Dwangarbeiders in de Duitse oorlogseconomie tussen 1939 en 1945 : Een overzicht

 

De nationaal-socialistische ‘inzet van buitenlanders’ (Aitslander-einsatz) tussen 1939 en 1945 is het belangrijkste voorbeeld van massale, gedwongen tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten sinds het einde van de slavernij in de negentiende eeuw. In augustus 1944 waren op het grondgebied van het ‘Groot-Duitse Rijk’ 7,8 miljoen buitenlandse burgérs en krijgsgevangenen als arbeiders in de gedwongen tewerkstelling (Arbeitseinsatz) geregistreerd. Daar kwamen nog ongeveer 500.000 voornamelijk buitenlandse gevangenen in de concentratiekampen (KZ) bij. Dit betekent dat op dat moment bijna dertig procent van alle in de Duitse economie werkzame arbeiders en employés buitenlander was, van wie het grootste deel onder dwang in het Rijk was tewerkgesteld. En toch was ‘het inzetten van buitenlanders’ door de nationaal-socialistische autoriteiten niet gepland en ook niet voorbereid.

In een memorandum van de dienst economie en bewapening van de Duitse Wehrmacht werd kort voor het begin van de oorlog vastgesteld dat er bij de wapenproductie ter voorbereiding op de oorlog drie grote knelpunten bestonden: deviezen, bepaalde grondstoffen en arbeidskrachten. Voor deviezen en grondstoffen was een oplossing voorhanden: door middel van Blitzkriege zouden de reserves van het Rijk successievelijk met de voorraden van de te veroveren landen worden aangevuld. Het concept van de Blitzkriege had zijn waarde in het geval van Oostenrijk en Tjechoslowakije al bewezen en zou dat in de jaren 1939 tot 1941 opnieuw doen. Aan de vraag naar arbeidskrachten was moeilij-ker te voldoen, want hier speelden behalve economische vooral ideologische factoren een rol, terwijl het probleem ook aspecten had die de veiligheidspolitie betroffen. Het Groot-Duitse Rijk kwam ongeveer 1,2 miljoen arbeidskrachten te kort en het lag in de lijn der verwachting dat deze vraag nog verder zou toenemen als de oorlog eenmaal begonnen was.

Twee mogelijkheden stonden ter discussie: ofwel de Duitse vrouwen werden - zoals in de Eerste Wereldoorlog - massaal ingeschakeld om de economie draaiende te houden ofwel men importeerde op grote schaal arbeidskrachten uit de te veroveren landen. Beide mogelijkheden stuitten bij de leiders van het regime op verzet. De verplichte tewerkstelling van Duitse vrouwen tijdens de Eerste Wereldoorlog had tot aanzienlijke ontevredenheid en destabilisering van de binnenlandse politieke situatie geleid. Bovendien zou deze oplossing in flagrante tegenspraak zijn met de politieke ideologie die de nationaal-socialisten huldigden ten aanzien van de vrouw en de maatschappij. De tewerkstelling van miljoenen buitenlandse arbeiders, vooral uit Polen, in het Duitse Rijk druiste sterk in tegen de nationalistische principes van het nazisme, volgens welke de massale werkverschaffing van ‘vreemdelingen’ binnen de grenzen van het Rijk de ‘reinheid van het bloed’ van het Duitse volk in gevaar zou brengen.

De beslissing viel pas na het begin van de oorlog: in vergelijking met de verplichte tewerkstelling van de Duitse vrouwen leek het inzetten van buitenlanders het minste van twee kwaden, omdat men de voorziene risico’s in dit geval makkelijker met repressieve middelen kon beperken.

Buitenlandse arbeidskrachten in de Duitse oorlogseconomie1

 

1939

1940

1941

1942

1943

1944

Landbouw

Duitsers

10732000

9648000

8939000

8969000

8743000

8460000

Buitenlandse

burgers

118000

412000

769000

1170000

1561000

1767000

Krijgsgevangenen

-

249000

642000

759000

609000

635000

Buitenlanders

totaal

118000

661000

1411000

1929000

2230000

2402000

Percentage buitenlanders op de gehele werkende bevolking

1,1 %

6,4 %

13,6 %

17,7 %

20,3 %

22,1 %

Alle niet-agrarische s

Duitsers

ectoren

28382000

25697000

24947000

23298000

22278000

21340000

Buitenlandse

burgers

183000

391000

984000

1475000

3276000

3528000

Krijgsgevangenen

-

99000

674000

730000

954000

1196000

Buitenlanders

totaal

183000

490000

1659000

2205000

4230000

4724000

Percentage buitenlanders op de gehele werkende bevolking

0,6 %

1,9 %

6,4 %

8,9 %

16,5 %

19,8 %

Totale economie Duitsers

39114000

35239000

34528000

33026000

31690000

30435000

Buitenlandse

burgers

301000

803000

1753000

2645000

4837000

5295000

Krijgsgevangenen

-

348000

1316000

1489000

1623000

1831000

Buitenlanders

totaal

301000

1151000

3069000

4134000

6460000

7126000

Percentage buitenlanders op de gehele werkende bevolking

0,8 %

3,2 %

8,5 %

11,6%

17,7 %

19,9 %

De ongeveer 300.000 in Duitse handen gevallen Poolse krijgsgevangenen werden nu met grote voortvarendheid tewerkgesteld, vooral in agrarische bedrijven. Maar tegelijkertijd begon een grootscheepse campagne voor het werven van Poolse arbeiders, die weliswaar aansloot bij een lange traditie van tewerkstelling van Poolse landarbeiders in Duitsland, maar na korte tijd tot steeds scherpere recruteringsmaatregelen leidde en vanaf het

voorjaar van 1940 in het zogenoemde gouvernement-generaal in een regelrechte mensenjacht ontaardde, waarbij jaarlijks nieuwe lichtingen verplicht tewerk werden gesteld en door middel van collectieve repressie, razzia’s en omsingeling van bioscopen, scholen en kerken arbeidskrachten werden opgepakt. In mei

