Een zaak van erkenning

Onderzoek

Toen Thea Boissevain in de zomer van 1945 in Nederland terugkeerde, was ze in het luxe bezit van stof. Ze had, nadat ze eind april door het Zweedse Rode Kruis uit kamp Ravensbrück was bevrijd, in Stockholm kunnen werken voor de ambassade. Van wat ze daar had verdiend kon ze in elk geval één mantelpakje laten maken, in een elegant maatje, zodat ze wat had om aan te trekken naar kantoor. Waar een collega zei: ‘Toch niet slecht, zo’n kamp; zulke mooie pakjes hebben wij hier niet.'

Toen Dries van Dantzig - na zeven jaar kuren plus een long-operatie - hersteld van de tbc die hij tijdens zijn gevangenschap in kamp Neuengamme had opgelopen, midden jaren vijftig bij een beroemd hoogleraar psychiatrie solliciteerde naar een plaats als arts-assistent, liet deze hem niet toe tot de opleiding, omdat hij ‘niet het risico wilde lopen dat hij weer ziek werd'. Toen mej. X terugkwam werd ze door haar schoolbestuur ontslagen. Ze had in de oorlogsjaren teveel mannen over de vloer gehad. Leden van een knokploeg weliswaar, plus af en toe een onderduiker, maar het was niettemin ‘onzedelijk gedrag’.

De gruwelverhalen over 'de terugkeer’ zijn legio. Voor joodse overlevenden kwam daar nog bij dat zij, anders dan deze verzetsmensen, meestal niet eens meer familie of vrienden hadden om heen ‘terug’ te keren; zie het werk van Gerhard Durlacher. Psychotherapeut Jaap Tas, die zelf Bergen-Belsen overleefde, voorspelde in 1946 dat het kampverblijf op lange termijn wel eens psychische schade kon veroorzaken; veel hing af van ‘de stemming in het vaderland, de algemeene houding tegenover de teruggekeerden en de mate waarin getracht wordt in hun nooden te voorzien’ - zaken helaas, waarover ‘vrijwel alle teruggekeerden van alle schakeeringen zoo hartgrondig ontevreden en dikwijls diep teleurgesteld zijn’. Als men al niet harteloos werd bejegend, dan ontbrak het toch vaak aan belangstelling. Volgens Eddy de Wind, psychiater en overlevende van Auschwitz, raakte de Nederlandse bevolking al snel verzadigd van de verhalen.

De Winds bittere constatering stamt uit 1949. Nu, een halve eeuw later, zijn precies de ‘terugkeer en opvang’ onderwerp van een groots opgezet historisch onderzoek. Vijf miljoen maar liefst stelde de regering na onder meer de onthutsende Liro-onthullin-gen beschikbaar om nu eens goed uit te zoeken hoe de terugkeer en opvang zijn verlopen. Een grote groep onderzoekers is onder auspiciën van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) de afgelopen maanden van start gegaan.

Zelden zal een historisch onderzoek zich reeds bij aanvang hebben mogen verheugen in zo’n massale belangstelling van media en betrokkenen als de SOTO sinds de herfst te beurt viel. Op een symposium begin december in de Amsterdamse RAI kwamen ruim zevenhonderd slachtoffers verslag doen van hun weerkeer naar het bevrijde vaderland. Een uniek gebeuren en een unieke start voor een onderzoek.

 

Valkuilen

Maar op de euforie volgde de kritiek. Van onbetwist deskundige zijde. Journalist Gerard Mulder, auteur van onder meer de Van Randwijkbiografie en de naoorlogse geschiedenis van verzets-krant Het Parool, viel er in het Historisch Nieuwsblad over dat SOTO het onderzoek heeft voorzien van het motto ‘een zaak van erkenning’. Dat schept gevaarlijke verwachtingen, meent Mulder, want ofwel er komt een politiek-correct onderzoek uit de bus, dat braaf de oren heeft laten hangen naar de klagerige 'doelgroepen’ maar wetenschappelijk niet deugt; ofwel het onderzoek toont, historisch verantwoord, een complexer en genuanceerder beeld dan dat heel Nederland harteloos was, en dan voelen de slachtoffers zich opnieuw miskend.

