij een extra dimensie.

Koude voeten is een latere versie van wat ik in eerste instantie heb gemaakt voor mijn kleinkinderen. Dat ik kinderen en acht kleinkinderen zou krijgen had ik in de oorlog nooit kunnen bedenken. Toen mijn oudste kleinkind achttien zou worden heb ik mijn “reisverslag" over de oorlog met enkele stukjes uit toespraken en artikelen die ik geschreven heb, gebundeld en in een gesloten enveloppe aan mijn kinderen gegeven, met het verzoek dit aan hun kinderen te geven op hun achttiende verjaardag. Ik wilde dat ze zouden weten wat er met opa was gebeurd in de oorlog, wat het met opa had gedaan en waarom opa is zoals hij is. Dat heeft te maken met de levensfase waarin ik zit. maar ook met afstand. De afstand tot je kleinkinderen is toch altijd wat groter dan tot je eigen kinderen. Ik heb jarenlang jeugdvoorlichting over de oorlog gegeven aan iedereen, behalve aan mijn eigen kinderen. Ik denk dat ik bang was om met hen over de oorlog te praten. Ik kon dat, zeker in de jaren dat ze jonger waren, emotioneel niet aan.

Over de oorlog is thuis nooit gepraat. Of dat goed was weet ik niet. Achteraf zeg ik: “Het was zo goed voor mij. Ik kon het niet anders.’"

 

 

 

 

'Laat ik een vergelijking maken: in mijn hal staat een antieke

   blauwe gemberpot uit mijn ouderlijk huis. Die pot is in scherven

uiteengevallen en weer in elkaar gelijmd. Het blijven scherven. Het wordt nooit één geheel. De pot lijkt heel door de lijm die de scherven bij elkaar houdt. Die lijm staat voor wilskracht, verstand, onderscheidingsvermogen. Alles wat in de oorlog met ons gebeurd is gaat nooit meer weg. Alles wat kapotgemaakt is wordt nooit meer heel. Ik lijk normaal, met de nadruk op lijk. Ik zou kunnen stelen, moorden, iedere misdaad die je kunt bedenken, zou ik kunnen begaan. Ik kan het niet bewijzen, want ik heb het

nooit gedaan. Maar als ik door omstandigheden word gedwongen is er niets op onmenselijk gebied wat ik niet zou kunnen, geïnfecteerd door de menselijke bacterie van toen. Alleen door verstand en wilskracht - die lijm dus - weet ik hoe het hoort en wil dat vervolgens ook zo. Dat alles geldt niet alleen voor mij; ik zie ook mensen in onze kringen die wel gewoon zijn doorgegaan met waar ze in de oorlog mee bezig waren: vechten.’

‘Ik denk dat de meeste overlevenden ontworteld zijn teruggekomen. De oorlog heeft mij gevormd. Ik was nog jong en had van huis uit weinig meegekregen. Mijn ouders waren materialisten: eten, drinken, slapen, een huisje, vakantie. Ik had geen geestelijk fundament; iets waarop ik kon bouwen. Ik heb mijn wortels, mijn fundament gevonden in de oorlog, zowel in positieve als negatieve zin.

Je hoort of leest wel eens: ik ben altijd mens gebleven in het concentratiekamp. Als je mens blijft in onmenselijke omstandigheden is dat een wonder - en iemand die het niet heeft meegemaakt mag niet oordelen - want als je door het diepste van de diepste hel bent gegaan, is er niets menselijks meer van je over. Als je van je advocaat te horen krijgt dat je als jood geen genade mag verwachten; als je bijna krankzinnig wordt door eenzame opsluiting; als de vernedering en uitputting in Mauthausen geen dag langer hadden moeten duren; als je met voeten vol flegmo-nen en volkomen uitgeput op dodenmars gaat, dan zijn dat de dieptepunten uit mijn “reisverslag”.

In de oorlog moest je in een paar seconden taxeren hoe gevaarlijk of bedreigend de omgeving was, bijvoorbeeld een SS’er of een kapo die op je afkwam, en hoe je vervolgens moest handelen. Dat was secondewerk, want de volgende seconde kon het misgaan. Dat overlevingsmechanisme is een tweede natuur geworden. Ik ben ongelooflijk lang wantrouwend geweest. Ik heb me aangewend om mensen heel snel te taxeren. Dat is een vervelende eigenschap die ik niet kan afleren. Maar het kan ook waardevol zijn. Je weet gauw wat voor vlees je in de kuip hebt. Een andere eigenschap is dat ik voor niemand ontzag heb. Ik heb gezien hoe mensen met elkaar omgaan, hoe mensen beesten kunnen worden. Opleiding, achtergrond, eruditie, ze betekenen niets als je in Mauthausen zit. Je bent niets, helemaal niets; het komt slechts aan op de innerlijke waarde van een mens. Ik heb alleen ontzag voor mensen die iets waardevols doen of denken, het maakt niet uit wat. Met bewondering heb ik vanmorgen staan kijken naar stratenmakers die met kleine steentjes een sierbestrating aanbrachten.