1940    waren op deze manier al meer dan een miljoen Poolse arbeiders het Rijk binnengevoerd.2

Toch ervoer de leiding van het regime deze zogenaamde ‘inzet van Polen’ zoals tevoren als een inbreuk op de raciale beginselen van het nationaal-socialisme; de daaruit voortvloeiende ‘gevaren voor het volk’ moesten volgens Himmler in februari 1940 met navenant scherpe maatregelen worden tegengegaan. Vanaf dat moment werden voor de Polen uitgebreide repressieve verordeningen uitgevaardigd: ze moesten in barakkenkampen wonen, wat op het platteland al snel onuitvoerbaar bleek; ze ontvingen een lager loon, mochten geen gebruik maken van openbare voorzieningen (van sneltrein tot zwembad), geen Duitse kerkdiensten bijwonen; ze moesten langer werken dan Duitsers en waren verplicht op hun kleding een kenteken - de ‘Polen-P’ - te dragen. Buiten het werk was contact met Duitsers verboden en geslachtsverkeer met een Duitse vrouw kwam de desbetreffende Pool op openbare executie te staan. Om ‘het Duitse bloed te beschermen' was bovendien bepaald dat minstens de helft van de te recrute-ren arbeiders uit de Poolse burgerbevolking vrouw moest zijn.

Voor de Duitse autoriteiten was het experiment ‘inzet van Polen’ over het geheel genomen geslaagd: het was niet alleen gelukt binnen korte tijd een groot aantal Poolse arbeiders tegen hun wil naar Duitsland over te brengen, maar ook om in het Duitse Rijk een maatschappelijke tweedeling langs raciale lijnen te creëren.

Maar al in mei 1940 stond vast dat ook de recrutering van de Polen de onverzadigbare behoefte van de Duitse economie aan arbeidskrachten niet kon stillen. Daarom werden al tijdens en direct na de ‘veldtocht naar Frankrijk’ iets meer dan een miljoen Franse krijgsgevangenen als arbeidskrachten naar het Rijk overgebracht. Daarnaast begon in de met Duitsland geallieerde en de bezette landen in West- en Noord-Europa een nog intensievere werving van arbeiders. Ook voor deze groepen arbeidskrachten werden speciale regels voor behandeling, loon, onderkomen, enzovoort uitgevaardigd, die echter veel minder repressief waren dan die voor de Polen, zodat uiteindelijk een ingewikkeld hiërarchisch systeem ontstond, waarbij de toen al zo genoemde ‘gastarbeiders’ uit het met Duitsland geallieerde Italië en de arbeiders uit Noord- en West-Europa bovenaan en de Polen onderaan de ladder waren geplaatst.

Verreweg het grootste deel van de buitenlandse arbeiders en van de soldaten die in de fase van de Blitzkriege tot de zomer van

1941    krijgsgevangen waren gemaakt kwamen te werken in de landbouw. In de industriële sector speelden buitenlanders in deze fase van de oorlog geen rol van betekenis; de industrie rekende erop dat de Duitse arbeiders na afloop van de Blitzkrieg uit het leger naar hun arbeidsplaats terug zouden keren. Bovendien

waren de ideologische weerstanden in de nationaal-socialistische partijleiding tegen de uitbreiding van de inzet van buitenlanders zo groot dat besloten werd het aantal buitenlanders op het niveau van het voorjaar van 1941 - dat wil zeggen op een kleine drie miljoen buitenlandse arbeiders - te bevriezen. Deze opzet bleef van kracht zolang de strategie van korte, maar massale veldtochten werkte en niet hoefde te worden vervangen door die van een lange uitputtingsoorlog.

Vanaf de herfst van 1941 ontstond in dit opzicht echter een totaal nieuwe situatie. De Duitse legers hadden bij Moskou hun eerste tegenslag ondervonden; van een Blitzkriege kon niet langer sprake zijn. De Duitse wapenindustrie moest zich nu op een langdurige slijtageslag instellen en haar capaciteit aanzienlijk uitbreiden. Ook kon geen staat meer worden gemaakt op terugkerende soldaten; integendeel, een massieve mobilisatiegolf trof de werknemers van de tot dan toe gespaarde bewapeningsindustrie. Door intensivering van de aanwerving van arbeidskrachten uit West-Europese landen alleen waren de vacatures niet meer op te vullen. Alleen het inzetten van arbeidskrachten uit de Sovjetunie kon voor grootschalige, effectieve verlichting zorgen.

