Hulp van studenten aan joodse kinderen, 1942-1945

Inleiding

In de periode 1942-1945 doken in Nederland naar schatting 3500 joodse kinderen onder om aan deportatie te ontsnappen. De meesten konden een onderduikadres vinden met behulp van niet-joodse kennissen van hun ouders. Een groot deel, ongeveer 1100 joodse kinderen, kwam op duikadressen die waren verzorgd door een viertal verzetsgroepen. Deze groepen waren gespecialiseerd in het verlenen van hulp aan joodse kinderen. Tezamen duid ik hen aan met de term ‘kinderwerkers’. Over twee van deze vier groepen en de door hen ondergebrachte joodse kinderen gaat onderstaand relaas. De term kinderwerk moet ik definiëren. Ik versta daaronder: het in de periode juli 1942 tot mei 1945 ophalen van joodse kinderen uit hun woon- of verblijfplaats, hen laten onderduiken bij pleegouders, die over geheel Nederland kunnen zijn verspreid, en hen vervolgens eventueel voorzien van bonkaarten, kleding, schoeisel en kostgeld.

De vier groepen die binnen deze definitie vallen zijn:1

-    Het Utrechts Kindercomité, bestaande uit een groep Utrechtse studenten onder aanvoering van een student sociale geografie, die in publikaties als deze liever niet bij naam genoemd wordt. Deze student zal ik aanduiden met ‘X’;

-    De Amsterdamse Studentengroep, ook wel de groep Meerburg of de groep Van Doorn genaamd. Deze groep stond onder leiding van de rechtenstudent Piet Meerburg en de in

1942 pas achttien jaar oude Wouter van Zeytveld;

-    De Trouwgroep, waarvan de leden onderdeel uitmaakten van de redactie en/of het verspreidingsapparaat van het illegale blad Trouw. De beide vrouwen Hester van Lennep en dr. Gezina van der Molen speelden hier een prominente rol in;

-    De Naamloze Vennootschap, bestaande uit gereformeerde jongeren uit Amsterdam en Zuid-Limburg, onder leiding van de gebroeders Jacob en Gerard Musch en Dick Groenewegen van Wijk.2 Voor de volledigheid moet worden vermeld, dat de namen van deze groepen pas na de oorlog in zwang zijn gekomen. Om praktische redenen zal ik ze echter het gehele artikel door gebruiken.

Dit artikel zal uiteenvallen in twee delen: het eerste behandelt de geschiedenis en werkwijze van de twee studentengroepen: het Utrechts Kindercomité en de Amsterdamse Studentengroep (ik zie af van de aanduiding ‘organisatie’, daar er vooral in het begin nauwelijks van enige organisatie sprake was). De andere twee groepen (Trouwgroep en NV) zal ik zeer summier beschrijven, daar zij eigenlijk buiten het bestek van dit artikel vallen. In het

tweede deel komen de belevenissen van joodse kinderen aan bod die door de studenten zijn ondergebracht.

Alvorens over te gaan naar de geschiedenis van het Utrechts Kindercomité wil ik een tweetal algemene opmerkingen plaatsen. De eerste is dat het kinderwerk grotendeels werd uitgevoerd door jonge mensen. De gemiddelde leeftijd ligt op 24 jaar. Voor de twee studentengroepen lag dit zelfs nog iets lager. Waarom jonge mensen? De voornaamste reden daarvoor is, dat jonge mensen in de regel nog niet de verantwoordelijkheid voor een gezin hebben. Ze waren ongebonden en konden hooguit hun eigen leven verliezen. Bovendien werden juist de jonge mannen opgeroepen voor dwangarbeid in Duitsland. De enige manier om daar onderuit te komen was om zelf onder te duiken. Vele ondergedoken jonge mannen probeerden tijdens hun onderduikperiode andere onderduikers te helpen. De bedreigde joden, die vaak geen kant op konden, kwamen voor die hulp het meest in aanmerking.

Maar waarom dan speciaal joodse kinderen geholpen? Daar is een aantal antwoorden op mogelijk. Ten eerste was het makkelijker om voor kinderen onderduikadressen te vinden. Velen wilden wel een kind in huis nemen, kinderloze echtparen voorop. Vooral baby’s waren zeer gewild. Kinderen beneden de 16 jaar hadden geen persoonsbewijs nodig, dat scheelde een grote hoeveelheid vervalsingswerk. Tenslotte hadden de leden van de vier verzetsgroepen, die zoals gemeld zelf nauwelijks de kinderschoenen waren ontgroeid, meer overwicht op kinderen dan op oudere mensen. Kinderen deden wat hun werd opgedragen. Een voorbeeld: de eerste joden die door de Naamloze Vennootschap werden ondergebracht waren de vier leden van het gezin Braun. Zij kwamen terecht in een verbouwde kippenschuur op de Ve-luwe. De oude heer Braun protesteerde tegen een dergelijk onderkomen, daarbij de nadruk leggend op de onervarenheid van zijn helpers. Hij zei van plan te zijn weer terug te keren naar Amsterdam. Dat laatste zou de hele organisatie al in een vroeg stadium in gevaar kunnen brengen. De NV-leden slaagden erin voor het gezin een ander adres te vinden, waardoor Braun zijn dreigement niet hoefde uit te voeren. Na dit incident besloten de NV-leden, dat ze te jong waren om de noodzakelijke leiding te geven aan volwassen joden en dat het daarom beter was om kinderen te gaan helpen.

Wanneer een kind onder de hoede kwam van de kinderwer-kers, werd het naar een pleeggezin buiten Amsterdam gebracht. In het begin, dus zeg maar eind 1942 en begin 1943, was het moeilijk om voldoende onderduikadressen te vinden. De leden van de verzetsgroepen moesten op het platteland veelal eerst uitleggen wat er zich in de Amsterdamse Jodenhoek afspeelde. Pas ver in de lente van 1943, met name na de april/meistakingen, begon het besef in afgelegen gebieden door te dringen, dat de Nederlandse joden en masse werden gedeporteerd. Toen dat besef er eenmaal was, was de bereidheid om joodse kinderen op te nemen ook groot, met name juist in de afgelegen, dunbevolkte provincies.

Nergens zijn uiteindelijk zoveel kinderen ondergedoken als in de provincies Friesland en Limburg.

Het Utrechts Kindercomité

In juli 1942 nam het kinderwerk een aanvang toen een studente uit Utrecht, waarschijnlijk Ad Groenendijk genaamd3, negen uit Amsterdam afkomstige joodse kinderen probeerde onder te brengen bij de moeder van de latere voorman X. Moeder X lichtte daarop haar zoon in, die in de dagen en weken daarna in zijn vriendenkring op zoek ging naar duikadressen en naar studenten die mee wilden helpen een organisatie op te bouwen met als doel: het redden van zoveel mogelijk joodse kinderen. In de zomer van 1942 kreeg deze organisatie zijn beslag, zij het dat de definitieve groep mensen pas in de herfst tot stand kwam. X vond tijdens die zomervakantie een vrij groot aantal, vooral vrouwelijke studenten bereid om joodse kinderen uit Amsterdam te begeleiden naar Utrecht. Echter, toen de colleges in september weer begonnen, daalde het animo onder deze koeriersters aanzienlijk. Ook werd de relatie met een aantal medestudenten na gebleken ongeschiktheid afgebroken. Volgens de heer Rutger Matthijsen, vanaf het begin lid van het Kindercomité, was het personeelsbeleid in die zomer gericht:

