Breuklijnen in gezinnen van verzetsdeelnemers : Voordracht voor kinderen van verzetsdeelnemers

Inleiding

Tegenover mij zit een jonge vrouw in de spreekkamer. Zij is in psychotherapeutische behandeling. Ik noem haar Els. Zij is de oudste uit een gezin met drie kinderen, allen na de oorlog geboren. Vader zat in het verzet maar werd opgepakt en kwam als een wrak terug uit Mauthausen. We hebben een aantal zittingen besteed aan haar gevoel niet gezien te worden, er niet bij te horen, de verhouding tot haar ouders, loyaliteit en het niet voelen van boosheid, waar zo te horen wel reden toe is.

Het is de achtste zitting. Het gaat over haar zuster.

‘Gek’, zegt Els, 'we hebben nu heel goed contact, maar dat is jaren verbroken geweest'.

Ik vraag hoe dat zo kwam. maar ze kan het niet meer terughalen. Het was opeens zo en ze weet niet waarom. Het blijkt weer goed gekomen bij de begrafenis van haar vader.

'Het enige wat mijn zus gezegd heeft is: “Zullen we het weer gewoon maken? Zand erover!” Maar ik zit er nog mee, ik begrijp het niet’.

Ik vraag wat er zou gebeuren als ze nü haar zus zou vragen waarom het toen zo gelopen is.

'O nee, ik weet precies hoe ze dan reageert: “Zand erover, hadden we toch afgesproken?”'

 

Het bestuur van de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers 1940-1945 heeft me bij de uitnodiging voor deze voordracht de vraag voorgelegd of ik iets wilde zeggen over de veel voorkomende contactbreuken tussen broers en zusters in gezinnen van verzetsdeelnemers. Ik had daar niet een duidelijk beeld bij en we kwamen overeen dat ik het over de gezinsverhoudingen in meer algemene zin zou hebben. Die titel vindt u dan ook terug in de uitnodiging voor deze dag.

Die oorspronkelijke vraag ging me echter intrigeren.

Vlak na dat verzoek had ik met Els de zojuist beschreven zitting over de contactbreuk met haar zus. Een toevallig incident?

Uw secretaris stuurde me de Nieuwsbrief van uw vereniging toe. In het daarin weergegeven interview met de scheidende en de komende secretaris lees ik de zin:

'“Vreemd”, zegt Jolanda, “we hebben allebei een oudere zus waar we, qua 'oorlogsverleden’ niet verder mee kunnen”. Zo vreemd is dat volgens Elsbeth niet. In haar gespreksgroep hadden de deelnemers, op een na, geen contact met broers of zussen.’ 

Een patroon?

 

Ik ben op zoek gegaan in de bibliotheek van het ICODO, gespecialiseerd op dit gebied. Ook bij het Trimbos-instituut, georiënteerd op geestelijke gezondheidszorg, heb ik navraag gedaan. Niets te vinden over contactbreuken tussen kinderen uit een gezin met een verzetsdeelnemer, of algemener: een oorlogs-getraumatiseerde.

Ik ging mijn patiënten en ex-patiënten na, van wie ik zicht had op de gezinsverhoudingen; oorlogsgetroffenen met verschillende achtergrond: joods, verzet, Indisch, zigeuner. Er kwam meer dan eens een contactbreuk voor maar niet als patroon.

Een groep maatschappelijk werkenden van de Stichting 1940-1945 heb ik de vraag voorgelegd of zij vaak contactbreuken tegenkwamen tussen broers en zusters. Elk kende wel één of twee gevallen onder de eigen cliënten.

Incident of patroon? Ik kan het u niet zeggen.

Wat ik wil proberen is, vertrekkend vanuit mijn ervaringen als therapeut en gebruikmakend van bestaande theoretische kennis over gezinnen van oorlogsgetroffenen, verkennen wat mogelijk de dynamiek is. Niet alle voorbeelden zijn ontleend aan gezinnen van verzetsdeelnemers. Ik geloof niet dat dat voor het onderwerp een wezenlijk verschil maakt.

 

Voordat ik in zal gaan op de verhoudingen in de gezinnen waarvan één of beide ouders in het verzet zaten, wil ik kort beschrijven welke dynamiek in deze gezinnen kan spelen.

Gezinnen van verzetsdeelnemers kunnen in principe gezinnen zijn waarin oorlogstraumatisering een rol speelt. De kinderen, voor, tijdens zowel als na de oorlog geboren, kunnen daar de gevolgen van ondervonden hebben. Voor een goed begrip van de gezinsverhoudingen is het echter van belang om te beseffen hoe de oorlog, het verzet, de onderlinge verhoudingen is gaan beïnvloeden.

Voor velen van u waarschijnlijk bekende materie. Ik zal het daarom kort houden.

 

Tijdens de oorlog

De verzetsdeelnemer heeft een persoonlijke keuze gemaakt, zich ingezet tegen de bezetter. Met gevaar voor eigen leven een illegaal blad gefabriceerd, berichten verspreid of wapens getransporteerd, mensen bevrijd, onderduik verleend of naar een veilige plaats gebracht, voorzien van eerste levensbehoeften, et cetera.