De gedwongen tewerkstelling van Russische krijgsgevangenen of burgers was vóór het begin van de oorlog ondenkbaar. Dat kwam niet alleen omdat de nationaal-socialistische partijleiding, het Reichssicherheitshauptamt en de SS zich om redenen van • ‘volksaard' en veiligheidspolitiek tegen iedere tewerkstelling van Russen in Duitsland hadden uitgesproken; maar vooral omdat het overgrote deel van de bij de oorlogsvoorbereiding en economie betrokken autoriteiten er zo van overtuigd was dat de oorlog gewonnen zou worden dat de noodzaak van zo’n tewerkstelling op voorhand voor onmogelijk werd gehouden, zodat, anders dan in het geval van de Polen, dit keer de ideologische principes van het regime het zwaarst wogen. Daar kwam bij dat de Duitse bevolking blijk gaf van grote bezwaren tegen de ‘inzet van Russen’, die nog werden versterkt door de eerste bioscoopjournaals over de oorlog in de Sovjet-Unie. De SD verwoordde deze als volgt: 'Men vroeg zich bezorgd af wat we met deze “beesten” in de toekomst moesten beginnen. Vele volksgenoten konden zich voorstellen dat zij radicaal uitgeroeid moesten worden. Ook al door de gewelddaden van ontvluchte Russische krijgsgevangenen ontstond een zekere vrees dat deze figuren en types in groten getale op Duits grondgebied konden verschijnen en zelfs als arbeidskrachten zouden worden ingezet.’3

Deze verregaande consensus tussen volk en leiders over het verwerpen van de ‘inzet van Russen’ had verschrikkelijke gevolgen. Omdat er geen economische noodzaak scheen te bestaan voor tewerkstelling in het Rijk werden de miljoenen Russische krijgsgevangenen in massakampen in de gebieden achter het Duitse oostfront aan hun lot overgelaten. Meer dan de helft van de 3,3 miljoen Russische krijgsgevangenen die tot aan het eind van het j aar 1941 in Duitse handen waren gevallen verhongerden, stierven door bevriezing of uitputting, of werden om het leven gebracht. In totaal heeft 3,5 miljoen van de ongeveer 5,7 miljoen Russische krijgsgevangenen de Duitse gevangenschap gedurende de Tweede Wereldoorlog niet overleefd.4

Wanneer in de late zomer en vooral in de herfst van 1941 de militaire en daardoor ook de economische situatie van Duitsland snel verandert, valt onder druk van de economie de roep om arbeidskrachten weer duidelijker te beluisteren, waarbij nu ook hardop gedacht wordt aan tewerkstelling van de Russische gevangenen; het bevel daartoe wordt in november van dat jaar gegeven. Het initiatief ging in dit geval uit van de industrie, met name de mijnbouw, waar het gebrek aan arbeiders al een gevaarlijke omvang had aangenomen.

Het grootste deel van de Russische krijgsgevangenen was echter helemaal niet meer beschikbaar om ingezet te worden. Van de tot op dat moment gevangen genomen drie miljoen Russen konden er tot maart 1942 slechts 160.000 in Duitsland tewerk worden gesteld. Om die reden moest ook in dit geval in het grootste geheim tot recrutering van Russische arbeiders uit de burgerbevolking worden overgegaan. De werving van zo veel mogelijk arbeidskrachten in zo kort mogelijke tijd kreeg hoge prioriteit en werd de belangrijkste taak van de in maart 1942 voor dit doel aangestelde ‘algemeen gevolmachtigde’ (General-bevolmachtigten für den Arbeitseinsatz), Sauckel, die zijn taak even efficiënt als meedogenloos volbracht. In nog geen twee en een half jaar werden door de staven van de Wehrmacht en door de Duitse arbeidsinstanties 2,5 miljoen burgers uit de Sovjetunie gedeporteerd om in het Rijk dwangarbeid te verrichten -

20.000 mensen per week.5

Net als bij het begin van de 'inzet van Polen’ werd ook deze door de oorlogseconomie gemotiveerde inbreuk op de ideologische beginselen van het nationaal-socialisme gecompenseerd door een systeem van verregaande repressie en discriminatie van de Sovjet-burgers, dat de verordeningen tegen de Polen nog ruimschoots in radicaliteit overtrof. Als het door de militaire ontwikkelingen dan al onontkoombaar was om Russen in het Rijk als arbeidskrachten in te zetten, dan moest men ze - zo zou men de logica van de autoriteiten kunnen parafraseren - maar zo slecht mogelijk behandelen.

Binnen het Rijk was intussen een ware kosmos van kampen ontstaan: in de grote steden was op iedere hoek van de straat een kamp voor buitenlanders te vinden. In een stad als Berlijn waren dat er alleen al ongeveer 500; in totaal zijn het er in het Rijk waarschijnlijk zo’n 20.000 geweest. Ongeveer 500.000 Duitsers waren in uiteenlopende functies, variërend van kamphoofd tot ‘commissaris voor buitenlanders’ (Auslanderbeauftragten), direct betrokken bij de organisatie van de ‘inzet van buitenlanders’. De leefomstandigheden van de afzonderlijke groepen buitenlanders waren strikt hiërarchisch en tot in de kleinste details gereglementeerd. Al moesten de arbeiders uit de bezette westelijke gebieden en de ‘bevriende’ landen dan voor het grootste deel in kampen leven, ze kregen ongeveer hetzelfde loon en hetzelfde rantsoen aan levensmiddelen als Duitsers in overeenkomstige functies; de

arbeiders uit het oosten, vooral de Russen, waren heel wat slechter af. De rantsoenen voor de officieel als ‘oostarbeiders’ aangeduide Sovjet-burgers waren zo mager dat zij vaak al een paar weken na hun aankomst volledig ondervoed en niet meer tot werken in staat waren.