'... niet [op] kwantiteit, maar kwaliteit. Een voorbeeld. Dat heb ik pas later gemerkt, toen ik samen met een student uit Amsterdam in de Hautes Alpes een beetje bergklimoefeningen [deed], echt en-cordé, angeseilt, waar je dus op elkaar rekent. Als de één stom doet, dan valt de ander zeker mee. Dat gevoel. Als ik dat beeld had gehad, dan zou ik geselecteerd hebben op: “Je moet ermee kunnen bergklimmen. ” En in het Duits, daar is nog een mooie uitdrukking: “Je moet met iemand paarden kunnen stelen. ” Pferde stehlen. Dat hoort bij deze selectie. ’*

Na deze ‘natuurlijke’ en geforceerde selectie van medewerkers bleef naast Rutger Matthijsen de volgende kern over: Frits lor-dens, Anne MacLaine Pont, Geert Lubberhuizen, Ger Kempe, Annie de Waard, Hetty Voüte en Gisela Söhnlein. Laatstgenoemde onderhield het contact met ‘Amsterdam’, waarmee de groep van Piet Meerburg bedoeld werd. Want voor het onderdak brengen van joodse kinderen waren twee afzonderlijke groepen nodig: een groep die in Amsterdam zorgde voor de ‘aanvoer’ van joodse kinderen en een groep die buiten Amsterdam op zoek ging naar adressen. Het ‘transport’ van joodse kinderen vanuit Amsterdam naar hun eerste onderduikadres geschiedde per trein onder begeleiding van een van de leden van de beide groepen.

Op deze plaats zal ik alvast vermelden dat naast Piet Meerburg en de reeds eerder genoemde Wouter van Zeytveld ‘Amsterdam’ bestond uit de volgende personen: Jur en Tineke Haak, Hans van Loghem, Mieke Mees, Iet van Dijk en Alice Brunner.

Rutger Matthijsen (1921) werd door iedereen Rut genoemd. Hij was een student scheikunde die in juli 1942 door een medestudent werd benaderd om als gastheer op te treden voor het op dat moment in oprichting verkerende Kindercomité. Rut woonde namelijk in een fraai studentenhuis: Mariahoek 7. Nadat hij een slecht cijfer had gescoord op een belangrijk tentamen en als gastheer had opgetreden voor X en enkele anderen, besloot hij om zijn studie aan de wilgen te hangen en full-time te gaan meedoen met het kinderwerk. Mariahoek 7 werd het eerste contactadres van het Kindercomité. Vanaf de zomer van 1943 ging hij zich samen met Geert Lubberhuizen toeleggen op vervalsings-werk en de uitgifte van illegale boeken en pamfletten. Uit dit werk zou in 1943 de illegale uitgeverij De Bezige Bij ontstaan.

Frits Herbert Iordens (1919-1944) studeerde sinds 1938 rechten, was zoon van een Arnhemse bankdirecteur en tevens prominent lid van het Utrechts Studenten Corps (USC). Hij werd in augustus door X overgehaald om mee te doen. Hij beloofde in Arnhem en omstreken adressen te gaan zoeken. Tijdens zijn studie had hij Anne MacLaine Pont ontmoet, een studente kunstgeschiedenis, die drie jaar ouder was dan hij. De twee raakten verliefd op elkaar en waren tot de dood van Frits onafscheidelijk.

Na zich eerst braaf op het kinderwerk te hebben toegelegd (X stond erop, dat men zich niet liet afleiden door ‘bijbaantjes’ in het verzet) begon het avontuurlijke tweetal zich na de zomer van 1943 bezig te houden met het onderbrengen van geallieerde piloten. Daartoe werd een lijn naar België opgezet. In maart 1944 werd Frits in het Belgische Hasselt gepakt en neergeschoten.

Anne Maclaine Pont wordt door iedereen als een avontuurlijk, maar door en door betrouwbaar type gekarakteriseerd. Een deel van haar familie was afkomstig uit Overijssel. Anne had daar dan ook een groot aantal contacten, onder andere in Zwolle en Ommen. In Ommen bevond zich het landgoed Eerde, waar uiteindelijk zeer veel joodse kinderen terecht zijn gekomen.

Geert Lubberhuizen (1916-1979) studeerde scheikunde. Hij had zich al begin 1941 in het studentenblad Vox Studiosorum afgezet tegen de antisemitische propagandafilm ‘Jud Süss’. Naast het zoeken van adressen ging Geert zich vooral bezighouden met de financiële kant van de zaak. De Bezige Bij is dan ook ontstaan om aan de financiële behoefte van het Kindercomité tegemoet te komen. In aanvang kostte dit project meer dan het opleverde, getuige het grapje dat toen opgeld deed: ‘Wie maakt onze centen zoek? Dat is Bas Ruysch de Beerenbrouck’, een verwijzing naar Geerts schuilnaam Bas Ruysch.

Gerrit Theodoor Kempe (1911-1979) zou men met recht de pater familias van het Utrechts Kindercomité kunnen noemen.

In de zomer van 1942 werkte hij als assistent van prof. dr. W.P.J. Pompe op het Criminologisch Instituut. Bij Pompe promoveerde hij cum laude in 1937. Hij werd al in een zeer vroeg stadium door X bij het kinderwerk betrokken. Zijn advies aan X luidde: het is een prachtig plan, maar zorg voor een goede organisatie. Door het enthousiasme van X ging Kempe eveneens op zoek naar adressen in Utrecht en omgeving. Tevens bemoeide hij zich met het bijeenbrengen van de benodigde gelden. In 1944 werd hij voor een klein vergrijp gepakt. Hij kwam terecht in de strafgevangenis van ’s-Hertogenbosch, waar hij al gauw goede betrekkingen aanknoopte met de gevangenisdirecteur. Vanuit deze gevangenis schreef hij een briefje aan Annie de Waard, gedateerd 29-09-1944 (dus tijdens de geallieerde opmars in België), dat een goed beeld geeft van de onderkoelde humor die zo onontbeerlijk was in de illegaliteit. Hier volgt een fragment:

‘Beste Annie,

Een, twee, drie in Godsnaam, in de hoop dat ’t epistel je ooit ’ns bereikt, ’k Heb heel wat meegemaakt maar geniet nu van heerlijke gastvrijheid, zoodat ik het doorstane al weer geheel te boven ben. Hier is de toestand verward en van dag tot dag wisselend. Er is vaak geen touw aan vast te knoopen welke plaats nu in handen is van welke partij. Den Bosch is nog steeds rustig in Duitsche handen ...’5

Annie de Waard, geboren in 1916 op het Groningse platteland, toog in 1939 naar Utrecht om haar studie rechten te voltooien. Via Anne MacLaine Pont, die ze al van vroeger kende, en de Utrechtse Vrouwelijke Studenten Vereniging (UVSV), de grootse rekruteringsbasis van het Kindercomité, belandde zij in het kinderwerk. Haar taak was vooral het bijhouden van de ‘administratie’, bestaande uit een ringmapje met daarin de namen van de ondergedoken kinderen en een aparte lijst met daarop de corresponderende adressen. Voorts was zij duikhoofd voor de stad Utrecht.

