Een feestje voor de naoorlogse generatie

Op 30 november 1996 wordt in de Rode Hoed in Amsterdam een bijeenkomst gehouden onder de naam ‘De naoorlogse generatie naar het jaar 2000 en verder’. Het organisatiecomité bestaat uit vertegenwoordigers van INOG, JONAG, KvV en ICODO.

INOG staat voor de Werkgroep Indische Naoorlogse Generatie van de Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bers’ap 1941-1949 (KJBB). JONAG is de Vereniging voor de Joodse Naoorlogse Generatie. KvV is de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers 1940-1945.

De drie organisaties van ‘de tweede generatie’ bestaan nog niet zo lang. KvV (vierhonderd leden) is in 1989 opgericht, door mensen die elkaar hadden ontmoet in door het ICODO georganiseerde gespreksgroepen van kinderen van verzetsdeelnemers. INOG, met eveneens verhonderd leden, bestaat al sinds 1987; in 1988 sloot zij zich als werkgroep aan bij de KJBB. JONAG heeft honderdvijftig leden en is in 1993 ontstaan, als direct voortvloeisel uit het verzet tegen de sluiting van de Wet Uitkeringen Ver-volgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) voor de naoorlogse gene-rat e. In het verzet tegen die sluiting hebben ook INOG en KvV zich geroerd.

Jack Weil (47) van JONAG: ‘De strijd om de WUV hebben we jammerlijk verloren, maar er is toen wel gebleken dat er behoefte was aan een eigen club van na de oorlog geboren joden. De mensen die zich bij JONAG hebben aangesloten, hebben jarenlang in een isolement gezeten en vinden bij onze organisatie herkenning. Dat isolement heeft Tamarah Benima zo mooi ‘de lege sociale ruimte’ genoemd [z'e ICODO-info 1994-1, red.]. Er was behoefte om elkaar, lotgenoten, te ontmoeten en helemaal niets uit te hoeven leggen.’

Het zijn gevoelens die ook bij KvV’ers en INOG’ers spelen. Joke van Beetem (30) van KvV: ‘Alle drie de organisaties doen aan belangenbehartiging, maar meer nog vormen zij een plek waar je je thuis en veilig voelt. Een eigen vereniging is voor mij erg belangrijk. Ik ben altijd wel donateur van allerlei eerste-ge-neratiegroepen geweest, maar de contacten met mijn eigen generatie zijn voor mij minstens zo belangrijk. Omdat je elkaar kunt vertrouwen. Heel veel KvV’ers zijn, net als ik, opgegroeid met ouders die wantrouwend waren jegens de buitenwereld. Alles moest binnen het gezin en de familie blijven, want andere mensen, andere instanties waren niet te vertrouwen. Dat is overgegaan op de kinderen. Bewust of onbewust. En bij KvV weet ik dat het een veilige groep is. Dat is erg prettig.’

Hansje Cozinsen (28) van INOG beaamt: ‘Ik was een paar jaar in therapie geweest maar ik had nooit een verband gelegd tussen mijn e'gen problemen en het oorlogsverleden van mijn moeder. Mijn moeder heeft mij aangeraden om eens contact op te nemen met INOG. Het bleek een organisatie te zijn waar ik mijn ervaringen kan delen en waar ik begrip krijg. Ik vond eindelijk waar ik heel lang naar heb gezocht. Mi n moeder heeft als jong kind in een Jappenkamp gezeten en dat heeft bij haar tot een heleboel problemen geleid waarvan ik als kind de directe gevolgen ondervond. Ik was te loyaal jegens mijn ouders, had een enorme angst om iets niet goed te doen. Ik had het gevoel dat ik mijn moeder nooit blij kon maken en was onzeker of ik überhaupt wel mocht leven. Het gevoel dat je niet voor jezelf mag opkomen. Ik heb heel lang gedacht dat er iets grondig mis met mij was, totdat ik bij INOG ontdekte dat er een verband is tussen mijn problemen en de angsten en wanhoop van mijn moeder. Het was haar paniek die ik me eigen had gemaakt.’

De vader van Joke van Beetem was verzetsman, werd ter dood veroordeeld en zat zes maanden gevangen in de dodencel van het Oranjehotel in Scheveningen. Zijn moeder was joods; een groot deel van de familie heeft de oorlog niet overleefd. Joke: ‘In eerste instantie besefte ik niet dat de oorlogservaringen van mijn vader mijn leven zo erg hebben bepaald. Je voelt je wel minder op je gemak bij mensen die vrolijk fluitend door het leven gaan: zo zou je zelf ook wel willen zijn en je begrijpt niet hoe het komt dat het bij jou anders is. De geslotenheid van het soort gezinnen waaruit ik voortkom, de krampachtige contacten met mensen buiten het gezin, veroorzaakten een gebrek aan sociale vaardigheden bij de kinderen. Wat tekenend is voor KvV-leden, zoals dat ook geldt voor INOG’ers en mensen van JONAG, is dat ze als kind te veel rekening hielden met hun ouders, waardoor ze zich niet konden ontplooien en er allerlei problemen ontstonden.’