Al vroeg in de zomer van 1942 rapporteerden veel bedrijven dat de ‘inzet van Russen’ erg onrendabel was, omdat effectieve arbeid niet alleen een betere verzorging en voldoende rusttijd voor de dwangarbeiders veronderstelde, maar ook opleidingsmogelijkheden die aansloten bij het arbeidsproces. Zulke mogelijkheden hadden de Franse krijgsgevangenen in staat gesteld na korte tijd het prestatieniveau van de Duitse arbeiders vrijwel te evenaren. De arbeids- en leefomstandigheden, vooral die van de Russische dwangarbeiders, verschilden echter van bedrijf tot bedrijf en van kamp tot kamp zeer sterk. In de landbouw verging het hun in het algemeen aanzienlijk beter dan in de industrie, maar ook daar waren de verschillen in behandeling en voeding, vooral vanaf eind 1942, schrijnend. Daaruit blijkt overigens hoe groot de handelings- en beoordelingsruimte van afzonderlijke bedrijven was. Het is daarom ook niet zo dat de slechte arbeids-en leefomstandigheden van de arbeiders uit het oosten uitsluitend terug te voeren zijn op de bindende voorschriften van de autoriteiten.

Er kwam pas echt verbetering in de leefomstandigheden van de ‘oostarbeiders’ na de nederlaag bij Stalingrad, begin 1943. Er werd een grote campagne op touw gezet met als doel prestatie-verbetering, waarbij de arbeidsprestatie werd gekoppeld aan de hoogte van het levensmiddelenrantsoen en uitgebreide kwalifice-ringsmogelijkheden werden gecreëerd. Op die manier lukte het de arbeidsprestaties aanmerkelijk te verhogen. Kwalificering van het werk had echter noodzakelijkerwijs ook effect op de verhouding van de Duitse arbeiders tot de buitenlanders. Daarom was in de desbetreffende voorschriften van de autoriteiten dan ook alles gedaan om de bevoorrechte positie van de Duitse arbeiders tegenover de buitenlanders, vooral de Russen, op alle gebieden veilig te stellen. Tegenover de ‘oostarbeiders’ namen de Duitsers principieel altijd de positie van meerdere in; in menig bedrijf fungeerden de Duitse arbeiders die de oostarbeiders moesten instrueren zelfs als hulppolitie.

Om aan een voorbeeld te illustreren in welke situatie de dwangarbeiders uit de Sovjet-Unie werkelijk verkeerden, citeren we hier kort uit een rapport van een Berlijnse ambtenaar op een ministerie uit de zomer van 1943, die bij zijn bezoek aan verschillende kampen van oostarbeiders in Berlijn de volgende exemplarische observaties deed:

‘Hoewel de rantsoenen waarop de oostarbeiders recht hebben officieel zijn voorgeschreven is objectief vastgesteld dat de voeding er in de kampen als volgt uitziet: ’s morgens een halve liter koolraapsoep; ’s middags op het werk een liter koolraapsoep;

’s avonds een liter koolraapsoep. Daarbij krijgt een oostarbeider

dagelijks 300 gram brood. Wekelijks komt daar 50-75 gram margarine en 25 gram vlees of vleeswaren bij, die echter afhankelijk van de grillen van het kamphoofd verdeeld of ingehouden worden. Grote hoeveelheden levensmiddelen worden zwart verhandeld.

Maar de grootste gesel van de kampen is de tuberculose, die ook onder de minderjarigen zeer sterk om zich heen grijpt. Aangaande de gezondheids- en de hygiënische situatie waarin de oostarbeiders zich bevinden moet worden benadrukt dat de be-drijfsziekenfondsen de Duitse en Russische artsen verbieden om de oostarbeiders enig medicijn te verstrekken. Degenen die aan tuberculose lijden, worden niet eens afgezonderd. De zieken worden door slaag gedwongen door te gaan met werken, omdat de kampautoriteiten de competentie van de behandelende artsen in twijfel trekken. Het onttrekt zich aan mijn zicht wat de redenen kunnen zijn waarom de Duitse instanties een groot aantal kinderen uit de bezette gebieden in het oosten naar Duitsland hebben “geïmporteerd”. Maar zeker is dat er zich in de kampen talrijke kinderen van vier tot vijftien jaar bevinden en dat zij in Duitsland geen ouders of andere familieleden hebben. Het grootste deel van de kinderen is ziek en krijgt als enige versterkende voeding dezelfde waterige koolraapsoep als de oudere oostarbeiders.’6

De inzet van buitenlanders behoorde in Duitsland inmiddels tot de alledaagse werkelijkheid van de oorlog, en door hun eigen zorgen hadden de meeste Duitsers absoluut geen belangstelling voor het lot van de buitenlandse arbeiders. In de zomer van 1944 bevonden zich 7,8 miljoen buitenlandse werkkrachten op arbeidsplaatsen in het Rijk: 5,7 miljoen burgers en een kleine 2 miljoen krijgsgevangenen. Daarvan was 2,8 miljoen afkomstig uit de Sov-jet-Unie, 1,7 miljoen uit Polen en 1,3 miljoen uit Frankrijk; in totaal werkten in deze periode mensen uit bijna twintig Europese landen in het Rijk. Meer dan de helft van de Poolse en Russische burgers was vrouw en gemiddeld nog geen twintig jaar oud; de modale dwangarbeider in het Duitsland van 1943 was een achttienjarige scholiere uit Kiev. Dit alles betekende dat van alle in het Rijk tewerkgestelden 26,5% buitenlander was; 46% in de landbouw, bijna 40% in de industrie, ongeveer 50% in dat deel van de industrie dat wapens produceerde en soms wel 80 tot 90% in bedrijven met grote aantallen ongeschoolde arbeiders.