In HP/De Tijd uitte socioloog J.A.A. van Doorn soortgelijke twijfels. Hij plaatste het SOTO-onderzoek bovendien in de context van onze ‘klaagcultuur’; het is riskant, meent Van Doorn, om ‘op grond van thans bestaande klachten vast te stellen of die een halve eeuw geleden gerechtvaardigd waren’. Verder acht hij de ‘grenzen van het onderzoeksgebied roekeloos ruim’. Want niet alleen de terugkeer van de joodse overlevenden en de vaak vergeten Sinti en Roma is onderwerp van onderzoek, maar ook die van bijvoorbeeld ex-politieke gevangenen, van mensen die voor de Arbeitseinsatz hebben gewerkt en van gerepatrieerde Indische Nederlanders.

Al deze en veel andere kritiek snijdt hout. Niettemin heb ik mijn vulpen en blocnote niet in de prullenmand gegooid, noch mijn ontslag ingediend bij SOTO. Volgens mij zijn deze risico’s te ondervangen.

Een van de methodologische wegen uit de door Mulder en Van Doorn genoemde valkuilen is ‘deconstructie’ van de gangbare tweedeling ‘samenleving enerzijds, teruggekeerden anderzijds’. Juist in de door Van Doorn bekritiseerde diversiteit van te onderzoeken categorieën ‘oorlogsgetroffenen’ (op die term kom ik nog) liggen daartoe aanknopingspunten. Door die dichotomie te ontmantelen, of de samenstellende delen te ontbinden in de (f)actoren van 1945, wordt onderlinge vergelijking en differentiatie mogelijk, kunnen de verschillende posities en rollen van de diverse groepen teruggekeerden in relatie tot elkaar worden ontleed, en worden die groepen bovendien ontdaan van hun passieve slachtofferschap. Het was namelijk niet ‘de’ samenleving als een amorfe eenheid die hardhorend en hardvochtig was. Op gironummer 194045 van de Stichting 1940-1945 kwamen de eerste naoorlogse jaren bij inzamelingen enorme bedragen binnen; in allerlei bedrijven werd een uur gratis gewerkt om de kas voor de verzetsweduwen te vullen. Anderzijds beschouwden juist veel van de hedendaagse ‘oorlogsgetroffenen’ zelf elkaar indertijd niet als slachtoffer. Zo organiseren degenen die voor de Arbeitseinsatz werkten zich nu als (lang miskende) oorlogsslachtoffers maar in 1945 moest juist het verzet van deze groep niets hebben, en werd in elk geval nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen wie zich na oproep hadden gemeld en wie bij een razzia waren gepakt.

Terugkeer, opvang en erkenning van de ‘getroffenen’ verschilden individueel zowel als groepsgewijs. Wat betreft nationale erkenning, voorzover uitgedrukt in geld en monumenten (maar daarmee is zeker niet alles gezegd), liepen verzetsinvaliden en -nabestaanden een kwart eeuw voor op de joodse overlevenden (de wetten kwamen respectievelijk in 1947 en 1973 tot stand). Deze twee groepen stonden bovendien voor uiteenlopende emotionele opgaven: waar het verzet vooral teleurgesteld was (en is) in de geringe rol die zijn ‘hoge geestelijke waarden’ speelden in het naoorlogs bestel ('hebben we het dan allemaal voor niets gedaan?’), ontbrak het de joodse overlevenden aan de broodnodige materiële hulp, aan medeleven, aan (gelegenheid tot) rouw, en aan de erkenning dat het vaderland te kort was geschoten in het beschermen van deze groep burgers. Naar de mate waarin de verzetssuccessen van het ‘heidenvolk’ zwaarder werden aangezet (Wilhelmina’s 'niet vergeefs’), raakten precies rouw en falen uit zicht. 