Hetty Voute (1918) studeerde biologie en zat in het bestuur van de UVSV. Waarschijnlijk is zij rond september 1942 bij de groep gekomen. Daarvóór had zij al samen met een niet bij naam te noemen vriendin, die eveneens biologie studeerde, op incidentele basis joodse kinderen ondergebracht. Waarschijnlijk kreeg zij deze kinderen van de verzetsgroep rond Joop Westerweel. Binnen het Utrechts Kindercomité konden de twee vriendinnen de zaken groter aanpakken. Ook een zuster van Hetty’s vriendin trad tot het Kindercomité toe. Hetty heeft talloze joodse kinderen naar een onderduikadres gebracht.

Zoals gemeld onderhield Gisela Söhnlein (1921) de contacten met Amsterdam. Zij was daar de aangewezen figuur voor, daar zij in Utrecht woonde maar sinds 1939 rechten studeerde in Amsterdam. Dat contact hield in dat Meerburg cum suis haar berichtten hoeveel kinderen zij konden ‘leveren’. Gisela meldde dit in Utrecht, waar het Kindercomité op zoek ging naar de benodigde adressen. En passant nam Gisela alvast een paar kinderen mee.

Bovenstaande personen vormden vanaf de zomer van 1942 tot juni 1943 de kern van het Utrechts Kindercomité. In dat jaar werden honderden kinderen vanuit Amsterdam ondergebracht op adressen in het hele land. De grote gangmaker was X, die zijn contacten steeds meer uitbreidde en, vaak samen met Hetty Voüte, per trein stad en land afreisde. In de lente van 1943 had hij een aantal provinciale netwerken gecreëerd, waar nieuwe mensen aan het werk werden gezet. Met name in Friesland, Zuid-Limburg en Overijssel. Aparte vermelding verdienen een

afdeling (de term is van de auteur) in Den Haag onder leiding van de latere voorzitter van de PSP Nico van der Veen, een afdeling in Nijverdal/Lemele (Salland), waar een nicht van Anne MacLaine Pont, Ankie Stork genaamd, vanaf de lente van 1943 min of meer zelfstandig functioneerde, en een afdeling in Arnhem, van waaruit een kennis van Frits lordens, Paul Terwindt, zeer veel kinderen onderbracht in Noord- en Zuid-Limburg. In Utrecht zelf kwamen Jelle de Jong, een rechtenstudent, en Manfred Levinson het Kindercomité versterken. Tevens werd door Hetty Voüte het contact gelegd met Geertruida van Lier, directrice van de crèche Kindjeshaven aan de Prins Hendriklaan 4 in Utrecht. In deze crèche vonden zeer veel joodse kinderen voor kortere of langere tijd een veilig onderdak.

Deze nieuwe mensen waren zeer welkom, daar de lente en zomer van 1943 rampzalig verliepen voor het Utrechts Kindercomité. Ten eerste werd in februari Rut Matthijsen gepakt door een ambtenaar van de Crisiscontroledienst, die zijn taak, het tegengaan van zwarte handel, iets te enthousiast opnam en Rut arresteerde omdat hij in het bezit bleek van een koffer met voedsel. Dat voedsel was bestemd voor joodse onderduikers in Amsterdam. Op het politiebureau vond men belastende papieren in zijn portefeuille, waarop Rut in wanhoop uit het raam sprong en gewond naar een ziekenhuis werd afgevoerd. Daar kreeg hij bezoek van Ger Kempe, die hem een goede smoes aan de hand deed. Rut werd tot zijn eigen verbazing vrijgelaten. Hij is daarna meteen ondergedoken en een paar maanden later met het ver-valsingswerk begonnen.

Een cesuur vormt de arrestatie van Hetty Voüte en Gisela Söhnlein in juni 1943. Het Kindercomité had een paar weken voor deze arrestatie de beschikking gekregen over een landhuisje in het Brabantse Esch, waar een viertal joodse kinderen werd ondergebracht onder de hoede van een man en een vrouw die daar samenwoonden. Tegen dit stel was in de illegale krant Vrij Nederland gewaarschuwd. Het tweetal zou niet te vertrouwen zijn. Dit besef drong in juni 1943 ook door tot de leden van het Kindercomité. Men zag de ernst van de situatie al snel in: de man en de vrouw waren op de hoogte van het nieuwe contactadres van het comité, dat toen was gevestigd in een studentenhuis in Utrecht: Boothstraat 7. Besloten werd dat het tweetal uit de weg moest worden geruimd. Men nam contact op met een knokploeg, die twee man stuurde om deze klus te klaren. Volgens plan togen eerst Hetty en Gisela naar het huisje om de kinderen op te halen. Dit lukte. Vervolgens deden de twee knokploegle-den, in samenwerking met een afvaardiging van het comité (waaronder Rut Matthijsen, die mij dit verhaal aan de hand deed), een poging het bewuste stel te executeren. Dit mislukte. De man werd weliswaar gedood, maar de vrouw en een daar toevallig aanwezige pleegzoon overleefden de aanslag en waarschuwden de politie. De dienstdoende agent kon na enig speurwerk de fietsen achterhalen van Hetty en Gisela, die op het station in Utrecht waren gestald. Toen zij deze wilden ophalen werden zij gearresteerd. Hetty en Gisela kwamen via een aantal

gevangenissen en kampen (waaronder Vught) in het vrouwenkamp Ravensbrück terecht, waar zij na een ellendige tijd in de lente van 1945 werden bevrijd.

Het contactadres, Boothstraat 7 te Utrecht, werd eveneens verraden, hetgeen tot veel arrestaties in dat huis leidde. Veel leden van het Kindercomité moesten diep onderduiken.

In diezelfde zomer liep ook Manfred Levinson tegen de lamp. Hij overleefde de oorlog niet. Tenslotte werd Ankie Stork gearresteerd, maar na een paar weken weer vrijgelaten.

Dit grote aantal arrestaties heeft geleid tot de onjuiste opvatting, dat het werk van het Utrechts Kindercomité tijdens de zomer van 1943 stil kwam te liggen. Niets is minder waar. Wel was er sprake van een verandering in werkwijze: het werk werd ‘gedecentraliseerd’, dat wil zeggen dat elke afdeling een grotere mate van zelfstandigheid kreeg. In Utrecht werkten Annie de Waard, Jelle de Jong en de twee vriendinnen van Hetty onverdroten voort. Zij verstuurden per post bonkaarten naar verafgelegen adressen of brachten deze rond in Utrecht zelf. De crèche Kindjeshaven bleef nog tot ver in 1944 een veilig adres. In Den Haag, Lemele en Arnhem bleven respectievelijk Nico van der Veen, Ankie Stork en Paul Terwindt actief. Ger Kempe, Geert Lubberhuizen, Anne MacLaine Pont en Frits Iordens verrichtten hand- en spandiensten. Men kan stellen, dat het Utrechts Kindercomité dankzij deze mensen heeft gefunctioneerd tot de oorlogsomstandigheden dit onmogelijk maakten, dat wil zeggen in ieder geval tot de hongerwinter. Ankie Stork in Lemele heeft het werk zelfs kunnen voortzetten tot de bevrijding van Overijssel in april 1945.

Een enkel woord dient op deze plaats te worden gewijd aan de financiering van het Utrechts Kindercomité. In eerste instantie geschiedde dit op incidentele basis. Rut Matthijsen benaderde met dit doel een aantal bevriende studenten van rijke komaf. Deze zorgden via de kennissenkring van hun ouders voor een paar duizend gulden. Ook werd er onder de studenten zelf een soort van collecte gehouden. Ger Kempe benaderde ‘tante Nel’, een juriste die het financieel beheer had over de christelijke scholen in Utrecht. Deze vrouw wist aanzienlijke bedragen voor het kinderwerk vrij te maken.