De tewerkstelling van buitenlandse dwangarbeiders was absoluut niet beperkt tot de grote bedrijven, maar strekte zich, met uitzondering van de bestuurlijke instanties, uit over de hele economie: van de kleine boerderij via de bankwerkerij met zes arbeiders tot de staatsspoorwegen, gemeenten en grote wapen-bedrijven, maar ook veel particuliere huishoudens, die een van de meer dan 200.000 felbegeerde, want goedkope Russische dienstmeisjes in dienst namen.

Vanaf het begin van 1944 bleken deze toch aanzienlijke aantallen echter niet meer toereikend om aan de vraag naar arbeidskrachten, vooral voor de grote militaire projecten van het Rijk, te voldoen. De militaire ontwikkelingen maakten dat de mogelijkheden om arbeiders te recruteren, met name in de Sovjet-Unie, afnamen en het steeds groter wordende tekort aan arbeidskrachten niet meer kon worden aangevuld door steeds weer nieuwe oproepdecreten uit te vaardigen. Daarom werd de aandacht in toenemende mate gericht op de enige organisatie die nog over een groot potentieel aan arbeidskrachten beschikte: de SS en de onder deze organistatie ressorterende concentratiekampen. In de eerste jaren van de oorlog had de tewerkstelling van KZ-gevan-genen geen economisch doel gediend. De SS had weliswaar al sinds 1938 eigen ondernemingen - vooral steengroeven, steenbakkerijen, reparatie- en revisiewerkplaatsen - en bijna alle gevangenen werden in enigerlei vorm aan het werk gezet. Maar ook hier behield de arbeid zijn karakter als straf, ‘opvoeding’ of ‘vergelding’ en al voor 1939. maar in steeds toenemende mate daarna, kwam hij tegenover de groeperingen die helemaal onderaan de politieke en raciale hiërarchie in het teken te staan van de uitroeiing. Pas in het voorjaar van 1942 begon de SS op grotere schaal gevangenen in te zetten voor militaire doeleinden, maar de waarde van de wapenproductie in de concentratiekampen' bleef uiterst gering: vergeleken met het niveau van de overige sectoren van de economie lag de productiviteit rondom de 17%. Bij de discussies tussen de verschillende belangengroepen binnen de SS won de opvatting van arbeid als bestraffing en vernietiging het van overwegingen van productiviteit, temeer omdat in deze periode, waarin door massadeportaties een grote toevloed van Russische arbeidskrachten ontstond, de economische noodzaak voor het tewerkstellen van KZ-gevangenen ontbrak.7

Pas vanaf de late herfst van 1942 werd op initiatief van de rijksminister voor bewapening en munitie, Albert Speer, een nieuw systeem ingevoerd. Voortaan werden KZ-gevangenen tegen vergoeding aan particuliere ondernemingen uitgeleend, waartoe ze in zelf te bouwen concentratiekampdependances in de desbetreffende steden zouden worden ondergebracht. Dit systeem kwam slechts langzaam op gang: de weerstanden in de industrie tegen directe invloed van de SS in de bedrijven was betrekkelijk groot, temeer omdat in deze periode de toevloed van voornamelijk Russische dwangarbeiders een climax bereikte. Daar kwam bij dat ook in de SS-leiding de voorrang van economische oogmerken boven bestraffing en vernietiging van de gevangenen nog altijd ter discussie stond. In de zomer van 1943 waren ongeveer 100.000 van de 160.000 geregistreerde KZ-gevangenen buiten de eigenlijke kampen tewerkgesteld. Maar al voor het voorjaar van 1944 werd het aantal KZ-gevangenen dat feitelijk in de particuliere wapenindustrie van het Rijk was ingezet op slechts 32.000 geraamd.

Voor de joden had tot 1944 een politiek van systematische arbeidsinzet nooit bestaan. Integendeel. Ondanks substantiële kri-

Buitenlandse arbeiders in het Groot-Duitse Rijk, augustus 1944: burgers en krijgsgevangenen, opgesplitst naar nationaliteit en bedrijfstak8