Mensen gingen in de oorlog kapot aan vernederingen, dus ik probeer anderen in hun eer te laten. Ik wil me richten op het goede. Ik heb gezien wat haat oplevert en wel in de meest extreme vorm. Dus ik wil niet haten. Ik zeg niet dat ik het niet kan. Ik heb geen beeld, geen gezicht voor me, maar als ik morgen een SS’er uit Mauthausen tegenkom en ik zou die herkennen, dan bijt ik hem de strot af. Niets (on)menselijks is mij vreemd.’

'Een hoogtepunt in mijn leven is dat twee jaar na de oorlog mijn zoon is geboren. Mijn vrouw noemde hem Victor. Later kwamen onze dochters. Ik had alle kwalen die je meebrengt als je uit een concentratiekamp komt: tbc. paratyfus, dysenterie. In die eerste maanden thuis heb ik mijn oorlogsverhaal geschreven. Daarna moest ik kuren in Zwitserland. Ik heb nog een kennis uit die tijd en die zegt: “Als jou iets niet zinde dan pakte je een kussen en sloeg je als een wilde om je heen.” Ik was bedlegerig maar ging met een verpleegster skiën. Weer een soort verzet.

Mijn vrouw heeft mijn verhaal gelezen maar we hebben er nooit over gepraat. Ik weet dat omdat we dagelijks hebben gecorrespondeerd en daarin niets stond over de oorlog. Ik kan me niet herinneren of ik er toen met mijn jeugdvriend Sijds Nijdam over heb gehad. Hij kwam ook net terug uit Duitsland. De oorlog was voorbij. Iedereen was druk met zijn eigen leven. Je hebt overleefd, je krijgt kinderen, er moet brood op de plank komen. De eerste tien jaar na de oorlog was een struggle for life. Door onder te duiken hadden mijn ouders en mijn broer de oorlog overleefd. Mijn ouders waren voor de oorlog bemiddeld, maar om te overleven hadden ze alles moeten opsouperen. Ik kon bij hen niet aankloppen om geld. Pas begin jaren zestig was ik uit de financiële zorgen. Je kan natuurlijk schelden op de Nederlandse overheid die de overlevenden in de kou heeft laten staan, je kunt ook zeggen: doordat ik zo druk ben geweest om brood op de plank te krijgen had ik geen tijd voor al mijn sores.’

Warmte

 

‘Ik was zeventien toen ik opgepakt werd. Het duurde tot ongeveer mijn achtentwintigste voordat ik weer een beetje op mijn benen stond. Tien jaar weg; de periode waarin je meisjes gaat ontdekken, relaties aangaat, waarin je op dat terrein wordt gevormd. Een van de oorzaken van mijn mislukte huwelijk is dat ik dat heb gemist. Wat wist ik van vrouwen? Alleen wat je in het concentratiekamp hoorde aan vunzige verhalen. Ik wist datje kindertjes kon maken, maar ik wist niet eens hoe. Jongens in die tijd waren naïef. Liefdesspel? Nooit van gehoord. Je slaat gewoon tien jaar over en dan ga je een huwelijk in. Ik denk dat ik als vader ook geen succesnummer was. Je moet je voorstellen, iemand die op die leeftijd de periode van Ieren overslaat, die daarvoor in de plaats in de praktijk kennis moet opdoen, die vervolgens een gezin gaat stichten, en een zaak probeert op te bouwen. Ik stond voortdurend op mijn tenen.

 

Mijn herinneringen en gevoelens uit de oorlog zijn opgesloten in een soort hogedrukpan en als ik niet oplet ontploft hij. Die herinneringen en gevoelens staan zo onder druk dat het lijkt alsof ze van een ander zijn. Maar omdat ik daar niet zeker van ben zal ik de grens naar die ander nooit overschrijden. Ik let op mijn grenzen. Niet bij alledaagse bezigheden, maar als ik iets met de oorlog doe en ook als ik iets emotioneels met mensen heb. hou ik mijn grenzen in de gaten. En dat wordt moeilijker naarmate mensen dichter bij me staan. Ik was bang om met mijn kinderen over de oorlog te praten. Omdat ik heel lang kwetsbaar ben geweest, was warmte bedreigend voor me, ongeacht wat voor soort

 

warmte. Mijn grenzen worden door warmte overschreden en ik wist niet hoe sterk die waren. Dat maakte me heel voorzichtig en afstandelijk. Hechten was gevaarlijk. Naarmate de tijd vorderde en mijn mentale positie sterker werd, kon ik het meer toestaan en kon ik me aan die warmte overgeven.