Deze keuze werd gemaakt vanuit een vaak uitgesproken politieke of religieuze overtuiging, maar ook uit een vanzelfsprekende diep gevoelde humaniteit. Soms, als jood bijvoorbeeld, uit een welbegrepen noodzaak actief bij te dragen aan mogelijkheden tot overleven. En overigens betrof het vaak jonge mensen die zich óók uitgedaagd voelden door het avontuur.

 

Vredelievende mensen leerden met wapens om te gaan, geweld te gebruiken terwille van het ideële doel. In de oorlog waren vele normen grondig verschoven. Ongehoorzaamheid werd de juiste standaard, diefstal een daad van mededogen, sabotage een constructieve bijdrage en doden was soms een rechtvaardige noodzaak.

De omgeving diende voortdurend met achterdocht beoordeeld te worden. Overal kon door verraad doodsdreiging opdoemen. In principe was niemand te vertrouwen.

Verzetsdaden werden verricht met. zoals we nu zouden zeggen, stressbestendigheid, je hoofd erbij houden, moed, dat wil zeggen een pantser van onverschrokkenheid en koele afwegingen.

 

Gevoelens die je in gevaar konden brengen moesten niet te opdringerig worden: angst werd grondig afgeweerd, enorme spanning verdragen en verdrongen. Twijfel kon tot lafheid worden, dus werd niet toegelaten.

Wie gepakt werd wist een tot paniek groeiende onzekerheid voor zich liggen. Wist je het verhoor te doorstaan, de verdenking af te wenden?

Of indien tijdens de verzetsdaad gearresteerd: de gang langs politiecel, gevangeniscel, kamp, deportatie en concentratiekamp. Met alle ervaringen van marteling, geweld en confrontaties met de dood en doodsdreiging die deze gang met zich meebracht.

 

Na de oorlog

De verzetsdeelnemer is uit de oorlog gekomen met vaak een veranderd gevoelsleven en verschillende verwachtingen die niet bewaarheid werden.

Gevoelens: heimelijke of bewust beleefde trots. Of minstens een soort existentiële voldoening over de eigen opstelling, de juiste keus gemaakt te hebben. Bewonderd door de naoorlogse omgeving. Ook door de eigen kinderen. Men hoort eerder in de categorie actieve helden dan de meerderheid die het overkwam en liet gebeuren.

Maar daarnaast ook: verwarring en onhanteerbare schuldgevoelens door de doorgemaakte en goedgekeurde omkering van waarden. Als je iemand gedood had kon dat in de oorlog een noodzakelijk goed betekenen, kon dat tot een kwellende onrustbron worden.

Een verzetsman, ontsnapt uit internering, liep in de oorlog met zijn bevrijders op een Duitse patrouille. In het vuurgevecht dat ontstond voelde hij zich genoodzaakt een al gewonde soldaat met een pistoolschot te doden. Laat in zijn leven werd hij door een toerist in het Duits naar de weg gevraagd. Hij werd door dit incident volkomen uit zijn evenwicht gebracht en werd overvallen door zijn oorlogsverleden en schuldgevoelens. In de behandeling kon hij een andere betekenis aan deze ervaring geven en slaagde hij er ook in andere niet verwerkte gebeurtenissen een plek in zijn leven te geven. Er ontstond rust.

 

Wat blijvend kan worden: een vastgeroest wantrouwen naar de omgeving. Buiten het gezin en de verzetsvrienden is niemand te vertrouwen. Leidend tot buitensluitende groepsvorming. Het eigen wereldje van verzetsmensen onderling, waar men zich veilig voelt. De toon van jongens onder elkaar, die hun herinneringen, doorgaans in positieve context, met elkaar ophalen. Een na de oorlog niet meer af te leggen pantser van zelfredzaamheid, niemand nodig hebben, stoerheid en hardheid. Angst is niet meer toelaatbaar en niet meer te ervaren. Traumatisering door de ‘man-made disasters’ van ondergaan geweld tijdens arrestatie, opsluiting, marteling, kampleven en doodsdreiging door dwangarbeid en kampomstandigheden.

 

Verwachtingen: na de oorlog zou alles op nieuwe leest geschoeid worden, een rechtvaardiger maatschappij, een finale realisering van de politieke overtuiging. Allengs groeit de frustratie en uiteindelijk de duurzame teleurstelling. Er is bitter weinig terechtgekomen van alles waarvoor gestreden is. Oude verhoudingen krijgen weer vanzelfsprekend de overhand. Bitterheid is het resultaat.

Beroofd van de eigen jeugd die gepasseerd is in te snelle zelfstandigheid, te grote verantwoordelijkheden en onvoldoende gelegenheid om te experimenteren met ontwikkelingstaken, bijvoorbeeld de relatie tot het andere geslacht.

Dat alles en nog meer zijn mogelijkheden, geen wetmatigheden.

 

Het gezin na de oorlog

Wie als kind met een dergelijke ouder of ouders geleefd heeft kon gevangen raken in een web van onuitgesproken geheimen, loyaliteit, zich verwaarloosd of uitverkoren voelen, woede, distante ouders, een voortdurend aanwezig blijven van de oorlog in eindeloos herhaalde verhalen of een beklemmend zwijgen. Het eigen gevoelsleven van het kind wordt verwaarloosd, losmaking wordt een probleem, het ontwikkelen van een eigen identiteit blijft uit. Het vertrouwen in de ander en een leefbare toekomst ontbreken.