Ook ‘Het Verzet’ zelve was geen eenheid, al helemaal niet wat de toekomst betreft: voor het christelijk verzet bijvoorbeeld was de Tweede Wereldoorlog een antitotalitaire (dus ook anticommunistische) oorlog, terwijl voor communisten de nationale bevrij-ding (ook) een sociale bevrijding moest zijn: de eerste stap op weg naar ‘een rechtvaardiger samenleving’. Ten tijde van de koude oorlog, toen totalitarisme hét issue was, raakten diverse verzetsorganisaties gesplitst in een communistisch en een niet-communistisch comité, een ontwikkeling die veel persoonlijk leed heeft veroorzaakt en de ‘verwerking’ heeft bemoeilijkt. Een ander breekpunt was de dekolonisatie. Voor rechts was het behoud van Indië een must, het linkse verzet sympathiseerde met de Indonesische vrijheidsstrijders (die zelfs nu in sommige ex-Indische kringen nog ploppers heten). Dit bracht met zich dat Indische oorlogsslachtoffers allereerst als kolonialen werden gezien en op weinig mededogen konden rekenen.

Kortom: als we willen onderzoeken hoe het komt dat de terugkeer teleurstellend is geweest en het de overlevenden en repatrianten aan opvang heeft ontbroken, is een eenvoudige tweedeling ‘teruggekeerden’ versus ‘samenleving’, of zelfs: slachtoffers versus daders, geen vruchtbaar perspectief. Door die dichotomie aan een kritische blik te onderwerpen wordt tegemoet gekomen aan de twijfels van Mulder en Van Doorn: de slachtoffers kunnen als dit onderzoek goed wordt uitgevoerd per definitie niet als collectief teleur- of tevreden worden gesteld, omdat de slachtoffers niet bestaan. Hun onderlinge verschillen relativeren hun ‘gelijk’; het ‘gelijk’ (de klacht, de interpretatie, het probleem) van de ene groep spreekt dat van de andere namelijk nogal eens tegen.

 

Verschillen in oorlogservaringen

In dit opzicht heeft historisch onderzoek wezenlijk andere doelstellingen dan therapie, hoe heilzaam de effecten soms ook zijn. Uit de therapeutische benadering van de oorlogsproblematiek komt de inmiddels tot cliché verworden notie voort dat er ‘geen hiërarchie bestaat in leed’. Voordat die gedachte gemeengoed was is in de onderlinge omgang tussen slachtoffers (of dat nu publiek of zelfs binnen de familiekring was) nogal eens leed ontkend, en daarmee vergroot, doordat het kamp van Piet ‘erger’ moest heten dan de onderduik van Miep en Miep dus beschaamd of wrokkig zweeg; Eefje ook, want die was tijdens haar onderduik ‘nog maar een kind’. Et cetera. Sinds de destructieve werking van slachtofferrivaliteit is onderkend wordt er in oorlogs-zelfhulpgroepen en door hulpverleners angstvallig voor gewaakt te suggereren dat de ene ervaring traumatiserender zou zijn dan de andere. Terecht geldt in psychotherapie de wet dat het lijden zo erg is als het is beleefd; hoe hard een ‘trauma’ aankomt hangt nu eenmaal van veel factoren af (persoonlijkheid, sociale steun, cultuur, opvang), waarvan de ‘objectieve zwaarte’ niet de zwaarst wegende is; het gaat in therapie dus niet om waarheid en weging in juridische zin.