Onlangs ben ik voor het eerst intens verliefd geworden. De periode die ik heb overgeslagen was ik alsnog aan het inhalen.’

 

Jezelf durven aankijken

 

‘Ik stel mezelf wel eens de vraag of ik gratie gevraagd zou hebben als ik geweten had hoe het me was vergaan. Het antwoord is nee. Ieder mens gaat eraan kapot. Dat ik het heb doorstaan is geen verdienste. Achteraf zou ik het toch niet graag gemist hebben, vanwege de rijkdom die het ook heeft gebracht. Ik zou nooit zijn geworden wie ik ben als ik die oorlog niet had meegemaakt.

Onlangs heb ik een onderscheiding gekregen van de koningin. We maakten grapjes over mijn volgende boek en ik zei: “De titel staat vast: omzien in verwondering". Als ik terugkijk op mijn leven dan doe ik dat in verwondering. Ik vind mijzelf niet buitengewoon, maar mijn leven wel. Ik verbaas me over wat ik heb meegemaakt en over de positie waar ik langzamerhand naartoe ben gegroeid. Het enige diploma waarover ik beschik is een ver-keersdiploma uit de jaren dertig. Als je leest wat er met mij is gebeurd in de oorlog, wat voor opleiding ik heb gehad en hoe ik

vervolgens overal ben ingerold: eerst in de middenstand, tot het landelijk hoofdbestuur toe, daarna actief in de politiek tot wethouder van financiën in Hilversum en sinds mijn hartoperatie in 1982 bestuurslid van allerlei organisaties. En als ik dan die reacties zie op mijn boek en op die onderscheiding, dan denk ik: wie ben ik dan eigenlijk wel?

Ik heb het gevoel - en dat is nergens op gebaseerd - dat overleven tot iets moet leiden. Dat het zinvol is geweest dat ik heb overleefd. Dat ik nog iets extra's moest doen. Die gedrevenheid van mij moet daarmee te maken hebben.

Na mijn hartoperatie ben ik me gaan inzetten voor verzetsorganisaties, voor de doelgroep waarvan ik deel uitmaak. Ook ben ik jeugdvoorlichting over de Tweede Wereldoorlog gaan geven op scholen. Getuigen is een natuurlijke drang geworden. Als je om je heen kijkt naar al het onrecht in de wereld en je realiseert je dat er miljoenen mensen in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. dan moeten we blijven roepen: dat nooit weer, want als we niet oppassen gaan de onmenselijkheden gewoon door.

Aan die persoonlijke getuigenissen van overlevenden komt een einde. Ik vind niet dat dat door een tweede, laat staan een derde generatie moet worden overgenomen. Voor het visuele aspect blijven er wel organisaties en musea nodig zoals onder andere Westerbork, Vught, het Oranjehotel, de Stichting Geuzenverzet. de Anne Frank Stichting. Het is verder de taak van opvoeders, onderwijs en wetenschap om de oorlogservaringen een plaats te laten krijgen in de geschiedenisboeken en om uit te zoeken hoe het kan gebeuren wat mensen mensen in een oorlog aandoen. Vroeger dacht ik altijd dat het de systemen waren - dictators. generaals, louche politici - die zorgden voor zoveel onrecht in de wereld. Maar het kwaad zit in onszelf. Ieder mens heeft de keuze tussen goed en kwaad. Ik ben momenteel het dagboek van de Duitse jood, professor Klemperer aan het lezen. Vanaf 1933 beschrijft hij hoe joden en niet-joden in zijn omgeving op Hitler reageerden. Dat is ongelooflijk leerzaam. Het net rond de joden werd geraffineerd aangetrokken. Mensen hebben zich niet afgevraagd tot welke grenzen je iets moet tolereren. Natuurlijk is het niet makkelijk, maar als iedereen het goede zou willen, zal het zeker veel beter gaan. Het is generaliserend gezegd, maar mensen die het hardst schreeuwen om vrede op aarde, brengen er in hun eigen leven vaak weinig van terecht. Je actief inzetten tegen fascisme is niet genoeg, zolang je ook niet jezelf in de spiegel eerlijk kunt aankijken.’

Noot

1. Minco. Bill, Koude voeten. Begenadigd tot levenslang. Het re/aas van een joodse scholier uit het Geuzenverzet. Oranjehotel - Untermassfeld -Mauthausen - Auschwitz - Dachau. Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945. Nijmegen: SUN, 1997.

ISBN 90 6168 607 5.

De illustraties bij dit artikel zijn afkomstig uit bovengenoemd boek.

Referentie: 
Lies Schneiders | 1997
In: Icodo Info , ISSN 0168-9932 | 14 | 2 | september | 19-24