Dat is weer heel veel en niet een automatisch gevolg. Maar het kan.

Ik zal kort een en ander nog wat nader invullen.

 

Het gezinsgeheim

U waarschijnlijk bekend. De oorlog beheerst het gezin maar er kan niet over gepraat worden.

Els zegt: "Hij heeft woordeloos dingen overgebracht. Hoe weet ik niet, maar ik voel het. Maar hij heeft nooit verteld wat er gebeurd is en ik durfde niet te vragen.'

Maar het kan ook explicieter, zoals een vrouw van drieënzestig jaar me enige weken geleden in de intake vertelde: ‘Mijn vader was een strenge, autoritaire man. Na de oorlog heeft hij éénmaal gezegd: “De oorlog is nu afgelopen, daar wordt niet meer over gesproken”. En dat was het, punt uit. Ik heb nooit durven vragen en nu is hij overleden'

In nachtmerries, gedragsstoornissen of subtieler in allerlei kleine gebruiken en signalen is de oorlog nog steeds aanwezig maar onder embargo: het kind krijgt boodschappen dat er niet gevraagd moet worden. Te pijnlijk, te emotioneel, de ouder zal het niet verdragen met zijn of haar herinneringen geconfronteerd te worden. En het kind vraagt niet, want het wil een goed kind zijn. Dat laatste wordt versterkt door het volgende.

 

Het loyaliteitsconflict

Wat is het conflict: het kind voelt en weet dat de ouder veel heeft meegemaakt. Het wil loyaal zijn en niet de oorzaak zijn dat de ouder verder leed aangedaan wordt. Als kind moet je je vader niet boos maken en al helemaal niet verdrietig. Het kind slikt eigen gevoelens in en houdt voortdurend rekening met wat goed is voor de ouder of ouders Het kind wordt een over-aangepast kind.

De keerzijde van het loyaliteitsconflict is woede. Woede omdat er geen aandacht is voor de behoeften van het kind. dat zich niet gezien voelt en in de steek gelaten. Maar die woede mag niet gevoeld en zeker niet geuit. Want het kind is loyaal. Vader, moeder heeft het al moeilijk genoeg. Het gevolg is dan wel dat het kind zich schuldig gaat voelen: je moet wel een slecht kind zijn als je zo boos kunt zijn.

In de therapie van Els komt een incident ter sprake: een nichtje, ouder en fors van postuur, komt logeren en Els en nichtje delen het eenpersoonsbed. Maar na een paar nachten, als Els weer opzijgeschoven verkleumd op de ijzeren rand van het bed wakker is geworden, voorzichtig bij haar vader protesteert, is de reactie dat ze niet zo egoïstisch moet zijn en krijgt ze slaag. Nadien heeft zij nooit meer aandacht gevraagd voor eigen gevoelens.

Als ik Els vraag wat haar dat doet. die reactie van vader, zegt ze: ‘Niets’.

 

In gezinnen van verzetsdeelnemers is het loyaiiteitsconflict versterkt aanwezig. Waarom?

Andere oorlogsgetroffenen is het onheil overkomen, er was geen keus. Het kind kan dus zeker haar of zijn ouder geen verwijt maken. Het leed als lot ondergaan, verbiedt de agressie. Maar het door de ouder niet in haar of zijn eigenheid gezien worden, roept wel degelijk agressieve gevoelens op.

In verzetsgezinnen komt daar nog bij: de moed die nodig was om te kiezen voor het verzet. De bewondering van die moed verbiedt agressie. Dat het om een vrijwillige keuze ging, rechtvaardigt de agressie.

En dan ook nog: voor de omgeving verzetsheld, maar in het eigen gezin slachtoffer, tiran, of verwaarlozer. Dat contrast maakt het er niet gemakkelijker op.

‘Hij moest in de oorlogsjaren zo nodig kinderen in veiligheid brengen, maar mij heeft hij niet zien staan, ik was teveel.' Zo’n uitspraak is vaak pas na het doormaken van veel innerlijke verwarring te maken.

 

Parentificatie

De loyaliteitsgevoelens kunnen verder gaan dan het aangepaste kind te zijn. Het kind is er voortdurend op gericht de ouder te sparen, aandacht te geven, te troosten, goed te maken. Mee te redderen in de opvoeding en verzorging van de andere kinderen. Het kind is de steun en beschermer van de ouder geworden. De ouder van de ouder: parentificatie.

Soms levenslang gehandhaafd in een stijl van voortdurend op de ander en diens behoeften gericht zijn. Tot in beroeps- en partnerkeuze toe. Deze kinderen hebben als volwassenen moeite grenzen te trekken.

 

Moeilijkheden bij separatie en individuatie

Separatie, het zich losmaken van het ouderlijk huis in de puberteit en vroege adolescentie kan om verschillende redenen problematisch verlopen.