In historisch-sociologisch onderzoek echter dient de beleving wel degelijk te worden getoetst aan de feiten. Niet met het doel die beleving te bagatelliseren, te reduceren of te ontkennen, maar juist om vervolgens serieuze vragen te kunnen stellen, zoals hoe het komt dat sommigen een minder zwaar kampregime toch als extreem bedreigend hebben ervaren, of waarom sommige groepen steevast verongelijkt zijn over maatregelen waardoor anderen zich wel ‘erkend’ voelen. Vergelijking, in therapie een doodzonde, is voor sociaal-historisch onderzoek juist een vruchtbare methode, die de absoluutheid van standpunten (of ervaringen) relativeert, zaken in breder perspectief plaatst en reliëf geeft aan uiteenlopende ervaringen. Gaat het bij het Indische trauma wel om een oorlogstrauma of lijdt men daar onder het verlies van land, taal, rijkdom, cultuur? En gelden elders in de wereld de persoonlijke gevolgen van de dekolonisatie ook als holocausttraumatal Zijn de veteranen van de ‘politionele acties’ daders, slachtoffers of allebei en zo ja: van wie of wat eigenlijk? Heeft het verzet rond 1945 nooit geopperd dat er ook voorzieningen voor de joodse terugkerenden nodig waren? Hoe komt het dat we zo zelden hebben gehoord over het seksueel geweld dat zich bij de terugkeer, vooral uit de Sovjet-zone, wel degelijk voordeed?

Enzovoorts. Zulke vragen zijn binnen het hedendaags oorlogs-praatgroepwereldje taboe maar dienen in wetenschappelijk onderzoek vrijuit aan de orde te komen. Door er niet voor terug te schrikken nauwkeurig te differentiëren en verschillen, rivaliteit en onderlinge haat en nijd te benoemen en te analyseren (zoals die helaas overvloedig bleken toen op het tweede SOTO-sympo-sium een zaal vol Indische Nederlanders opstapte omdat het ‘alweer over de joden ging’), kan de SOTO ontkomen aan besmetting met de huidige epidemische uitbraak van wat Van Doorn in zijn kritiek slachtofferitis noemt.

De vereiste schoonmaak begint al met de terminologie. Het is in Nederland gebruik geworden te spreken van oorlogsgetroffenen. Dit eufemistisch germanisme is in ambtelijke en welzijns-kringen niet voor niets bedacht: het verdoezelt onderlinge tegenstellingen en brengt de diverse groepen die recht hebben op een of andere voorziening onder één hanteerbare noemer (want bijvoorbeeld het voormalig verzet vindt de betiteling oorlogsslachtoffer beledigend). De term is dus geen objectieve categorie maar een historisch product dat nu net een eenheid op grond van claims-op-basis-van-lijden symboliseert en creëert.

Immers, dat tegenwoordig de (anti-)koloniale en de koude-oorlogsverdeeldheid grotendeels voorbij lijken, heeft er onder meer mee te maken dat de verschillende soorten ‘oorlogsgetroffenen’ elkaar op een gedeeld belang hebben gevonden: iedereen wil erkenning, of die nu materieel is of immaterieel. En dat raakt weer aan voornoemde slachtofferitis. Tot de ingrijpendste mentale ontwikkelingen die zich tussen 1945 en nu hebben voorgedaan behoort een toegenomen compassie met slachtoffers. Bovendien zijn mensen het gewoner gaan vinden over anderen en zichzelf te denken in psychologische termen en zijn we gevoelens en het uiten daarvan hoger gaan waarderen. ‘Therapie’ was in 1945 en 1955 en 1965 nog vrijwel onbekend of taboe - tot veler nadeel ongetwijfeld. Met die mentale veranderingen zal in het onderzoek terdege rekening moeten worden gehouden. We moeten ons bijvoorbeeld realiseren (en er zijn bronnen genoeg die dat illustreren) dat er ook overlevenden waren die zelf indertijd niet wilden praten of horen, of in elk geval dachten dat ze dat niet wilden: ‘We wilden leven, we wilden plezier, de oorlog was voorbij’. Het zou interessant zijn juist van hen te vernemen hoe zij dat nu zien.

Pejoratief kan men de emancipatie van het slachtofferschap en vooral de uit wassen daarvan afschilderen als een culture of complaint', mensen claimen 'recht op opvang’, zegt Van Doorn, zelfs al hebben ze net het geluk gehad een lawine te hebben overleefd. Je kunt de huidige hausse in 'oorlogsslachtoffers' echter heel wel kritisch analyseren zonder van de weeromstuit de flinkheids-moraal van de wederopbouw tot norm te verheffen, die met name voorbijging aan het joodse leed, maar sowieso weinig besef toonde van verschijnselen als nachtmerries, angsten, dwanghandelingen. In veel gevallen zal het zo zijn dat een al lang zeurend onbenoembaar verdriet, vage of hevige teleurstelling of zelfs ernstige lichamelijke of psychische stoornissen op dit moment gegoten worden in een uitkeringsclaim of in de verwijtende mal: geen opvang gehad. Het zijn die claims en die mal, niet de rouw of de teleurstelling zelf, die het gevaar van anachronistisch onderzoek opleveren.