Maar de belangrijkste financiële steun kwam in de herfst van

1942 van de kant van de katholieke kerk. Waarschijnlijk legden Ger Kempe en X het contact met niemand minder dan de aartsbisschop van Utrecht. Hiervan is enige correspondentie bewaard gebleven, waaruit ik een tweetal fragmenten ovemeem6. Het betreft een rapport, waarschijnlijk opgesteld door Kempe en X, van 29 augustus 1942 en een brief van aartsbisschop De Jong aan de bisschoppen te lande, gedateerd 31 augustus 1942. Het rapport:

‘De zeer bijzondere tijdsomstandigheden brengen met zich dat sinds eenigen tijd voor een groot aantal jeugdige kinderen een onderdak gezocht dient te worden, en wel voor geruimen tijd. Dientengevolge is dit noodzakelijke werk door velen ter hand ge-

nomen. Een groep van deze personen heeft met elkander contact gekregen van meer blijvenden aard en heeft in samenwerking gezorgd voor het onderbrengen van ong. 40 kinderen, hoofdzakelijk in de leeftijden tot en met 10 jaar, in deze gemeente. Dezelfde groep was daarenboven in staat om in verschillende deelen des lands, zoowel in stedelijke als in plattelandsgemeenten, eveneens een aantal van dergelijke kinderen onder te brengen. Dit laatste aantal bedraagt op het oogenblik naar schatting 70 tot 80. Wanneer alle mogelijkheden uitgeput zijn zal in totaal naar voorzichtige raming een aantal van ong. 150 kinderen zijn geplaatst in pleeggezinnen. (...)

Met het oog op het bovenstaande moge thans de vraag gesteld worden of het wellicht, in het kader van de pogingen om finan-cieele steun die thans ondernomen worden, op de weg ligt van het Fonds voor Bijzondere Nooden om hier eveneens hulp te verkenen.’

Dit rapport is in bedekte termen opgesteld. De daarop volgende brief van De Jong aan de Nederlandse bisschoppen laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

‘Hoogwaardige Excellenties,

Hierbij vinden Uwe Excellenties een rapport, gedateerd 29 Aug. 1942. Het betreft hier de onderbrenging van joodsche kinderen, wier ouders het land moeten verlaten. De ‘organisatoren’ moeten natuurlijk heel onopvallend werken, juist wijl iedere ‘organisatie’ illegaal is. Daarom hebben zij ook bezwaar, dat hun namen op schrift komen te staan. Er bestaat geen bezwaar U bij gelegenheid mondeling hun namen te noemen. De twee heeren die hier zijn geweest, zijn Ons bekend als hoogst respectabele en menschlievende personen.

Wij meenen, dat financieele hulp Onzerzijds hier wel op zijn plaats is. (...) Daarom durven wij U voor te stellen, dat ieder Uwer (...) f2500.— beschikbaar stelt voor dit doel. ’

Kennelijk is deze brief niet in verkeerde handen gevallen, want er werd geen officieel onderzoek ingesteld van Duitse zijde. De naoorlogse lezer huivert bij de gedachte wat er gebeurd zou zijn als de brief wèl in verkeerde handen was gevallen. De reactie van de bisschoppen op het aartsbisschoppelijk verzoek was in ieder geval positief, waardoor de financiële positie van het Kindercomité aanzienlijk verbeterde.

Naast deze kerkelijke steun begon De Bezige Bij in de herfst van 1943 geld op te leveren. De relatie tussen het Kindercomité en deze uitgeverij wordt uitgebreid beschreven in het proefschrift van Richter Roegholt. Ik zal daar dan ook niet verder op ingaan.7

Al met al kan men zeggen dat geld nauwelijks een probleem vormde. Er bleef zelfs genoeg over om de groep van Meerburg van het nodige te voorzien. Ook rebellerende kunstenaars konden door ‘De Bij’ worden onderhouden.

De connectie met de aartsbisschop werd ook nog op een andere manier ten nutte gemaakt: Annie de Waard kreeg toestemming om een duplicaat van haar administratie ten paleize in bewaring te geven. Iedere keer dat zij daarin een wijziging wenste aan te brengen werd zij door de aartsbisschoppelijke staf met de nodige egards ontvangen. De administratie van het Kindercomité is bewaard gebleven. Er worden 279 personen in vermeld. Let wel: aan 279 joodse kinderen werden bonkaarten verstrekt. Het werkelijke aantal door het Utrechts Kindercomité ondergebrachte kinderen ligt veel hoger, daar er ook kinderen waren die geen verzorging behoefden, omdat de betreffende pleeggezinnen zelf voldoende voedsel hadden, ofwel omdat de kinderen geld van hun ouders meebrachten. Ik schat het totaal aantal joodse kinderen dat door het Kindercomité van een onderduikadres werd voorzien op 400.

De Amsterdamse Studentengroep

Zoals gemeld zorgden de Amsterdamse studenten in eerste instantie voor de ‘aanvoer’ van joodse kinderen naar Utrecht. Alvorens de werkwijze van deze groep toe te lichten zal ik eerst de verschillende leden van deze groep nader aan de lezer voorstellen.

De groep werd opgericht op initiatief van de in 1919 geboren rechtenstudent Pieter Adriaan Meerburg. Hij werd geschokt door het feit dat een joodse medestudent door Duits toedoen plotseling van het toneel verdween. Hij trad daarop in overleg met Jur Haak, een wat oudere Amsterdamse student die in Utrecht wiskunde studeerde. Jur bracht het contact tot stand met het Utrechts Kindercomité. Piet Meerburg legde contact met de Amsterdamse huisarts Fideldij Dop, die veel joden in zijn praktijk had. Via Fideldij Dop kwam Meerburg aan veel joodse kinderen.

Wouter van Zeytveld, een scholier die in de zomer van 1942 eindexamen had gedaan, werd geboren in december 1923. Hij was afkomstig uit een buurt van Amsterdam waar veel joden woonden en wist vele joodse ouders te overtuigen van de noodzaak om hun kind(eren) af te staan.

Tineke Haak (1922) was een jongere zuster van Jur. Op het Montessori-lyceum leerde zij Wouter van Zeytveld kennen, met wie zij een verhouding begon. Net als Anne MacLaine Pont en Frits lordens in Utrecht was het tweetal onafscheidelijk tijdens de oorlog. Tineke werd ‘koerierster’ voor de Amsterdamse groep. Dit hield in dat zij vaak met joodse kinderen in de trein zat op weg naar Utrecht of naar een onderduikadres. In augustus

1943 werden haar ouders door een toeval gearresteerd. In hun woning werd belastend materiaal aangetroffen. De daar aanwezige joodse kinderen ontsprongen de dans. Jur trok zich na deze arrestatie terug uit het kinderwerk om de verdere opvoeding van de kleinere kinderen Haak ter hand te nemen.

