De Opvoeders van de Tweede Generatie

Vanuit psychologisch oogpunt kan men de oorlogsgetroffenen, zoals deze in de tachtiger jaren in de spreekkamers van de hulpverleners verschijnen, verdelen in de volgende groepen:

1.    Joden

2.    Oud-verzetstrijders

3.    Zij die in het voormalig Ned. Oost-lndië onder de Japanse bezetter leefden

4.    Nederlanders die dwangarbeid in Duitsland of de bezette gebieden verrichtten, of die in eigen land door oorlogshandelingen getroffen werden.

5.    Oud-NSBers

6.    Partners, kinderen en kleinkinderen van bovengenoemde groepen. Elke groep heeft zijn eigen problematiek en elk individu zijn eigen persoonlijke verwerking van de „man-made disaster".

Al is de objektieve werkelijkheid van de oorlog voor allen gelijk, de subjek-tieve verwerking bij, wat Jesaja noemde, „de rest die weerkeerde" heeft duizenden gezichten.

Dynamisch-psychologisch gesproken gaat het niet alleen om de naakte feiten, maar veel meer om de persoonlijke verwerking, de afweer van deze feiten.

Een psychotherapeutische aanpak dient vooral individueel te geschieden, waarbij uiteraard het systeem „gezin" en sociale kontakten niet verwaarloosd mogen worden. Intra-psychische konflikten hebben steeds hun inter-psychische konsekwenties en omgekeerd.

Hulp aan oorlogsgetroffenen is dus nooit konfektie, steeds maatwerk.

Het is niet mogelijk in dit kader de groepsspecifieke problemen te bespreken, behorende bij bovengenoemde indeling. Iedere hulpverlener kan, vanuil zijn eigen ervaring, hiertoe bijdragen. Waarbij aangetekend dient te worden, dat de hulpverlener zelf waarachtig geen tabula rasa is. Hij zal vanuit zijn eigen levensgeschiedenis en persoonlijkheidsstruktuur en groepsbewustzijn de problemen van de oorlogsgetroffenen kleuren. De hulpverlener kan door de vorm en inhoud van zijn eigen afweersysteem zeer geschikt en zeer ongeschikt zijn om een bepaalde groep te helpen. De oorlogsgetroffene heeft meestal in korte tijd door of hij op de goede stoel zit.

De ervaring leert dat een van de grootste moeilijkheden voor na de oorlog geboren hulpverleners - en dat zijn gelukkig de meesten - de tijdsfaktor is, dat wil zeggen het verschijnsel van de late reakties. leder mens, dus ook de hulpverlener, heeft in de eerste levensjaren vele frustaties moeten doormaken en verdringen. Wij noemen dit verschijnsel, dat bij de normale gevoelontwikkeling hoort, de infantiele amnesie. Het is dan moeilijk te begrijpen, waarom een dergelijk amnestisch mechanisme bij de hulpzoekende volkomen heeft gefaald.

Het lijkt nog steeds onmogelijk voor oorlogsgetroffenen hun ervaringen van toen met de realiteit van nu te integreren. Dit betekent dat de twee werelden blijven botsen. En hoeveel hulpverleners stellen niet bij het begin van een psychotherapie een planning op, waarin de aanpassing aan de realiteit van het hier-en-nu centraal staat? Zo hebben ze het geleerd. En bij andere patiënten hebben ze met het geleerde heel wat sukses geboekt. Dit verklaart waarom zoveel oorlogsgetroffenen slechte ervaringen hebben met psychotherapeuten. En sommigen gaan voort van mislukking naar mislukking. Beter lijkt mij na te gaan, waarom een dergelijke planning en verwachting gedoemd is te mislukken. De oorlogsgetroffene heeft meestal een labiel evenwicht bereikt, waardoor het leven leefbaar werd. Dit labiele evenwicht wordt mogelijk gemaakt door het bestaan van een psychisch en lichamelijk afweersysteem.