 

Kritische analyse

Zo’n kritische analyse van de culture of complaint impliceert grondige bronnenkritiek. Oral-historymatenaal kan netzomin als ander historisch materiaal ongeproblematiseerd worden gebruikt. Dat betekent niet dat de verhalen van bijvoorbeeld het december-symposium met een korreltje zout moeten worden genomen - het is uniek materiaal. Het betekent wel: alvorens te interpreteren zorgvuldig nagaan waarover welk materiaal wel of niet iets zegt; welke 'bewerkingen’ het moet ondergaan; waarmee het vergeleken en waaraan het gecheckt kan worden. Die voorzorgen zijn alleen al vereist omdat de representativiteit van de symposium-bezoekers nihil was. De meeste teruggekeerden immers zijn tussen 1945 en nu overleden; velen vertrokken, naar Israel bijvoorbeeld, en van wie dan resteren zullen diegenen die tevreden zijn, of hun oorlogsverleden lang achter zich hebben gelaten, of juist echt zwak, depressief, angstig of geïsoleerd zijn, zich niet gauw naar een dergelijke klachten-inventarisatiedag begeven; de 'zaakwaarnemers’, de bloeiende Nederlandse oorlogsindustrie, daarentegen wel. Maar, als bekend: ook een n=l studie kan veel wijsheid opleveren.

Kritische analyse betekent ook rekening houden met de invloed van traumatisering op het geheugen. Historici beschikken zelden over psychiatrische kennis; dat maant dus tot extra voorzichtigheid. Trauma kan zowel aanleiding zijn tot obsessief herinneren als tot amnesie. Die amnesie kan onder invloed van gesprekken of maatschappelijke aandacht verminderen of zelfs verdwijnen. Maar dat betekent niet dat dan de 'zuivere’ waarheid ‘boven’ komt. Ervaringen worden pas na interpretatie als herinnering opgeslagen. Mensen zijn voor die interpretatie aangewezen op wat hun aan noties ter beschikking staat. Herinneringen worden dus sociaal gevormd, in relatie tot in de samenleving vigerende verklaringswijzen of taboes. Vijftig jaar later circuleren andere mogelijke interpretaties en kan men zich ervaringen en gevoelens ‘herinneren’ die eerder verdwenen waren, of verzwegen of anders geïnterpreteerd. Men denke aan de gevallen van ‘gedwongen prostitutie’ door zogenaamde ‘troostmeisjes’ die de afgelopen jaren aan het licht kwamen, of aan de herziening van zijn kampherinneringen door Jorge Semprun nadat hij zijn communistische levensovertuiging had verloren. Maar ditzelfde proces biedt omgekeerd ook ‘gelegenheid’; biedt mogelijke verklaringen voor slecht te vatten verdriet, doordat ook trauma-verwerking gaat via het creëren van ‘zin’. Achterstelling kan een vorm van zingeving zijn, het koesteren van de identiteit ‘oorlogsslachtoffer’ ook. Dit werpt op verhalen over een teleurstellende terugkeer een ander licht. Aan de aanbeveling dat we de terugkeer en opvang ‘in zijn historische context moeten plaatsen’, is dan ook niet voldaan met historische feitjes van het genre: ‘Nederland was nog maar net bevrijd en had geen trucks’.