Van de ouder uit gezien kan separatie als verraad gevoeld worden. De gezinseenheid wordt aangetast. En verraad etekende de associatie met dood. Zo wordt een normale ontwikkelingsgang geblokkeerd met heftig ex- en impliciet protest van de ouder.

Van het kind uit is voor separatie ook een dosis agressie nodig. Anders willen zijn, los willen komen van de ouderlijke druk. Stevig kunnen zijn in het willen loskomen. Maar agressie is verboden en om protest te bieden is een zekere mate van identiteit nodig, een beetje stevig zelfgevoel. Een positief zelfbeeld is vaak niet tot stand gekomen.

Of: de al genoemde loyaliteit, versterkt door dreigende schuldgevoelens, verhindert, bemoeilijkt of vertraagt de separatie en individuatie.

‘Hij heeft al zoveel verloren, nu raakt hij mij ook nog kwijt.'

 

Emotionele distantie

De ouder kan zo veranderd zijn door de oorlog dat het contact met eigen gevoelens verloren is gegaan. Geleerd in het verzet: gevoelens waren gevaarlijk. Of afgedwongen door de opgelopen beschadiging na arrestatie en kamp: voelen wat je doormaakte was onverenigbaar met overleven.

In de opvoeding van de kinderen kon dit leiden tot een onvermogen om een goed ouder te zijn: veiligheid bieden, emotioneel bereikbaar en emotioneel een voorbeeld zijn.

De wantrouwende instelling naar de wereld buiten het gezin geeft daar nog een extra dimensie aan. Evenals de teleurstelling en bitterheid over de niet verwezenlijkte idealen. Het wordt een gesloten, emotioneel verarmd gezin. Het kind durft niet te vertrouwen op eigen gevoelens en raakt vertrouwd met angst en achterdocht.

Els zegt: ‘Hij was altijd teruggetrokken, ik ook, maar misschien heb ik dat overgenomen. Ik ben heel achterdochtig, heb het gevoel er buiten te staan, er niet bij te horen. Vader had datzelfde ... Later in zijn leven konden we in dezelfde kamer zitten en beiden zwijgen. Ik wist nooit wat ik tegen hem moest zeggen.’ De onmacht staat op haar gezicht te lezen.

Relatievorming kan dan bemoeilijkt raken. Er is een angst voor intimiteit ontstaan, angst om je toe te vertrouwen. Partnerrelaties komen pas laat tot stand of blijken niet duurzaam. Een kinderwens kan opgegeven worden: in deze ondeugdelijke wereld wil ik geen kind doen opgroeien.

 

De oorlog als breuklijn

Er doen zich breuken voor, zeker. Misschien niet vaker dan in andere gezinnen. Maar als ze zich voordoen dan kan de invloed van de oorlog herkenbaar meespelen in het ontstaan.

In gezinnen met kinderen van de oorlog wordt die oorlog als markering in de tijd nogal eens als breukvlak benoemd. De kinderen worden of hebben zichzelf verdeeld. De kinderen van voor of tijdens en de kinderen van na de oorlog, "die het immers niet hebben meegemaakt'.

Nu is het inmiddels wel bekend dat het geboren zijn na de oorlog niet de garantie betekent gevrijwaard te zijn van oorlogs-gevolgen. Secundaire traumatisering en tweede-generatieoorlogs-getroffene zijn begrippen geworden. De dynamiek heb ik hiervoor aangeduid.

Toch is die scheidslijn niet alleen met kennis over de effecten van de oorlog op een gezin op te heffen.

De oorlog heeft een verhaal geschreven waar de naoorlogse kinderen niet in voorkomen. De oudere kinderen delen met de ouders een gemeenschappelijke en bedreigende geschiedenis. Zij, ouders en oudere kinderen, vormen binnen het gezin een subgroep. Zij hebben doorstaan. De jongere kinderen kunnen in hun ogen nergens last van hebben. Hoe moeilijker de gezins-ervaringen, hoe sterker de scheidingslijn. Als bijvoorbeeld vader in het verzet zat, opgepakt werd en niet terugkeerde, wil één van de kinderen nog wel eens de leeggekomen plek innemen en tot steun van moeder de verantwoordelijkheden van een partner op zich nemen. Dan wordt de scheidslijn natuurlijk alleen maar heftiger gevoeld.

 

Een vrouw van middelbare leeftijd vertelt: 'Ik heb pas kort geleden ontdekt dat mijn vader gefusilleerd werd. Moeder heeft altijd verteld dat hij bij een verzetsactiviteit verongelukte. Ze heeft veel dingen voor me verborgen gehouden. Net als mijn broer, die na vaders dood haar steun en toeverlaat werd. Twee handen op een buik. Vlak na haar overlijden heb ik hem pas weer gezien. Tijdens de begrafenis was het alsof hij enig kind was. Ik kwam in het verhaal niet voor.’

 

Traumatisering als breuklijn

Sommige kinderen in een gezin vertonen duidelijk de sporen van de oorlog, zoals hiervoor benoemd. Andere kinderen uit hetzelfde gezin lijken nergens last van te hebben. Hoe kan dat?

Ik meen verschillende mechanismen te mogen aanwijzen.