Nationaliteit

Landbouw

Mijnbouw

Metaal

Chemie

Bouw

Verkeer

Totaal

Belgen

Totaal

28652

5146

95872

14029

20906

12576

253648

Burgers

3948

2787

86441

13533

19349

11585

203262

Krijgsgevangenen

24704

2629

9431

496

1557

991

50386

% van alle Belgen

11,2 %

2,0 %

37,8 %

5,5 %

8,2 %

4,9 %

100 %

Fransen

Totaal

405987

21844

370766

48319

59440

48700

1254749

Burgers

54590

7780

292800

39417

36237

34905

654782

Krijgsgevangenen

351307

14064

77966

8902

23203

13795

599967

% van alle Fransen

32,3 %

1,7 %

29,5 %

3,9 %

4,7 %

3,9 %

100 %

Italianen

Totaal

45288

50325

221304

35276

80814

35319

585337

Burgers

15372

6641

41316

10791

35271

5507

158099

Krijg sgevangenen

29916

43684

179988

24485

45543

29812

427238

% van alle Italianen

1,1 %

8,6 %

37,8 %

6,0 %

13,8 %

6,0 %

100 %

Nederlanders

Burgers

22092

4745

87482

9658

32025

18356

270304

% van alle Nederlanders

8,2 %

1,8 %

32,4 %

3,5 %

11,9 %

6,8 %

100 %

Russen

Totaal

862062

252848

883419

92952

110289

205325

2758312

Burgers

723646

92950

752714

84974

77991

158024

2126753

Krijgsgevangenen

138416

159898

130705

7978

32298

47301

631559

% van alle Russen

28,5 %

8,3 %

29,2 %

3,7 %

3,6 %

6,8 %

100 %

Polen

Totaal

1125632

55672

130905

23871

68428

35746

1688080

Burgers

1105719

55005

128556

22911

67601

35484

1659764

Krij g sgev angenen

19913

667

2349

960

827

262

28316

% van alle Polen

66,7 %

3,3 %

7,5 %

1,4 %

4,1 %

2,1 %

100 %

Inwoners van protectoraten

Burgers

10289

13413

80349

10192

44870

18566

289273

% van alle inwoners van protectoraten

3,7 %

4,8 %

28,7 %

3,6 %

16,0 %

6,6 %

100 %

Totaal

2747238

433790

1691329

252068

478057

378027

7615970

Burgers

2061066

196782

1397920

206741

349079

277579

5721883

Krijgsgevangenen

686172

237008

293409

45327

128978

100448

1930087

%

36,1 %

5,7 %

22,2 %

3,3 %

6,3 %

5,0 %

100 %

tiek en protesten van verschillende autoriteiten en ondernemingen waren de joden zowel in Duitsland als in de bezette gebieden uit economisch belangrijke posten gezet en naar de vernietigingskampen overgebracht. Een enkele uitzondering daargelaten, waarvan de bekendste de bouw van de fabriek van IG-Farben in Auschwitz was - die 25.000 gevangenen het leven kostte was er tot 1944 van een langdurige arbeidsinzet van gedeporteerde joden in de wapenindustrie geen sprake. Na eind 1941 was het politieke streefdoel van de nationaal-socialistische leiders om de Europese joden niet voor arbeid in te zetten, maar te vernietigen. De joden werden op grond van hun ‘ras’ uitgeroepen tot de gevaarlijkste vijand van het nationaal-socialistische Duitsland en zelfs van Europa, en hun vernietiging was nu het hoogste doel van de oorlog. Alleen door de joden uit de weg te ruimen konden naar de stellige overtuiging van de kopstukken van het natio-naal-socialistische regime de andere oorlogsdoelen, zoals de inrichting van Europa volgens nationalistische beginselen en onder Duitse heerschappij, worden verwezenlijkt. Daarbij viel het kortstondige economische nut van de - bovendien volgens de raciale politiek riskante - arbeidsinzet van de joden in het niet.

Pas na het begin van 1944, toen de belangrijkste doelstelling van de nationaal-socialistische politiek nagenoeg gerealiseerd was, begon er als gevolg van het tekort aan arbeidskrachten, dat tegen het eind van de oorlog steeds nijpender vormen aanneemt, verandering te komen in het beleid en werden joodse gevangenen ook op het grondgebied van het Rijk als arbeidskrachten ingezet in eigen bedrijven van de SS, in ondergrondse productie-eenheden en in particuliere ondernemingen, vooral in de grootindustrie. Al in augustus 1943 was in de top van het regime het besluit genomen de A4-raket, een van de zogenaamde V-wapens, met behulp van KZ-gevangenen ondergronds te gaan vervaardigen. Dit onder enorme tijdsdruk lijdende project had verschrikkelijke consequenties voor de hierbij tewerkgestelde KZ-gevangenen. Vooral in de opbouwfase in de herfst en de winter van 1943/44 was het aantal doden enorm. De makkelijke vervangbaarheid van de gevangenen, het overwegend eenvoudige maar fysiek zware werk, de hoge tijdsdruk, de gebrekkige voeding en de uiterst slechte leefomstandigheden waren de belangrijkste oorzaken van de hoge sterftecijfers, die pas lager werden toen de onderkomens gereed waren en de productie ter hand werd genomen. Maar voor het zo ver was, hadden de gevangenen zich al een paar weken nadat zij waren aangekomen ‘kapotgewerkt’.

Zulke projecten, waarbij tienduizenden, ja zelfs honderdduizenden arbeidskrachten in drie dagdelen werden ingezet, waren alleen nog met KZ-gevangenen uitvoerbaar, want alleen de SS had nog de beschikking over een arbeidsreserve van dergelijke afmetingen. Maar ook die was al snel niet meer toereikend, zodat in het voorjaar van 1944 ook de inzet van joden bespreekbaar werd. Tot dan was de tewerkstelling van joden binnen het Rijk expliciet verboden; het Reichssicherheitshauptamt van de SS beschouwde het immers als zijn verdienste dat het het Rijk ‘vrij van joden’ had gemaakt. Maar dat werd nu anders: in een kennelijke reactie op een aanvraag van de Organisation Todt, die vooral actief was in het militaire bouwbedrijf, bepaalde Hitler in april 1944 dat voor de wapenproductie en de bouw van grote bunkers ‘de ongeveer 100.000 man die hiervoor nodig waren, moesten worden opgebracht door navenante contingenten joden uit Hongarije’.9

Het aantal arbeidseenheden in de concentratiekampdepen-dances groeide vanaf het voorjaar van 1944 snel tot ongeveer 1600; de lijst met Duitse ondernemingen die KZ-gevangenen en joden in dienst namen werd steeds langer en omvatte uiteindelijk honderden gerenommeerde bedrijven.