Al deze moeilijkheden vormen een motief om inventief naar 'oude' bronnen te zoeken, ook al omdat die interessant materiaal vormen om attitudes van toen en nu te vergelijken. Uit romans, brieven, egodocumenten en gesprekken valt vaak ontroerend precies te destilleren wat de slachtoffers bij hun terugkeer als hartverwarmend aangreep, bij wat voor gestes men het gevoel had begrip en steun te ondervinden, en wat daarentegen als kil en kwetsend werd ervaren. Toen Nacht and Nebelgevangene Henriette Roosenburg na een toevallig niet uitgevoerde doodstraf en een moeizame, zelfgeregelde terugtocht vanuit een tuchthuis aan de Tsjechische grens, uiteindelijk in Brussel kwam, kreeg ze daar een insigne opgespeld waarop stond dat ze politiek gevangene was geweest. Met dat eervolle insigne mocht ze gratis met de tram (en als lezer schieten je de tranen in de ogen omdat er dan mensen voor haar opstaan); het insigne maakte ook dat zij, hoewel ze eruitzag als een vagebond, in een sjiek restaurant naar de allermooiste tafel werd gebracht. De ontvangst in Nederland wordt door de lezer van dit verhaal (En de muren vielen om, Amsterdam 1957) vervolgens ervaren als een ijskoude douche: niks insignes; Roosenburg en haar clubje illegalen mochten niet eens doorreizen, want boven de rivieren hadden volgens een burocratische ambtenaar de mensen nog niet genoeg te eten -geen idee kennelijk uit welke hel deze landgenoten op aarde waren teruggekeerd. Maar het interessante is: Roosenburg en haar vriendinnen uiten geen klacht en voelen zich nergens slecht behandeld; ze zorgen gewoon opnieuw zelf dat ze komen waar ze wezen willen: thuis, waar goddank de naaste familie nog in leven blijkt.

Zowel Van Doorn als Mulder vrezen dat de SOTO onder druk staat te bewijzen dat het allemaal niet deugde. Die druk is er ontegenzeggelijk; in de media werd SOTO zelfs verweten dat het onderzoek niet in een politiek program van eisen uitmondt. Maar even riskant als de druk is de verleiding. De verleiding goed te doen en goed te maken. Eindelijk te zeggen waar het op staat. Onderzoekers kunnen de neiging hebben zich te maken tot vertolkers van leed. Voor historici komt daar nog bij dat ze niet gewend zijn ‘levende subjecten’ te onderzoeken. Meestal gaan zij immers over papieren en doden. Zij hebben zelden interviewtrai-ning gehad en al helemaal niet de psychotherapeutische opleiding waarin men leert te reflecteren op eigen emotionele reacties en behoeften. Het vereist oefening en zelfkennis om betrokken te zijn bij mensen die een oorlog hebben meegemaakt zonder zich te verstrikken in processen als identificatie en projectie (of, omgekeerd: in beroepscynisme - laten wij ook de afweermechanis-men niet vergeten!).

Men zal in het SOTO-onderzoek empathisch moeten luisteren zonder zich te identificeren met elke ervaring. Men zal ervaringen serieus moeten nemen zonder in een symbiose te belanden of ghost-writer te worden. En soms zal serieus-nemen betekenen dat men tot een andere interpretatie komt dan de betrokkenen zelf. Die kunnen dat pijnlijk vinden of verhelderend of allebei. Dat weet je niet vooruit en dat mag er niet toe doen.

 

Noten

 

- Dit artikel is eerder verschenen in De Groene Amsterdammer van 5 mei 1999.

- De foto bij dit artikel is afkomstig uit: Wim Willems en Leo Lucassen (red.). Het onbekende vaderland. De repatriëring van Indische Nederlanders (1946-1964). Den Haag: Sdu Uitgeverij Koninginnegracht, 1994.

 

Dr. J. Withuis, historisch-socioioog, is onderzoekster bij de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO)

Referentie: 
Jolande Withuis | 1999
In: Icodo Info, ISSN 0168-9932 | [16] | 1/2 | 33-40
Trefwoorden: 
burger-oorlogsgetroffenen, burger-oorlogsslachtoffers, concentratiekampen, erkenning, joden, oorlogsslachtoffers, Overlevenden, Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO), terugkeer, Tweede Wereldoorlog (1939-1945)