 

Natuurlijke bescherming

Het ene kind heeft van aanleg een meer sensitief en daarmee kwetsbaarder karakter. Feilloos worden de signalen geregistreerd van spanning, verdriet, angst, et cetera. Flarden informatie, waakzaam opgepikt, worden aangevuld met fantasieën over wat er gebeurd is. De zelfbeleving wordt al vroeg negatief beïnvloed. Als er dan ook nog een gezinsgeheim rond de oorlog gehandhaafd wordt kan zo’n kind gemakkelijk secundair getraumatiseerd raken. In het vakjargon: transgenerationele traumatisering.

In de therapie van Els hebben we het over haar gevoel er niet bij te horen, verwaarloosd worden. Haar nog steeds gehandhaafde stijl van zich onzichtbaar maken, maar ongelukkig zijn als ze dan bijvoorbeeld in een gezelschap niet opgemerkt wordt.

Ik vraag hoever terug ze zich dit gevoel bewust is geworden. ‘Van toen ik heel jong was’, zegt ze. 'Ik heb een foto van mezelf als baby van tien maanden, waar ik blij lachend op sta. Op de volgende foto, als kleuter, is het al mis, dan heb ik al zo’n stuurse uitdrukking.’

Een ander kind heeft van nature een karakter dat de dingen meer neemt zoals ze zijn, minder verstoorbaar is en expressiever. Ongemak wordt ongecompliceerd naar buiten gebracht en ook weer gemakkelijker vergeten.

Zo’n kind is wat minder gevoelig voor de schadelijke omgevingsinvloeden en daardoor beter gewapend tegen secundaire traumatisering

 

Vrijwaring

Het oudste kind in een gezin is alleen al door de plek in de kinderrij kwetsbaarder voor de gevolgen van de oorlog dan de jongere kinderen. Het oudste kind pikt als eerste de problemen van de ouders op en probeert te compenseren.

Els is ook zo’n oudste kind: loyaal, verantwoordelijk (wat overigens in het algemeen voor oudste kinderen geldt), erop gericht de eenheid in het gezin te bewaren.

Haar jongste broer is altijd zijn gang gegaan en lijkt niet zoveel last te hebben van de gevolgen van de oorlog. Wat meespeelt was dat hij ook moeders oogappel was en daarom ook meer aandacht gekregen heeft.

Behalve door de plek in de kinderrij kan vrijwaring ook vorm krijgen doordat er een geparentificeerd kind is dat de last op zich genomen heeft de problemen van de ouders te helpen verlichten. Het geparentificeerde kind hoeft niet per se het oudste kind te zijn. De andere, vaak jongere kinderen, kunnen zich dan onbezorgder ontwikkelen.

Vrijwaring kan ook een rol spelen bij de separatie. Eén van de kinderen heeft zijn of haar autonomie opgegeven en blijft emotioneel en vaak ook op korte afstand beschikbaar voor de ouders. Dit kind separeert niet. Juist daardoor is het voor de andere kinderen gemakkelijker zich zonder al te grote schuldgevoelens los té maken. En de ouders is het gemakkelijker gemaakt deze separatie toe te staan. Het toegewijde kind heeft de delegatie op zich genomen van de kinderen als subgroep in het gezin. Onuitgesproken is de boodschap: "Ik blijf, jullie kunnen gaan’, maar ook: ‘Blijf, zodat wij weg kunnen’.

 

Ontkenning

Het omgekeerde kan ook voorkomen: er zijn meerdere getraumatiseerde kinderen, die daar ook de symptomen van vertonen. Eén van de kinderen, die door eigen ervaringen uit de oorlogstijd als primair getraumatiseerd beschouwd moet worden en daar eveneens de symptomen van vertoont, ontkent echter geleden te hebben. ‘Ik heb nergens last van, dus waarom moeten zij zo druk zijn met die oorlog?’ Over en weer groeit het onbegrip, wat eventueel uitloopt op een breuk.

Waarom gebeurt dat, ontkennen? Bij veel eerste-generatie-oorlogsgetroffenen heeft het de betekenis zich niet gewonnen te willen geven. ‘De oorlog zal mij niet in feite alsnog verslagen hebben’. Dit kan jaren volgehouden worden. Vaak zonder dat de betrokkene zich dit bewust is. Maar ook onmacht kan aan de ontkenning ten grondslag liggen. Door het onbegrip kan een duurzame breuk ontstaan.

Bij kinderen van getraumatiseerde ouders kan de ontkenning ook de betekenis hebben de ouders te beschermen tegen impliciete schuld. ‘Als ik problemen heb door de oorlog, ligt de wortel daarvan bij mijn ouders.’ De loyaliteit laat het niet toe om hulpvrager te worden.

Een jonge vrouw die ik na de intake voorstel gezinsgesprekken aan te gaan met haar ouders schrikt zich te pletter. Haar moeder mag niet weten dat ze zich aangemeld heeft. Moeder zal zich vreselijk schuldig voelen en het absoluut niet aankunnen.

Navrant is dat zowel cliënte als ik weten dat moeder voor zichzelf individueel bij onze instelling hulp krijgt. Voor haar oorlogs-problematiek.