Aan het einde van het j aar 1944 lag het totale aantal KZ-gevangenen - joden en niet-joden - ongeveer op 600.000, van wie

480.000 als ‘tot werken in staat’ waren aangemeld. Volgens schattingen van het economisch en administratief hoofdkantoor van de SS werden ongeveer 140.000 van hen bij de onderaardse pro-ductie-eenheden ingezet, ongeveer 130.000 anderen bij de bouwprojecten van de Organisation Todt en circa 230.000 in particuliere ondernemingen. De arbeids- en leefomstandigheden van de KZ-gevangenen verschilden sterk per bedrijf en waren afhankelijk van het type werk, de positie van het individu in de racistische hiërarchie van de SS en vooral ook van de opstelling van bedrijfsleiding, kamphoofd, bewakers, voorlieden en opzichters. Vooral de joodse gevangenen, die in aparte ploegen moesten werken, gingen zwaar gebukt onder de bijzonder slechte omstandigheden. Over het geheel genomen kan men - met de nodige voorzichtigheid - stellen dat degenen die in de productie werkten in een van de moederbedrijven van de wapenindustrie een grotere kans maakten om te overleven dan de gevangenen die in de bedrijven van de SS, de grote bouwprojecten en vooral bij de aanleg van onderaardse werkplaatsen of, als deze eenmaal gereed waren en na de verplaatsing van het bedrijf, in de holen en mijngangen moesten werken. In de bouw en bij het zogenoemde holenproject was snelheid de belangrijkste wet en de omstandigheden voor de gevangenen waren dan ook onmenselijk. De volstrekt ontoereikende voeding, de ondergrondse verblijfplaatsen die fnuikend waren voor de gezondheid, het moordende werktempo en vooral de onophoudelijke aanvoer van nieuwe gevangenen in de vaak toch al overbevolkte kampen versterkten elkaar in hun werking. Zowel de kampen van de bouwprojecten als de concentratiekampen waren tegen het eind van 1944 een waar inferno - met sterftecijfers die aangaven dat een gevangene in deze hel gemiddeld maar een paar maanden overleefde. De waarde van een mensenleven was niet hoger dan wat een paar weken lichaamskracht te bieden had. Hier waren arbeid en vernietiging voor honderdduizenden mensen daadwerkelijk synoniem geworden.

Wanneer men het historische belang van de ‘inzet van buitenlanders’ in zijn geheel beschouwt, wordt duidelijk dat de Duitse oorlogseconomie op zijn laatst vanaf begin 1942 dreef op de arbeidskracht van buitenlandse dwangarbeiders: zonder buitenlanders zouden vanaf eind 1940 in de landbouw en vanaf eind 1941 in de

wapenindustrie de vereiste productiecijfers niet meer haalbaar zijn geweest. Bovendien was het alleen dankzij de ‘inzet van buitenlanders’ dat de voedselvoorziening voor de Duitse bevolking tot eind 1944 op een peil bleef dat in geen enkel ander oorlogvoerend land in Europa werd gehaald. Maar de buitenlandse dwangarbeiders leverden vooral ook een belangrijke bijdrage aan de reusachtige groei- en moderniseringsimpuls die de Duitse economie in de bewapenings- en oorlogsconjunctuur beleefde en die een van de pijlers was van de razendsnelle economische ontwikkeling na 1948.

Toch werd de behandeling van de dwangarbeiders niet alleen door economische, maar steeds ook door ideologische factoren bepaald. Daar kon de manier waarop ze werden behandeld op worden teruggevoerd: hoe beter de militaire situatie van het Rijk, des te meedogenlozer het behandelingsregime met zijn differentiatie volgens raciale criteria. Alleen wanneer onder druk van de militaire ontwikkelingen de productiviteit moest worden verhoogd, viel er enige verbetering te constateren.

Daarbij werd echter steeds al in praktijk gebracht wat in het geval dat Duitsland de oorlog zou winnen heel Europa te wachten had gestaan: de inrichting van een nationaal-socialistische maatschappij volgens op de nazistische rassenhiërarchie gebaseerde criteria. Daarbij kreeg de Duitse bevolking een speciale rol toebedeeld. Want de dwangarbeid van miljoenen buitenlandse arbeiders, en in de laatste fase van de oorlog ook van KZ-gevangenen, werd niet buiten het zicht van de Duitsers in geïsoleerde kampen verricht, maar letterlijk voor de eigen deur; dat de machthebbers de inzet van buitenlanders als een groot succes konden beschouwen was vooral te danken aan het feit dat een aanzienlijk deel van de Duitsers zich in de hun toebedeelde rol kon vinden. Daarbij moet worden vastgesteld dat er slechts weinigen waren die zich schuldig maakten aan het mishandelen van de dwangarbeiders en dat er eveneens maar een klein aantal was dat zich voor de dwangarbeiders inzette. Voor de meeste Duitsers waren de buitenlanders er gewoon en behoorden ze tot de alledaagse werkelijkheid van de oorlog, net als distributiekaarten en schuilkelders, en de discriminatie van Russen of Polen werd daarbij even vanzelfsprekend gevonden als de eigen bevoorrechte positie. Dat was precies de reden dat het racisme werkte en dat het tot de alledaagse realiteit en de gewone alledaagse praktijk behoorde, zonder dat de individuele man of vrouw daaraan, in de vorm van discriminatie of onderdrukking, onvermijdelijk deel had.