De ouders van Jack Weil waren uit Duitsland gevluchte joden. Zijn vader overleefde Auschwitz, zijn moeder Bergen Belsen. Beiden waren de enige overlevenden van hun familie; ook hun toenmarge partners en kinderen werden vermoord. Zij ontmoetten elkaar na de oorlog, trouwden en stichtten wederom een gezin. Jack: ‘Bij JONAG hebben de leden het gevoel dat ze thuiskomen. Dat geldt ook voor mij. Velen van ons hebben een speciale opvoeding gekregen. Er werd thuis vaak omzichtig met het jodendom omgegaan, met als gevolg dat toen de tweede generatie zelf kinderen kreeg, ze niet wisten hoe ze die moesten opvoeden. Ze zochten een weg terug en vonden JONAG, waar ze niets hoefden uit te leggen. JONAG doet ook aan sociaal-cultu-rele activiteiten. Mensen gaan met z’n vijven of z’n zessen naar de film of een toneelstuk. We hebben gezelligheidsbijeenkom-sten en geven een publicatie uit.’De leden van JONAG zijn overwegend tussen de 30 en 45 jaar, terwijl de leden van INOG, die geregeld ontmoetingsdagen organiseert en voorlichting geeft over de problematiek van de groep, tussen de 20 en 50 jaar zijn.

De verschillen in leeftijd in KvV, waarvan de leden ook voor of in de oorlog geboren kunnen zijn, zijn nog aanzienlijker. Toch drijft dat geen wig in de veren'ging. Behalve dat er jaarlijks een algemene ledenvergadering en een najaarsbijeenkomst wordt gehouden en er in de verschillende regio’s geregeld ‘inloopcafés’ zijn, rouleert er een ledenlijst onder de leden waar het adres en de geboortedatum van de mensen op vermeld staan. Joke: ‘Dus je kunt altijd contact zoeken met een leeftijdgenoot die bij jou in de buurt, in je eigen stad of dorp woont.’

De overeenkomsten tussen KvV, INOG en JONAG zijn evident. Maar zijn er ook verschillen? Jack Weil: ‘Bij JONAG speelt niet alleen de oorlog een rol maar ook het joodse erfgoed, de joodse achtergrond.’ En Hansje Cozijnsen zegt: ‘Natuurlijk zijn er verschillen, door de verschillende culturen. Het is anders of je een joodse of een Indische achtergrond hebt. Voor de joodse naoorlogse generatie is het extra heftig omdat het joodse volk al eeuwenlang werd vervolgd en uitgemoord, wat een grote invloed heeft gehad op hun cultuur en op hoe ze over hun joods-zijn denken. Bij de Indische mensen is er het gevoel van ontheemding. Omdat ze na de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië gedwongen werden naar Nederland te gaan terwijl velen van hen dat niet wilden. Ze hadden daardoor niet alleen in het kamp gezeten maar moesten ook hun thuis, hun moederland verlaten. Dat is iets wat een KvV-lid niet heeft meegemaakt.’

Maar de grote gemene deler is toch het verdriet over vroeger en de onmacht en misschien ook wel de woede. Maar dat is niet de reden waarom er werd besloten om ‘De naoorlogse generatie naar het jaar 2000 en verder’ te organiseren. Jack Weil: ‘We kunnen van elkaar leren. Min of meer hebben we hetzelfde vertrekpunt en het kan heel verhelderend zijn om te zien hoe andere verenigingen met dezelfde thematiek zijn omgegaan. Het kan je horizon verbreden en het kan voor de toekomst belangrijk zijn. De dag moet een vehikel zijn om verder te gaan. We willen het dan ook niet alleen over de problemen van de tweede generatie hebben, maar juist de kracht van de tweede generatie tonen. Het zijn vaak mensen die een hele lange tocht langs allerlei onduidelijkheden achter de rug hebben en vervolgens buitengewoon krachtige, creatieve mensen blijken te zijn.’

Er is bewust voor gekozen om in de Rode Hoed geen optredens te hebben van mensen die tot de eerste generatie behoren. Joke van Beetem: ‘Het is een dag gericht op de toekomst. Op onszelf. We hebben geprobeerd om een evenwichtig programma te brengen, vol met literaire, culturele en feestelijke elementen. 1995 Was het jaar van de bevrijdingsfeesten. Daar hebben we allemaal aan meegedaan. Maar toen hebben we tegen elkaar gezegd: waarom geven we geen feestje voor de naoorlogse generatie, voor onszelf? En dat moet het vooral worden.’ Jack Weil en Hansje Cozijnsen zijn het ermee eens. Voor Hansje gaat het nog iets verder: ‘Voor mij symboliseert 30 november een stukje erkenning. Blij dat we er zijn, dat we allemaal op onze eigen manier een mooi leven willen hebben, los van wat onze ouders hebben meegemaakt. En dat is zeker een feestje waard.’

Referentie: 
Simone Jacobus | 1996
In: Icodo Info, ISSN 0168-9932 | [13] | 3/4 | 12-15