Hans van Loghem was de verloofde van Piet Meerburg. Ook zij werd koerierster van de Amsterdamse groep en wist via haar studentendispuut nieuwe mensen te rekruteren voor het kinderwerk. De studentes Mieke Mees, Iet van Dijk en Alice Brunner

voltooiden de groep van koeriersters rond Piet Meerburg. De beginperiode was waarschijnlijk voor hen heel moeilijk. In de zomer van 1942 bediende de groep zich namelijk van een eigen methode om (een klein aantal) kinderen onder te brengen: zij werden ‘te vondeling gelegd’. De betreffende pleegouders vonden (uiteraard na afspraak) een joodse baby op de stoep van hun huis en lieten deze op het gemeentehuis als vondeling registreren. Daardoor werd het kind legaal, had recht op bonnen en kon dus zonder verdere moeilijkheden in het gezin worden opgenomen. Ze werden, om een term van Piet Meerburg te gebruiken, ‘geariseerd’. Piet Meerburg:

‘Wij hebben dat nogal een aantal keren gedaan en het gekke was: wij deden dat altijd met zijn tweeën. Of Wouter met een van de meisjes, of ik met een van de meisjes. De meisjes wilden dat nooit alleen doen. Want het was psychisch een enorme belasting. Ik herinner me nog wel, ik heb dat eens met Tineke gedaan in Laren.. Dus ze wisten, dat we dat kind op de stoep legden en aanbelden, (...) We déden dat dus ook echt, ’s nachts of ’s avonds. En dan, nou dan gingen we weg. (...) We zijn daarna toen naar mijn moeder gegaan die in Bussum woonde. Ze [Tineke - BJF] was totaal van de kaart. En dat was iedere keer zo. Ze konden het niet alleen doen.8

Aan deze methode kwam een eind toen de Duitse overheid bepaalde dat iedere vondeling in het vervolg als joods kind zou worden behandeld.

Naast het ophalen van joodse kinderen van de ouderlijke woning werd vanaf ongeveer januari 1943 een groot aantal kinderen uit ‘de crèche’ gesmokkeld. Onder de crèche werd verstaan de joodse crèche aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, die als dependance was ingericht van de aan de overkant gesitueerde Hollandsche Schouwburg. In deze schouwburg werden de bij razzia’s opgepakte joden bijeengebracht in afwachting van hun deportatie naar Westerbork en verder. Hun kinderen werden bij binnenkomst in de schouwburg (na een initiatief hiertoe van de Joodsche Raad) gescheiden van de ouders en tijdelijk ondergebracht in de crèche. In deze crèche was de bewaking veel minder streng dan in de schouwburg. Hiervan hebben de Amsterdamse studenten ‘misbruik’ gemaakt. In samenwerking met de directeur van de schouwburg, Walter Süskind (1906-1945), en het joodse personeel van de crèche zijn er naar schatting in totaal door de diverse kinderwerkorganisaties 600 joodse kinderen uit die crèche gesmokkeld. Met name Iet van Dijk heeft zich met dit aspect bezig gehouden. Het is niet nodig diep op de geschiedenis van de crèche in te gaan, zij is elders al voldoende beschreven.9

Ik zal hier volstaan met de mededeling dat tot 29 september

1943 de crèche een belangrijke rol heeft vervuld in de ‘aanvoer’ van joodse kinderen. De kinderen die na deze datum bij razzia’s werden opgepakt, kwamen vaak terecht in een gebouw om de hoek van de oorspronkelijke crèche. Zij kwamen onder de hoede van een zekere juffrouw Akkerman. De kinderwerkers hebben

mondjesmaat nog tot half november 1943 uit dit gebouw joodse kinderen opgehaald, daarna werd ook deze ‘minicrèche’ gesloten.

Vanaf het begin van 1943 begon de Amsterdamse Studenten-groep een eigen koers te varen. Men werd dus onafhankelijk van het Utrechts Kindercomité. Dit hield in dat de groep zelf buiten Amsterdam op zoek ging naar onderduikadressen. Het is mogelijk dat een en ander gedeeltelijk samenviel met de boven reeds beschreven moeilijkheden in Utrecht, waardoor er (tijdelijk) niet genoeg adressen beschikbaar waren. Ik heb voor deze stelling geen overtuigend bewijs kunnen vinden, maar de hypothese lijkt mij zeer plausibel. Hoe dan ook, Piet Meerburg reisde naar Friesland in de hoop nieuwe adressen te vinden. Via zijn in Sneek woonachtige nicht Mia Coelingh (1911), kwam Meerburg in contact met de doopsgezinde predikant W. Mesdag (1896-1975) en met de (uiteraard katholieke) kapelaan G.M. Jansen (1905). Mia Coelingh was vrijzinnig hervormd. Kennelijk knelden de banden van de verzuiling niet genoeg om in Sneek een samenwerking tussen Mesdag, Coelingh en Jansen te verhinderen. Afgesproken werd dat elk lid van dit driemanschap bij zijn of haar gemeenteleden (respectievelijk parochianen) te rade zou gaan met het verzoek om adressen. Dit leverde snel een grote hoeveelheid adressen op. Tevens kwam Meerburg in contact met de leiding van de Friese knokploegen: Pieter Wijbenga in Drachten en Krijn van der Helm in Leeuwarden. Ook deze contacten leverden veel adressen op. In 1944 werd deze afdeling opgeschrikt door de dood van Krijn van der Helm. Van der Helm was door zijn werk in de Friese KP een van de meest gezochte figuren in Nederland. In 1944 werd hij door de SD omsingeld, verzette zich tegen zijn arrestatie en werd doodgeschoten. Het onderzoek naar de Amsterdamse Studentengroep wordt gehinderd door het ontbreken van een lijst van de door die groep ondergebrachte joodse kinderen. Een dergelijke lijst heeft wel bestaan maar is tot op heden onvindbaar. Ik kan dan ook in de verste verte niet zeggen hoeveel kinderen er uiteindelijk in Friesland zijn terechtgekomen. Voorzichtige schattingen der betrokken kinderwerkers doen vermoeden dat dit er een paar honderd moeten zijn geweest. Deze kinderen werden naar Friesland gebracht door met name Iet van Dijk en Alice Brunner.

Intussen probeerde Piet Meerburg andere kanalen te openen. In maart 1943 had hij opnieuw succes. Hij slaagde erin in contact te komen met Johanna (Hanna) van de Voort (1904-1956), een vroedvrouw uit het Noordlimburgse plaatsje Tienray. Naast de ouders van Hanna was op dat adres ook een ondergedoken student in huis: Nico Dohmen (1921). Samen met Nico ging Hanna op zoek naar onderduikadressen. Zij was een bekende figuur in Tienray en omstreken en slaagde er al vrij snel in een flink aantal adressen te vinden. De koeriersters van Piet Meerburg, met name Mieke Mees, brachten vervolgens de kinderen. Hanna haalde zelf ook vaak kinderen uit Amsterdam. De afdeling Tienray kende een grote mate van zelfstandigheid. In tegenstelling tot de

andere onderduikcentra van de Utrechtse en Amsterdamse studenten oefenden Nico en Hanna een grote mate van toezicht uit op de pleegouders waar zij joodse kinderen plaatsten. Regelmatig gingen zij ‘op huisbezoek’. Waren er problemen tussen pleegkind en pleegouders dan probeerden zij daarvoor een oplossing te vinden. Dit kon resulteren in de overplaatsing van een kind naar een ander adres. Ook sloofden zij zich uit om voor een joods kind kleding, schoeisel en wat dies meer zij te verstrekken aan minder kapitaalkrachtige pleegouders. Kortom Nico en Hanna zaten ‘er bovenop’. In de loop van 1943 werden 123 joodse kinderen in Tienray en de dorpen daaromheen ondergebracht. Dit aantal is nauwkeurig vast te stellen, daar Nico kort na de bevrijding van Tienray een lijst heeft samengesteld van de kinderen die hij onder zijn hoede had.