De meesten van de buitenlandse dwangarbeiders, die nadat de oorlog was beëindigd als ‘displaced persons’ werden betiteld, keerden direct naar hun vaderland terug; maar voor de gedwongen uit de Sovjet-Unie ‘geïmporteerde' militaire en niet-militaire dwangarbeiders was de lijdensweg na mei 1945 nog niet ten einde: na hun ‘repatriëring’ werden ze bij de stalinistische autoriteiten zonder uitzondering verdacht van collaboratie, hevig onderdrukt en niet weinigen opnieuw en voorjaren opgesloten in gevangenissen of in de kampen van de ‘Goelag’. Tot vandaag de dag zijn ze niet gerehabiliteerd.10

1.    Uit: Statistical Handbook of Germany, OMGUS, Ftirstenhagen. 1946, peildatum: iedere eerste mei, gebied: het 'Groot-Duitse Rijk’. Voor het overige zij verwezen naar: Edward L. Homze, Foreign Labor in Nazi Germany, Princeton. 1967: Eva Seeber, Zwangsarbeiter in der faschistischen Kriegswirtschaft, Berlijn (DDR), 1964; Dietrich Eich-holtz. Geschichte der deutschen Kriegswirtschaft. 2 delen, Berlijn (DDR). 1971-1985: Ulrich Herbert. Fremdarbeiter. Politik und Praxis des ‘Auslander-Einsatzes’ in der Kriegswirtschaft cles Dritten Reiches, Berlijn, Bonn, 1985; idem, Geschichte der Auslanderbeschaftigung in Deutschland, 1880 bis 1980. Saisonarbeiter, Zwangsarbeiter, Gastar-beiter, Berlijn, Bonn. 1980: idem, Arbeit und Vernichtung. Ökonomi-sches Interesse und Primat der ‘Weltanschauung’ im Nationalsozialis-nuts, in: Dan Diner (Hg.), 1st der Nazionalsozialismus Geschichte?, Frankfurt a.M., 1987, p. 198-236: idem (Hg.), Europa und der 'Reichs-einsatz'. AusUindische Zivilarbeiter, Kriegsgefangene und KZ-Haft-linge in der deutschen Kriegswirtschaft, 1938-1945, Essen, 1991; Klaus-Jörg Siegfried, Riistungsproduktion und Zwangsarbeit im Volkswagenwerk 1939-1945, Frankfurt a.M., 1987.

2.    Czeslaw Luczak, Polscy robotnicy przymusowi w Trzeciej Rzeszy podczas II. wojny swiatowej. Poznan, 1974. Zie voor de gang van zaken in andere landen de verschillende bijdragen in: Herbert (Hg.), Europa und der 'Reichseinsatz ’.

3.    Meldungen aus dem Reich, 11 augustus 1942.

4.    Christian Streit, Keine Kameraden. Die Wehrmacht und die sowjeti-schen Kriegsgefangenen 1941-1945, Stuttgart, 1978; Rolf-Dieter Müller. Das Scheitern der wirtschaftlichen 'Blitzkriegstrategie’, in: Horst Boog e.a„ Der Angriff auf die Sowjetunion (Das Deutsche Reich und der Zweite Weltkrieg, Bd. 4), Stuttgart, 1983, p. 936-1029.

5.    Voor details zie Herbert, Fremdarbeiter, p. 132 e.v.

6.    Nota van het ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 16 augustus 1943 (Niirnberger Dokumente, NG 2562).

7.    Zie voor wat volgt: Falk Pingel, Ha ftlinge unter SS-Herrschaft, Hamburg, 1978: Herbert. Arbeit und Vernichtung: Rainer Fröbe. Der Ar-beitseinsatz von KZ-Haftlingen und die Perspektive der Industrie, in: Herbert (Hg.), Europa und der 'Reichseinsatz’’, Hermann Kaienburg,

‘Vernichtung durch Arbeit'. Der Fall Neuengamme. Bonn, 1990.

8.    Der Arbeitseinsatz im Grossdeutschen Reich, nr. 10, 31 oktober 1944.

9.    Bespreking van Dorsch met Hitler, d.d. 6/7 april 1944 (Bundesarchiv Koblenz. R3/1509).

10. Josef Brodski, Timor und andere, in: Herbert (Hg.), Europa und der 'Reichseinsatz.', p. 251-269.

De Duitse versie van dit artikel is verschenen in De verplichte tewerkstelling in Duitsland 1942-1945, een uitgave van het Navorsings- en studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog te Brussel.

Vertaling: Max Lauteslager, Amsterdam.

Referentie: 
Ulrich Herbert | 1998
In: Icodo Info, ISSN 0168-9932 | [15] | 1/2 | 18-31
Trefwoorden: 
arbeidsinzet, dwangarbeiders, Tweede Wereldoorlog