 

De concurrentie om erkenning

Ik heb individueel twee kinderen van de oorlog in behandeling, een broer en een zus. In hun gezin zijn vijf kinderen geboren, allen vlak voor of vroeg in de oorlog. Moeder was getraumatiseerd. De ouders zijn overleden.

Uit hun behandeling weet ik dat alle onderlinge contacten verbroken zijn en dat de oudste dochter het geparentificeerde kind is geweest. Ze woont weliswaar in Australië, maar zij is de enige die met alle kinderen contact houdt en het gezin bij elkaar probeert te houden.

Als ze een keer overkomt, bezoekt ze alle broers en zusters afzonderlijk. Bij één van hen, haar broer, wordt ze in een hevig loyaliteitsconflict gemanoeuvreerd. Bezoek aan de volgende zus wordt door deze broer beleefd als een diskwalificatie en een kiezen ten gunste van de ander. Ze blijkt niet bij machte om elk van beiden recht te doen.

Wat ik van dit gezin weet is dat in de opvoeding, behalve de oudste, alle kinderen op affectief gebied veel tekort gekomen en zeer beschadigd zijn. Elk kind voelt zich niet gezien en schreeuwt om erkenning van de eigen pijn. Een schreeuwen dat tot vechten is geworden, waardoor alle contacten in isolement verbroken raakten. De enige die als gedelegeerde van de ouders die erkenning nog kan geven is de oudste, geparentificeerde zus. Hier is de breuk ontstaan doordat elk, vanwege de eigen pijnlijk beleefde tekorten, onvermogend is de ander te bevestigen.

 

Loyaliteit als breuklijn

Soms is er binnen het gezin een strijd gaande wie de ouder, of de ouders het best tot steun en troost is geweest. Wie het beste begrepen heeft wat er doorgemaakt is en wat de ouder nodig had. Nogal eens na de dood van de ouders ontbrandt een onderlinge strijd wie het meest toegewijde kind is geweest. In feite: wie mag zich onder de broers en zusters het goede kind noemen? In deze strijd groeit de verwijdering.

Voor een andere vorm. waarin de loyaliteit tot breuklijn kan worden, roep ik het loyaiiteitsconflict weer terug in uw herinnering. Het kind is loyaal, slikt eigen behoeften in. De keerzijde was: boosheid over het niet gezien worden. Heel vaak wordt deze agressie onderdrukt, wat zachtaardige, veel te toegeeflijke volwassenen oplevert. Maar soms zoekt de boosheid een uitweg en kan dan uitgeleefd worden op de andere kinderen. Slechte verhoudingen zetten zich dan in het volwassen leven voort.

Waar in een gezin kinderen van voor de oorlog met naoorlogse kinderen opgroeiden kan deze afgeleide agressie zich nogal eens richten op die oudere kinderen, die dan symbool staan voor en geïdentificeerd worden met de tekortschietende ouder.

 

Separatie als breuklijn

Van twee zusters heeft de oudste haar leven toegewijd aan haar oorlogsgetroffen moeder. De jongste heeft zich, mogelijk daarom, los kunnen maken en heeft zich individueel ontwikkeld. Later in haar leven gaat ze daardoor de relatie met haar moeder onderzoeken. Deze ligt inmiddels, verzorgd door haar oudste dochter, op een langdurig ziekbed, wat ook haar sterfbed wordt. De oudste bouwt met allerlei uitspraken en acties een muur om moeder en zichzelf heen. Ze schermt haar moeder voor haar jongere zus af en weet ook moeder compleet aan zich te binden. De jongste komt tijdens de ziekte en het sterfbed van moeder tot de ontdekking dat dit het onmogelijk gemaakt heeft nog een eigen relatie tot moeder op te bouwen en op een eigen manier te kunnen rouwen. In bitterheid verbreekt ze alle contact.

De uitgebleven separatie versterkt door de parentificatie van de één en de min of meer geslaagde separatie van de ander is de oorzaak van een later optredende breuk.

Soms krijgt de separatie een bruuske vorm: niets met dat hele gedoe van dat, nog steeds door de oorlog bepaalde gezin te maken willen hebben. Geen zelfinperkende loyaliteit, geen parentificatie. Maar het intact houden van een op zich gezonde kant die vorm gegeven wordt in een pijnlijk zich vrij vechten. Met conflicten het huis uit, door onaangepast gedrag, door een te vroeg huwelijk. Met afkeuring gadegeslagen door het kind of de kinderen die zich loyaal gebonden hebben. Een breuk die soms door blijft woekeren.

 

Onvermogen tot conflicthantering

Als we het hebben over waarom zich contactbreuken voordoen, stellen we soms misschien de verkeerde vraag. Misschien is niet het ontstaan van een breuk het wezenlijke, maar het voortduren.

Els vertelt hoe ze zich door moeder altijd in de steek gelaten heeft gevoeld. Moeder stond altijd achter vader, of hield minstens haar mond als er weer wat onregelmatigs gebeurde. Ze heeft dan ook nooit echt contact met moeder gehad. Moeder is in feite een vreemde voor haar.

Ik bespreek met Els dat ze haar moeder toch ook gemist moet hebben, en moeder het echte contact met haar kinderen.