In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1944 werd er door verraad van een zekere Nahon door de SD een inval gepleegd in het huis van de familie Van de Voort en bij verschillende onderduikadressen. Hanna werd gearresteerd, Nico wist zich te verbergen en werd niet ontdekt. Het nieuws kwam Piet Meerburg ter ore, die Mieke Mees naar Limburg stuurde om poolshoogte te nemen. Mieke slaagde erin om Hanna vrij te praten. De inval bij de duikadressen kostte het leven aan zeven ondergedoken joodse kinderen. Zij werden gedeporteerd.

De afdeling in Tienray kwam in de herfst van 1944 in de frontlinie terecht. Nico wist de pleeggezinnen in het gebied te bewegen hun joodse kinderen bij zich te houden en verder rustig af te wachten. Dit advies pakte goed uit: eind november waren de meeste kinderen in Tienray bevrijd, zij het dat in die moeilijke frontperiode verschillende kinderen tijdelijk in schuilplaatsen op het land moesten worden ondergebracht.

Tienray en Friesland waren de voornaamste afzetgebieden van de Amsterdamse Studentengroep. Daarnaast kwamen er kinderen terecht in West-Friesland (in en rond het plaatsje Wijdenes) en in Zuid-Limburg. Het totale aantal door de Amsterdamse studenten ondergebrachte joodse kinderen ligt waarschijnlijk tussen de 300 en 400 (na aftrek van dubbeltellingen in verband met de samenwerking met Utrecht in het eerste jaar na het begin van de deportaties).

Onderduik van joodse kinderen: enkele cases

In dit tweede deel van het artikel komen vier door de studenten-groepen ondergebrachte joodse kinderen aan bod. Twee van hen zullen anoniem blijven, van de twee andere kan ik de naam noemen. Natuurlijk kunnen de belevenissen van deze vier kinderen nooit representatief zijn voor het geheel; zij bieden de lezer enkel een beeld van de problematiek die met de onderduik van joodse kinderen gepaard ging. Over deze problematiek moeten enkele algemene opmerkingen worden gemaakt.

Het idee dat iedereen die in de oorlog een joods kind in huis nam, wel een goed mens moest zijn, is een historische mythe gebleken. Er is nogal met de kinderen gesold. Laat ik echter vooropstellen dat het merendeel der joodse kinderen bij goede pleegouders terechtkwam. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ze gelukkig waren. De scheiding van de eigen ouders kwam hard aan. Maar het leven was dragelijk. Als de kinderen geluk hadden, was er genoeg te eten en werd er zelfs een plaatsje op de lokale school gevonden.

Maar een grote minderheid van de kinderen kwam tijdens de onderduik op een of meer adressen bij minder bonafide pleegouders in huis. Vaak werd een wat ouder kind als hulp in de huishouding aangesteld, met onvoldoende voeding en met zeer lange werktijden. Ook werden kinderen verwaarloosd, kwamen ze onder de luizen te zitten of werden achtergesteld bij de eigen kinderen. Antisemitisme kwam ook nogal eens voor, vaak gepaard gaande met veel slaag. Er zijn gevallen bekend van seksueel misbruik. Soms kwamen mensen uit pure angst tot laakbare dingen. Van dat laatste een voorbeeld. Ik heb in Israël een vrouw geïnterviewd die in 1944 vijfjaar oud was. Zij werd, toen het op haar reguliere duikadres te gevaarlijk werd, tijdelijk naar kennissen van haar pleegouders gebracht. Deze mensen waren zó bang voor ontdekking dat zij het kind niet in huis wilden hebben. Het kind werd voor de periode van een week zonder dak boven haar hoofd in de boomgaard verstopt, zonder eten of drinken. De vrouw kon zich nog goed herinneren dat zij hevige buikpijn kreeg, want het enige wat ze at waren de appels die uit de bomen van de boomgaard vielen. De fruitbomen veranderden ’s nachts in grote enge monsters, die hun tentakels naar haar uitstrekten. Nu nog had zij nachtmerries over fruitbomen.

Er is zeer vaak sprake geweest van onbegrip tussen pleegkind en pleegouders, voortspruitend uit verschil in cultuur en religie. Beroemd is het geval van de goede, maar straatarme boerin uit de Peel, die na lang sparen haar orthodoxe pleegkind een stukje varkensvlees voorzette. Het kind weigerde dat te eten, met als gevolg dat het voor ondankbare vlegel werd uitgemaakt. Het kind kreeg bovendien van de vroege ochtend tot de late avond het katholieke gedachtengoed van zijn pleegouders over zich uitgestort. Een ander voorbeeld: een oudere joodse jongen gaf te kennen graag mee te willen werken op de boerderij. Vervolgens weigerde hij te werken op zaterdag en werd dus prompt voor lui versleten. Kortom, veel pleegouders wisten volstrekt niet wat het joodse geloof inhield. Zij hadden bovendien nooit geleerd zich tolerant op te stellen tegenover mensen van een andere levensovertuiging. In 1944 was een dergelijke tolerantie op het platteland niet gebruikelijk. Dit heeft menigmaal tot zeer heftige spanningen geleid, situaties waarin er sprake was van een te grote culturele kloof tussen pleegkind en pleegouders.

Elly van Leeuwen

Elly van Leeuwen heb ik geïnterviewd in een hotel in New York na afloop van de First International Conference for Hidden Children, die daar eind mei 1991 plaatsvond. Ik trof een keurige dame die mij in een mengsel van Engels en Nederlands verslag deed van haar belevenissen. Een dochter was bij het gesprek aanwezig ‘om steun te verlenen’.

Elly werd geboren op 7 augustus 1931 en was bij het uitbreken van de oorlog acht j aar. Zij groeide op in Scheveningen, haar ouders hadden een zaak waar radio’s, lampen en fietsen werden verkocht. Elly had een zus, die net als zij door het Utrechts Kindercomité van een onderduikadres werd voorzien. Haar ouders waren liberaal joods. Net als andere joodse kinderen moest Elly naar een joodse school in 1941. Dat vond zij angstig, want:

‘als families opgehaald werden, dan kwamen de Duitsers de kinderen halen uit school De laatste dag dat ik naar school ging was de onderwijzer uit de klas gehaald. Nadien ben ik niet meer naar school geweest. Dat was de derde klas. ’

Begin 1942 besloot haar vader zich te melden voor een werkkamp om zodoende zijn gezin buiten schot te houden. Elly heeft hem na zijn vertrek nooit weer gezien. Wel koestert zij nog een foto van haar vader, zittend in de zon voor een barak in Wester-bork.