Dit afweersysteem heeft vele gezichten, wisselt van individu tot individu en kan tijdens het leven veranderen.

Als wij aannemen dat het afgeweerde de ervaringen tijdens de oorlog zijn met de erbij behorende emoties, die op hun beurt beïnvloed zijn door onverwerkte emotionele konfliktsituaties vóór de katastrofe, dan zal het afgeweerde bepalend zijn voor de vorm en intensiteit van de afweer. Of zoals Freud het uitdrukt: „in de afweer is het afgeweerde te herkennen”.

Ik noem een paar afweervormen, die ik speciaal bij Joden die terugkeerden uit de Duitse koncentratiekampen of uit hun onderduikadressen, waarnam:

1. De dominantie van het afweermechanisme van de ontkenning.

Deze afweervorm vindt men bij Joden, die op grond van alle doorgemaakte ellende, op grond van hun Jood-zijn, alle sporen van het verleden en van hun afkomst trachten uit te wissen. Zij veranderen hun naam, werpen het hemelse juk van zich af, bemooion zich in het geheel niet met iets dat met het Jodendom of Israël te maken heeft. Zij zijn maximaal geassimileerd. De Nederlandse maatschappij met zijn ekonomische rijkdom, met zijn tolerantie en met zijn nieuwe zondebokken in de vorm van gastarbeiders, biedt hen daartoe gemakkelijk gelegenheid. De sekulari-satie, de vervlakking van oude waarden en tradities helpt hen hierbij. De humanist denkt in zijn hart: er zijn geen Joden en niet-Joden, er zijn geen blanken en zwarten, er zijn alleen maar mensen. Zo zijn er oorlogsgetroffenen die weigeren een uitkering van de WUV te accepteren. Zij hebben alle konsekwenties afgezworen. Het zijn kinderen van deze groep, die pas in de spreekkamer van de psychiater beseffen Jood te zijn.

2. De dominantie van het afweermechanisme van de reaktieformatie.

Men vindt deze afweer in verschillende vormen. Het gaat hierbij om persoonlijkheidstrekken, die tot funktie hebben zeer onaangename gevoelens, die te maken hebben met oorlogservaringen, weg te werken. Een frequent voorkomend verschijnsel in onze kring is de aktiviteits-neurose. De normale plichten, bijvoorbeeld In het arbeidsproces, worden meer dan normaal uitgevoerd. Er bestaat een verslaving aan werk, gepaard aan een onvermogen tot relaxen, tot niets doen, tot freewheelen, tot echt vakantie houden. Ferenczi heeft deze reaktieformatie al in 1919 beschreven onder de naam: zondagsneurose. Hij beschreef mensen, die zondag de meest ellendige dag van de week noemden, omdat zij dan niet konden werken en gedwongen waren niets te doen.

Nu zijn er onder ons, die op zo’n hoog niveau hun aktiviteitsneurotische werkzaamheden uitvoeren, dat ze tot de top van de wetenschap en kunst zijn gaan behoren. De klachten komen dan niet van de aktiviteitsneurotische oorlogsgetroffenen, maar van hun gezinsleden. Wélke emoties ze hiermee afweren, hangt af van hun ervaringen en belevingen. Dat de aktiviteitsneurose een uitstekend middel kan zijn om geen schuld, geen verdriet, geen angst, geen woede te voelen, is duidelijk. Daarvoor heeft men geen tijd. Er gaat vaak iets tyranieks uit van deze mensen. Anderen ergeren zich aan hun egocentrisme. Zij zien niet de krampachtigheid, de geforceerdheid van hun gedrag. En hoeveel energie wordt er niet geëist van henzelf en hun familieleden en van hun kollega's op het werk, om het labiele evenwicht elke dag weer te handhaven? Totdat op een slechte dag het labiele evenwicht wordt verstoord.