'Hoe zou het zijn om alsnog het gesprek met je moeder te openen?’ Els schrikt. Ze denkt dat moeder alleen maar zal gaan huilen. Of zich heel schuldig voelen. Of zal gaan chanteren met de impliciete verwijten: 'Ik heb er drie nachten niet van kunnen slapen’. Of uitspraken later zal misbruiken: ‘Toen heb je gezegd en een handreiking wordt dan een verwijt.

Veel angst dus. Maar ook wat anders. Ik zeg: ‘Eigenlijk gehoorzaam je nog steeds aan de gezinsregel: over emotionele dingen wordt niet gepraat.’ Els hoeft niet lang na te denken.

‘Dat ook’, zegt ze en ze legt zelf het verband met de breuk met haar zus, waarover niet gepraat kan worden: zand erover.

De emotionele distantie van de beschadigde ouder in combinatie met het gezinsgeheim gaat het emotionele klimaat in het gezin bepalen. De loyaliteit van het kind versterkt dat: ik zal zorgen datje je niet boos of verdrietig hoeft te voelen. De verhoudingen worden geregeerd door een ijzersterke gezinsregel: over echte emoties hebben we het hier niet. Dit voorkomt dat zelfs beginnende verwijdering emotioneel niet gedicht wordt, want die is niet bespreekbaar.

 

Contactherstel

Wat moet je daar nou mee? Het contact is al jaren verbroken. Er wordt nergens meer over gesproken. Maar gewoon is het niet. Is er herstel mogelijk? Moet het? Wil ik het?

Ieder heeft op dit gebied eigen afwegingen, eigen normen ook. Betekent bloedverwantschap dat je automatisch een goede verstandhouding met je broers en zusters zult hebben? Moet hebben? Wilt hebben? Ieder moet dat voor zichzelf uitmaken.

Wel is het zo dat ondergronds, ook al is er een langdurige breuk, toch vaak banden blijven bestaan die gevlochten zijn uit lotsverbondenheid, gedeeld verleden, bepaald zijn door dezelfde ouders, gezamenlijke loyaliteit, en gemeenschappelijke gevoelens van verdriet om gemis en tekort. Als dat alles overdekt wordt door vijandigheid, onredelijkheid, agressie, onverschilligheid, et cetera, is het moeilijk om het contact te herstellen. En te behouden.

Maar vaak is nooit aan de orde geweest wat er ondergronds allemaal speelt en weet men het dus niet van elkaar.

Als er oprechte moeite gedaan wordt is het toch vaak mogelijk om elkaar terug-, misschien voor het eerst te vinden.

 

Hoe moet dat dan?

Daar zijn weer geen regels voor te geven. Op gevaar af dat het een ‘jaren-tachtig-groeicursus’ gaat lijken wil ik toch een paar richtlijnen noemen.

Ondanks dat alle onredelijkheid van de andere kant gekomen lijkt te zijn, is het zelf de eerste stap zetten een krachtig signaal tot verandering. Het gevecht wordt gestaakt en in plaats daarvan toenadering gezocht.

Toen President Sadat indertijd Jeruzalem bezocht was dat niet alleen moedig, maar ook een gigantische ommezwaai ten behoeve van een strategie van de vrede. Menachim Begin, een havik van het eerste uur, heeft dat feilloos begrepen. Als een politieke duif heeft hij Sadat verwelkomd. Samen kregen ze de Nobelprijs voor de vrede.

Niet uitzoeken hóe het fout ging: wat de ander deed, wat jij toen wel móest doen of laten ... Dat leidt tot een voortzetting van een onvruchtbaar gevecht. Maar proberen terug te keren naar en uitdrukking te geven aan de behoefte: begrip, contact, een verstandhouding.

'Misschien heb ik wel dingen fout gedaan, maar ik zou willen begrijpen wat er gebeurd is, dat het nodig werd dat we zo uil elkaar dreven. Ik heb er last van.’

De schuldvraag buiten de deur houden.

Erkenning geven aan de moeite van de ander.

Praten vanuit het gemis en de gevoelens daarover delen.

Dat klinkt allemaal heel gemakkelijk, maar dat is het niet.

Het is moeilijk.

Waarschijnlijk is het beter eerst een brief te schrijven. Vanuit eigen behoeften, zonder verwijt of schuldig maken. Met een uitnodiging tot praten.

 

Als het niet lukt is professionele hulp zoeken een andere mogelijkheid. Bij maatschappelijk werk, RIAGG of een vrijgevestigde (psycho)therapeut, bij voorkeur een gezins- en relatietherapeut.

Wat hier belemmerend werkt is de duurzame loyaliteit. Hulp zoeken kan door de betrokkene beleefd worden als een publiekelijk in gebreke stellen van de ouder: ‘Door jouw oorlog zitten je kinderen in de problemen’.

Misschien helpt het om te bedenken dat geen ouder gelukkig is met ongelukkige kinderen. Loyaliteit zou ook mogen betekenen: werken aan het geschenk van verbeterde relaties onderling.

 

Besluit

Nogmaals, niet alle verzetsgezinnen kennen problematische verhoudingen en niet alle kinderen van verzetsouders zijn in hun ontwikkeling geschaad. Hiervoor besprak ik de dynamiek in gezinnen waar dit niet zonder haperen verliep.