De rest van het gezin werd tot twee keer toe opgepakt, in overvalwagens gesmeten, maar telkens weer vrijgelaten, ondanks de smeekbeden van Elly’s moeder, die vroeg om bij haar echtgenoot 'te mogen zijn. Na de tweede keer kwam een onbekende op de moeder af met het voorstel om de twee kinderen te laten onderduiken. Elly:

‘Dat was het moment dat ik onderdook. Ik was daarop in het geheel niet voorbereid, dat men zei: “Je gaat met die en die persoon mee. ” Mijn moeder had het in haar hoofd gezet samen te zijn met mijn vader. Ik geloof niet, dat ik nog afscheid heb kunnen nemen. ’

Elly’s moeder kwam van haar besluit om naar Westerbork te gaan terug. Elly weet niet waarom, zij heeft het haar moeder na de oorlog nooit gevraagd. De moeder dook onder in Amsterdam, waar zij als joodse vrouw deelnam aan het gewapende verzet. Zij bracht per fiets wapens over van de ene plek naar de andere. Elly kreeg in korte tijd een flink aantal adressen:

‘Ik was bij een advocaat in Zwolle waar ik in een kamer zat, ik deed niks anders dan Indische geschiedenis lezen. In Nunspeet was ik met iemand die een mongoloïde zoon had, die haar altijd sloeg. De jongen was sterk en zijn moeder een kleine, oude vrouw. Ik geloof dat ik toen naar Zeeland ben gegaan. Ik was in Middelburg bij een familie Van Leeuwen om te beginnen. Dit was een zeer excentrieke familie. Er was nog een meisje ondergedoken, waarvan ik de naam niet meer weet. Zij was twee of drie jaar ouder dan ik, met rood haar en wij deelden samen een kamer. Op een dag kwamen de Duitsers naar dit huis. Het meisje raakte in paniek en rende de tuin in. Ze werd gepakt. Ik deed helemaal niets, geloof ik. Ik bleef bij die familie, ik had tenslotte dezelfde achternaam. Hierna ging ik naar een andere familie in Middelburg. Een arbeidersfamilie, waar twee zonen waren. Ik was daar ongeveer zes maanden. Mij werd verteld dat ik familie van hen

was en dat ik bij hen verbleef voor mijn gezondheid. Op de een of andere manier, ik denk via de ondergrondse, kwam een waarschuwing en vertrok ik naar Utrecht. Ik was drie weken in Utrecht bij iemand die boeken schreef. Ik kan me de naam niet herinneren.

Zij schreef kinderboeken. Ik kan me herinneren dat ik het ene boek na het andere las. Want ik hield van haar boeken. Ik vond haar al aardig voordat ik haar kende en ik was zeer onder de indruk van het feit dat ik bij een der gelijke dame was. Ik kon daar niet naar buiten, moest dus in het huis blijven. Na drie weken, ze konden geen ander adres vinden, was het opnieuw veilig in Middelburg. Ze stuurden me terug naar die familie en daar bleef ik tot het einde van de oorlog.’

Op de twee eerstgenoemde adressen vond ze het vreselijk. Voor de mongoloïde jongen op het tweede adres was zij doodsbenauwd. Bij de overige families voelde zij zich wel op haar gemak, al was er wel een bezwaar:

‘Niemand vertelde je iets. Het enige dat je te horen kreeg was: “Hou je mond”, niets meer. Omdat ik nu de gewoonte heb teveel te praten... Ik ben zeer openhartig en de mensen zeggen: “Jij kunt nooit je mond houden. ” Mijn antwoord daarop is tot op heden: “Ik hoef mijn mond niet te houden. Eens moest ik mijn mond houden en kon ik mijn mond houden. Maar nu doe ik dat niet meer!’”

Op het laatste adres in Middelburg, bij de familie Den Hollander, vond zij het zo fijn dat zij vergroeide met het gezin. Na enige tijd sprak zij zelfs het Zeeuwse dialect. Na de bevrijding kwam haar moeder haar halen, maar:

‘Ik wilde niet mee. Ik wilde niet erkennen dat dat mijn moeder was. Ik herkende haar niet meer. Zij was dikker geworden, zag er anders uit, ze was niet meer de voorname dame die in mijn herinnering stond. Ik wilde niet mee. Nou ja, ze hielden voet bij stuk en toen moest ik wel. ’

De relatie van Elly met haar moeder is na de oorlog altijd problematisch gebleven.

‘Johan Haas’

Johan Haas werd geboren in 1934 te Amsterdam en groeide op in Hilversum. Johan Haas is niet zijn echte naam, ik heb deze naam tijdens het schrijven van dit artikel verzonnen. Ik interviewde hem na de Hidden-Childconferentie vorig jaar. Zijn oorlogsgeschiedenis is een aaneenschakeling van ellende. Hij had een oudere zus en een jongere broer. De drie kinderen zijn allen door het Utrechts Kindercomité ondergebracht. Tijdens de bezetting moest het gezin verhuizen naar Amsterdam. Johan kan zich nog levendig herinneren dat het huis in Hilversum verzegeld werd. Door de anti-joodse verordeningen werd Johan zich op een pijnlijke manier bewust van het feit dat hij een joods jongetje was:

‘De eerste confrontatie met het feit dat ik jood was, was dat een vriendinnetje van mij, waarmee ik op de lagere school zat, tegen mij zei: “Ik mag niet meer met je spelen want je bent een jood. ” Dat is voor mij nog steeds emotioneel. Eigenlijk een breekpunt. Het is eigenlijk nu de eerste keer dat ik het kan vertellen zonder te gaan huilen. Een tijdje geleden heeft iemand me dat gevraagd en toen werd ik vreselijk emotioneel. Het heeft voor mij een vervreemding veroorzaakt. (...) Ik weet nu dat ik me daarna nooit meer thuis heb gevoeld in Nederland. Ik hoorde er niet bij. (...) Ik zie me nog zo staan daar. Haar vader was NSB’er. Dat heb ik dan later gehoord natuurlijk. Maar het is een enorme dreun. ’

Johan dook onder op een adres in de stad Utrecht. De behandeling die hij van de vader in dat gezin kreeg tart elke beschrijving. Ik volsta ermee te melden dat Johan voortdurend het slachtoffer was van seksueel misbruik en sadistische vernederingen. Het Kindercomité wist hier niets van, dus werd hij niet naar een ander adres gebracht. Hij is een jaar lang op dit adres geweest. Deze periode heeft geleid tot ernstige emotionele beschadigingen en leerstoornissen na de oorlog. Kort geleden wist Johan ondanks deze handicaps zijn studie te voltooien. Na de oorlog hoorde hij dat zijn oudere zusje tegen de lamp was gelopen en ‘ergens in Polen’ om het leven was gekomen. Zijn broertje overleefde na een vergelijkbaar slechte onderduik de oorlog.

Johan werd in 1943 op bovenstaand adres gearresteerd en gevangen gezet. Hij werd naar de crèche gebracht, waar hij door een tante weer uit werd gehaald. Na een hele serie tijdelijke adressen belandde hij uiteindelijk bij een familie in Jutphaas, die hem goed behandelde. Daar werd Johan bevrijd.