Dit kan gebeuren door:

a.    biologische faktoren, zoals de menopauze, de andropauze of door lichamelijke ziekten

b.    psychologische faktoren, zoals huwelijksmoeilijkheden, pensionering, ongelukken of ziekten bij kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen. Berucht is verder het overlijden van de levenspartner.

c.    politieke konstellaties, zoals oorlog in Israël, vrijlating van da twee van Breda, politiek geflirt met de P.L.O., het laten lopen van oorlogsmisdadigers.

Al deze genoemde faktoren hebben te maken met het verstoren van een fundamenteel gevoel van veiligheid en zekerheid, dat de mens vanaf zijn eerste levensjaren vertrouwd behoort te zijn en dat door de oorlogservaringen vaak sterk is aangetast. Na de oorlog is dit gevoel weer ontstaan, een nieuw bestaan is opgebouwd. De subjektieve zekerheid van „de ellende kan straks weer beginnen", zo typisch voor slachtoffers van rampen en katastrofes, wordt aangetast door een sterk reële aanpassing, door huwelijk en werk. Zo worden de sluimerende verwachtingsangsten van naderend onheil in bedwang gehouden. Maar zeer vaak is ook dit een labiel evenwicht.

Het krijgen van kinderen heeft in dit verband een bijzondere betekenis. Men werkt dagelijks mee aan een toekomst voor zijn kinderen, het leven krijgt perspektief. Elke geboorte is in strijd met de kampervaringen. En bij de Joden kan de besnijdenis beleefd worden als- wij zijn niet uitgeroeid. Zo heeft voortplanting bij oorlogsgetroffenen een surplus aan betekenis. Elke zwangerschap bewijst opnieuw dat de oorlog ons niet steriel heeft gemaakt. Dit heeft nog een speciale betekenis voor de vrouwen, die in een experi-menteerblock hebben gezeten.

Het is voor de goed-gevoede na-oorlogse generatie moeilijk voorstelbaar dat de ouders en grootouders in de kampen of tijdens de hongerwinter als onderduiker zo uitgehongerd en tot op het bot vermagerd waren.

Maar wie dit eenmaal heeft meegemaakt, begrijpt de angst steriel te zijn geworden en begrijpt de vreugde over het bewijs van het tegendeel. Deze surplus-betekenis is voor het kind niet altijd gunstig. De ouders hebben in hun stelsel van normen en waarden extra behoefte aan de taak te zorgen, dat de kinderen nooit zullen meemaken wat zij hebben meegemaakt. Via een normaal identifikatiemechanisme wordt er aan een toekomst gebouwd, die fundamenteel in strijd is met de oorlogservaringen. Zij leven in een andere wereld die niets te maken heeft met de wereld van toen. Er wordt een diskontinuïteit ten opzichte van het verleden gemaakt. Maar in het onbewuste van de mens bestaat geen tijd. In het onbewuste gaat niets verloren, zelfs niet de onmenselijke oorlogservaringen.

Deze intra-psychische disharmonie kan de mens parten spelen, waardoor een pedagogisch klimaat kan ontstaan, waarin de 2e en 3e generatie extra belast wordt.

Pedagogische konsekwenties van genoemde mentaliteitsfaktoren kunnen zijn:

1.    Overwaardering van eigen pedagogische mogelijkheden, soms gevoed door gevoelens van: ik ben een van de weinigon die dit alles heeft over leefd, er moet wel iets heel bijzonders met mij zijn.

2.    Dit heel bijzondere kan zich uiten in een zeer sterk groepsbewustzijn, zoals wij die kennen bij de verzetsstrijders, de oud-KNIL mensen, de Joden.

Deze overwaardering van zichzelf en de eigen groep wekt veelal wrevel bij buitenstaanders, hetgeen via het verschijnsel van de paranoïdie het groepsbewustzijn weer versterkt. Zo is elke generatiegenoot, die niet tot de groep behoort, potentieel een slappeling, een kollaborateur, of bij de Joden een anti-semiet.