Ik ben me bewust dat ik een veelheid van mogelijke gevoelens, psychologische en gezinsfenomenen, oorzaken, gevolgen, mechanismen en verbanden heb benoemd.

Mogelijk dat u soms hebt gedacht: ha, nu weet ik hoe het bij ons thuis zit, om vervolgens weer een andere kant te horen die ook erg toepasselijk lijkt. En misschien hebt u niets herkend: 'Ja. ja, dat weten we nu wel.’ Misschien hebt u het dan het eenvoudigst.

Maar verhoudingen tussen mensen, en vooral tussen mensen die emotionele banden met elkaar hebben, zijn ingewikkeld en kunnen van vele kanten belicht worden.

Toch hoop ik dat u herkenning hebt gevonden en misschien een vermoeden van een houvast: ‘maar als ..., dan zou ik'

'Als het waar is dat mijn boosheid ook een goede kant heeft dan hoef ik me ook niet zo schuldig te voelen.’ Waar schuld ontkracht wordt, ontstaat vrijheid. Bijvoorbeeld de vrijheid om met veranderde verwachtingen het contact weer op te zoeken.

 

Ik wil mijn voordracht besluiten met het voorlezen van een gedicht.

Een gedicht dat in deze context vaker geciteerd wordt. Over een kind in een oorlogsgetroffen gezin. Maar het is zo toepasselijk en verwoordt zo mooi een belangrijk aspect van de thematiek dat ik maar niet geprobeerd heb iets originelers te vinden.

Het is een gedicht van Ischa Meijer.

 

Sonnet

Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein,

als kind heb ik daar namelijk gewoond.

Aan vaders hand zijn zoon te zijn,

op moeders schoot te zijn beloond.

 

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,

de vrieskou in mijn jas laat dringen,

alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,

terwijl ik roerloos in de deurpost sta

 

om thuis te komen. En zo simpel is de gang

om tot dit moeilijk inzicht te geraken:

dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

 

naar iemand die nooit kon bestaan:

een jongetje dat alles goed zou maken -

de tijd die stilstond en hem liet begaan.

 

Noot

Deze voordracht is gehouden op 14 november 1998 op een bijeenkomst georganiseerd door de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers 1940-1945.

 

Geraadpleegde literatuur

Aarts, Petra G.H., Jeanette Eland, Rolf J. Kleber en Jos M.P. Weerts, De joodse naoorlogse generatie: onuitwisbare sporen? Meningen en inzichten uit de hulpverlening. Houten: Bohn Stafleu Van loghum, 1991.

Begemann, F.A.,. Een generatie verder. Kinderen van oorlogsgetroffenen over hun jeugd en ontwikkeling. Utrecht: ICODO, 1988.

Begemann, F.A., Het onvertelbare. Een verkennend onderzoek naar psychotherapy met oorlogsgetroffenen en hun kinderen. Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1991.

Bergsma, Hein, De problematiek van kinderen van verzetsdeelnemers. Scriptie V.O. Groningen, 1988.

Beunderman, R. en J. Dane (red.). Kinderen van de oorlog. Utrecht/Amsterdam: ICODO, 1987.

'De naoorlogse generatie’. Themanummer van ICODO-info vol. 13 (1996)3/4.

Gevolgen van verzet. Enkele aspecten van het verzet in de Tweede Wereldoorlog en de betekenis hiervan voor de hulpverlening aan verzetsdeelnemers. Utrecht: ICODO, 1984.

Op de Velde. W. en Th.K. de Graaf, 'Psychische problemen bij kinderen van verzetsdeelnemers (I)’. In: ICODO-info vol. 2 (1985) 4, 39-51.

Leeuw, Liesbeth van der, Het loyaliteitsconflict tussen verzetskinderen. Scriptie V.0. Nijmegen. 1988.

Meijer. Ischa, 'Sonnet'. In: Ernst van Altena (red.). Hand in hand in hand. Gedichten over relaties tussen generaties. Tielt: Lannoo, 1995.

Nieuwsbrief Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers, september 1998.

Schreuder, J.N., 'De conspiracy of silence en de kinderen van de oorlog’. In: ICODO-info vol. 7 (1990) 3/4, 4-13.

Shiryon, Sarah, "De tweede generatie verlaat het huis. De functie van de sibling-subgroep in het separatie-individuatieproces in gezinnen van overlevenden'. In: Psychotherapeutisch Paspoort vof 7 (1990) 2.7-2.27.

Themanummer: De naoorlogse generatie: ICODO-Info 96-3/4.

 

De illustratie van Jan van Egmond is afkomstig uit: Jan van Egmond, Alle dagen oorlog. Haarlem: De Toorts, 1995, p. 27.

Drs. H. Siegelaar is als psychiater/gezins- en relatietherapeut verbonden aan het Sinai-Centrum.

Referentie: 
H. Siegelaar | 1998
In: Icodo Info, ISSN 0168-9932 | [15] | 3/4 | 5-19
Trefwoorden: 
gezinnen, Tweede Wereldoorlog, Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers, verzetsdeelnemers