Thomas Stein

Tom Stein woont nu in Californië. Ik interviewde hem tijdens de conferentie in New York. Zijn zoon en echtgenote waren bij het gesprek aanwezig om hem te helpen zijn onderduikverhaal te doen. Hij werd geboren op 17 september 1931 in Duitsland. Met zijn ouders vluchtte hij in 1937 naar Amsterdam, waar zijn vader een goede baan kreeg als financieel adviseur van een staalbedrijf. Tom werd in het begin door zijn eveneens joodse buren met enig wantrouwen bejegend:

‘Toevallig ontmoette ik een van hen hier (tijdens de conferentie -BJF) die mij herkende. Hij was een buurjongen van mij, een Nederlandse joodse jongen. Deze buren scholden ons altijd uit voor rotmoffen. Ook al wisten zij dat we joods waren en gevlucht uit Duitsland, zij beschouwden ons als vreemden, als indringers. ’

Dankzij zijn hoge functie wist Toms vader de familie te behoeden voor deportatie tot de zomer van 1943. Toen kreeg hij be-

‘Wiebe Dijkstra’

De naam van dit jongetje kan ik niet noemen, dus heb ik een naam voor hem verzonnen: Wiebe Dijkstra. Een Friese naam voor een door Piet Meerburg en Iet van Dijk in Friesland ondergebrachte joodse baby, die werd geboren op 2 mei 1943. Onderstaande informatie is afkomstig uit een dossier van het archief van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK genoemd). Wiebe is tijdens zijn onderduik vaak verhuisd, werd eenmaal gepakt en kwam via de crèche op 9 november 1943 bij pleegouders in de regio Sneek terecht, waar hij uitstekend werd verzorgd. Zijn onderduikperiode verliep niet wezenlijk anders dan die van andere baby’s, maar OPK werd na de oorlog met een levensgroot probleem geconfronteerd: wat was de identiteit van ‘Wiebe’? Het dossier geeft een schrijnend beeld van de enorme speurtocht naar de ware naam van het kind. Het onderzoek sleepte zich meer dan een jaar voort, talloze mensen werden ondervraagd, tot uiteindelijk iemand de kleding herkende die Wiebe aan had toen hij in Friesland arriveerde. Toen de identiteit van het jongetje onomstotelijk vaststond, bleek dat de moeder van Wiebe nog leefde. In de zomer van 1946 werden de twee herenigd.

Slot  

 

Ik    ben mij bewust van het feit dat bovenstaand verhaal geen we

tenschappelijk artikel is in de strikte zin van het woord. Het bevat geen probleemstelling en conclusie. Wel sta ik geheel in voor de authenticiteit van het gebodene. Ik heb getracht de lezer een overzicht te geven van het kinderwerk der Utrechtse en Amsterdamse studenten en de problemen die daarmee gepaard gingen. Voor een meer wetenschappelijke benadering van deze problematiek wil ik de lezer graag verwijzen naar mijn dissertatie, die naar ik hoop aan het eind van 1993 het licht zal zien.

Noten

1.    Uiteraard zijn er meer verzetsgroepen geweest die joodse kinderen hebben ondergebracht. Ik denk bijvoorbeeld aan de familie Boogaard in de Haarlemmermeer. Echter, geen van deze specialiseerde zich in hulp aan joodse kinderen. Zij brachten dus ook volwassenen onder dak.

2.    Zie voor een uitgebreide geschiedenis van deze groep: Flim, B.J., De NV en haar kinderen 1942-1945: geschiedenis van een Nederlandse verzetsorganisatie, gespecialiseerd in hulp aan Joodse kinderen. (Doctoraalscriptie, uitgeverij CHEV, Amsterdam, 1990). Een samenvatting van deze scriptie is in het aprilnummer van 1988 van dit blad gepubliceerd.

3.    Roegholt, R., De geschiedenis van de Bezige Bij 1942-1972, Amsterdam, 1972, p. 320-321

4.    Interview met Rutger Matthijsen, deel 1,1 augustus 1990, pp. 26-27.

5.    Kempe, G.T., Brief aan An de Waard, d.d. 29-08-1944, persoonlijk archief An de Waard.

6.    Beide genoemde documenten bevinden zich in het persoonlijk archief van Hetty Voüte.

zoek van dr. Fideldij Dop, die aanbood voor de drie kinderen een onderduikplaats te verzorgen. Dit aanbod werd aangenomen en Tom werd door Hanna van de Voort naar Tienray gebracht. Nico Dohmen toog aan het werk om een permanent onderduikadres te verzorgen voor de jongen. Tom ging met hem mee. Hij weet zich nog levendig te herinneren hoe hij van de ene boerderij naar de andere werd geleid. Overal kregen Nico en Tom nul op het rekest, hetgeen Tom als een vernederende ervaring onderging:

‘Ik geloof dat het een hele tijd heeft geduurd, maar uiteindelijk kwamen we bij een boer terecht. We hadden de hele dag gelopen. Het was een zeer ontmoedigende dag geweest. Zowel Nico als ik waren zeer teleurgesteld door de vele afwijzingen. En we kwamen bij deze man en die zei dat hij zich er zeer ongemakkelijk onder voelde om een jongen te nemen, omdat hij vijf dochters had. En toen vroeg Nico of hij het niet... Hij zei dat hij het in overweging zou nemen, maar hij was er niet zeker van dat zijn vrouw het zou willen of niet. Dus vroeg Nico de vrouw te spreken. En toen...

Laat me even van het verhaal afwijken. Het waren zeer onwetende boeren. Dit was een rooms-katholiek gebied van Holland. Zij waren vroom katholiek. Het kwam erop neer, dat Nico tegen hen zei dat als ze mij in huis wilden nemen, dat dat hun een plaats in de hemel zou garanderen. Dat was, zo u wilt, een soort van religieuze omkoperij. Zij stemden toe mij onder te brengen op die basis. Plus het feit dat ze zagen dat we zeer vermoeid en teleurgesteld waren. En ik geloof dat zij ook waren geïnteresseerd in extra hulp op de boerderij. Het waren arme boeren en zowel Nico als ik zeiden dat ik in staat zou zijn om mee te helpen. ’

Tom bleef tot de bevrijding van Tienray op dit adres. Nadat hij het dialect meester was geworden vond hij het er fijn. Hij hielp mee op de boerderij. De frontperiode was natuurlijk moeilijk, zowel voor Tom als voor het gezin. Na overleg met de boer besloot Tom in de zomer van 1944 om ’s nachts in een naburig bos te gaan slapen. Daar was een schuilplaats ingericht. Op een van de schaarse momenten dat Tom zich daarna in de boerderij van zijn pleegouders bevond, kreeg het gezin inkwartiering van het Duitse leger. Tom kon niet meer op tijd wegkomen. De soldaten accepteerden het verhaal dat hij een zoon was van de boer. Aan die rol zat hij dus vast:

‘Ik was erg bang, maar ik zat daar vast. Ze hadden me gezien. Ik was bang om weg te gaan. Ik wilde wel graag weg en me verstoppen in het bos, maar ik wist dat als ik me verstopte in het bos, dat ik dan het leven van de boer en zijn dochters in gevaar zou brengen, omdat de Duitsers dan wantrouwig zouden worden als de zogenaamde zoon ineens verdwenen was. Dm bleef ik daar gedurende die tijd. ’

Tom werd na twee maanden acteren bevrijd door Engelse en Ierse troepen.

7.    Roegholt, R., De geschiedenis van De Bezige Bij 1942-1972., Amsterdam, 1972.

8.    Interview met Piet Meerburg en Wouter van Zeytveld, Amsterdam, 28-01-1988.

9.    Zie hiervoor onder andere: 1. Ommeren, A. van & Scherphuis, A. De crèche, 1942-1943. Vrij Nederland bijlage, 8-01-1986 of 2. Flim, B.J., De NV en haar kinderen, Amsterdam, 1990 of 3. Schellekens, M., Op zoek naar Walter Süskind, ongepubliceerde doctoraalscriptie, Alkmaar, 1992.

1

Drs. B.J. Flim is historicus en werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen

Referentie: 
Bert-Jan Flim | 1992
In: Icodo Info , ISSN 0168-9932 | 9 | 2 | augustus | 68-86