3.    De kinderen kunnen verwend worden vanuit een houding van: mijn kinderen zullen nooit meer narigheid meemaken. Men gaat dan krampachtig alle mogelijke moeilijkheden bij de kinderen wegnemen, zodat deze in het geheel niet geoefend worden in het omgaan met problemen. Deze verwenden en dus verwaarloosden verwachten als vanzelfsprekend dat bij elke moeilijkheid een ander voor ze in de bres zal springen.

De pedagogische en helaas soms ook gevoelsverwaarlozing van deze kinderen wordt soms in de hand gewerkt of veroorzaakt door het merkwaardige psychische mechanisme, dat in het onbewuste van de oorlogsslachtoffers de kinderen de plaats van de vermoorde familieleden innemen. Hierdoor worden eisen gesteld, die niet gehonoreerd kunnen worden. Het grote pedagogische gevaar is dat door dit mechanisme de ontplooiing naar eigen persoonlijkheid van het kind stelselmatig geblokkeerd wordt. Men stoot het kind van zich af, omdat men het kind zo dolgraag bij zich wil houden.

Een voorbeeld van de enorme belasting van het kind is de bekende reaktie van de ouders als het kind ondeugend is: „Ben ik daarvoor uit Auschwitz teruggekomen?"

4.    Nu van de oorlogsgetroffenen de zeer ouden overleden zijn. de ouden hun einde voelen naderen, de zestigers hun levensavond ingaan en de vijftigers hun menopauze en andropauze verwerken, ontstaan door verlies van biologische en psychologische spankracht barsten en scheuren in het zo solide gebleken afweersysteem. Elke dag kan een gevecht geleverd worden tegen het opkomen van herinneringen, dagdromen en nachtmerries. Het lichaam takelt af, de geest verliest aan vitaliteit, er komen lichamelijke en psychische gebreken. Elk gebrek relateert aan de oorlogservaringen, elke ziekte wordt psychisch verwerkt vanuit een door de oorlog geprogrammeerde struktuur.

Onze dagen zijn verlengd, maar onze ouders zijn onteerd. Onze traumata hebben ons ontheiligd, daarom willen wij van onze kinderen een volk van heiligen, een heilig volk maken.

Ik weet het, wij hoeven niet te slagen om te persevereren, maar het gevecht maakt ons moe.

Elke hulpverlener van oorlogsgetroffenen weet waarnaar gestreefd dient te worden: naar rust. De rust van de werkelijkheid, de zekerheid, het welkom zijn. Daarom is voor velen van ons de oprichting van de staat Israël het keerpunt geweest in ons leven. Nergens ter wereld is de herinnering aan wat geweest is zo levend als in Israël. Het is een overdonderend gevoel te beseffen dat de kleinkinderen van de vergasten, die als schapen naar het abattoir geleid zijn. het sterkste leger van het

Midden-Oosten vormen. De roep van hun leiders om veiligheid en zekerheid, is de echo van de roep om hulp bij de oorlogsgetroffenen.

LITERATUUR

Ferenczi, S.,: Schriften zur Psychoanalyse I, S. Fischer. Frankfurt am Main. 1970.

Musaph. H..: „Partnerkeuze", van Loghum Slaterus. Deventer, 1979.

Musaph, l l.t: „The second generation of war victims. Israel Journal of Psychiatry, Relat. Sciences, Volume 18. 1. pag. 3-14, 1981

Wind, de E.,: „Persecution, Agression and Therapy", International Journal of Psychoanalysis, Volume 53. nr. 2. pag. 173-177, 1972.

 

.Prof. dr. H. Musaph, psychiater te Amsterdam; hoogleraar Medische Sexuologie aan het Akademisch Ziekenhuis te Utrecht.

Referentie: 
Prof. dr. H. Musaph | 1983
In: Psycho-sociale problematiek van de tweede generatie (2) / red.: H.A.A. Mourits
Trefwoorden: 
opvoeding, ouder-kind relatie, transgenerationele traumatisering, tweede generatie, Tweede Wereldoorlog