Antisemitisme in Nederland, vlak na de bevrijding: een onderzoek naar negatieve reacties van niet-joden op terugkerende joden in de zomer van 1945

 Eén van de vragen die in de zogenaamde Historikerstreit in Duitsland centraal staan, is die naar de uniciteit van de Holocaust. De Holocaust als breuk in de geschiedenis. In Nederland speelt een andere, maar vergelijkbare discussie onder historici over de vraag of de Tweede Wereldoorlog een breuk in de Nederlandse geschiedenis vormt. In het populaire spraakgebruik heet het dat een bepaalde gebeurtenis ’’vóór de oorlog” of ”na de oorlog” plaats vond. De bevrijding van Nederland is in documentaires, boeken en films verbeeld als een ’finale’, waarna alles anders zou worden. Maar was de bezettingsperiode ook werkelijk een breuk in de beleving van de bevolking? Het allereerste publieksonderzoek door het NIPO stelde direct na de bevrijding de vraag: ”Is uw leven door de oorlog erg veranderd, of niet?”. Daarop antwoordt 62% ontkennend. En van de 22% die stelt dat de oorlog hun leven in ongunstige zin veranderd heeft, geeft niet meer dan 3% aan dat dat te maken heeft met het verlies van familieleden. Mijn onderzoek richt zich op de ervaringen van een klein deel van deze laatste groep: de kleine minderheid van Nederlandse joden die terugkeerden uit de concentratiekampen of onderduikplaatsen. Voor hén was de oorlog in elk geval een breuk in het bestaan. Velen van hen kregen bij terugkeer te maken met negatieve reacties van niet-joden. Juist in deze periode kon dat voor de betrokkenen als een onverwachte schok komen.

Om een antwoord te geven op de vraag of, en in hoeverre er in de zomer van 1945 sprake was van een toename van antisemitisme, is het nodig de verhouding tussen joden en niet-joden vóór de bezetting te bekijken.

De joodse gemeenschap in Nederland was vanaf het begin van deze eeuw steeds meer geassimileerd in de niet-joodse samenleving. In de jaren dertig omvatte de joodse gemeenschap in totaal zo’n 140.000 personen. In het algemeen wordt (o.a. door prof. dr J. Schöffer) gesproken van een mild antisemitisme in Nederland, dat wijd verbreid was onder de niet-joodse bevolking. Een soort afstand-houden tussen joden en niet-joden. Geen wettelijk vastgelegd antisemitisme; joden waren gelijkberechtigde Nederlandse staatsburgers. Meer een sociaal antisemitisme; voorname-

lijk verbaal, tot uiting komend in contacten tussen joden en niet-joden, of in verhalen die niet-joden elkaar vertelden. Zo werd het idee dat men in het zakendoen met joden voorzichtig moest zijn , en het idee dat joden een vreemde godsdienst hadden, door velen beschouwd als gezond verstand.

In de jaren dertig, nadat de nazi’s in Duitsland aan de macht gekomen waren, vluchtte een groot aantal Duitse joden naar Nederland. Met name in 1933 en in 1938 na de Reichskristall-nacht, en in mindere mate in de daar tussen gelegen jaren. Voor velen was Nederland slechts een transmigratieland: zij trokken door naar Engeland, de Verenigde Staten of elders. Ongeveer

25.000 joodse vluchtelingen bleven in Nederland wonen, de meeste van hen in Amsterdam. De joodse vluchtelingen kregen te maken met antisemitische reacties. Klachten dat ’de joden’ de betere banen en huizen hadden (zie ook bijv. Moore, R.G.), dat ze te hard praatten, dat ze arrogant waren, etc. Aan de andere kant werden ook diverse vluchtelingenhulp-comité’s opgericht. De grootste door Nederlandse joodse organisaties, en daarnaast enkele door protestantse en socialistische organisaties. Afgezien van deze humanitaire initiatieven overheerste de onverschilligheid. De Nederlandse regering beschouwde de vluchtelingenhulp niet als haar taak. Zij meende dat deze zaken door privé-organi-saties, en met name door de Nederlandse joodse organisaties, dienden te worden afgehandeld. Uit personderzoek komen ook veel voorbeelden van ongeloof over de reden tot vluchten naar voren. Het nieuws uit Duitsland over de antisemitische politiek van de nazi’s werd vaak niet geloofd en beschouwd als joodse propaganda. Zo schrijft de oud-voorzitter van het CNV, H. Die-mer, na een reis naar Duitsland in 1934: ”Wat nu betreft de persoonlijke vrijheid der Joden in Duitschland, zoo hebben wij nergens iets opgemerkt hetwelk op molestaties, op handtastelijkheden gelijkt. De overdrijvingen dienaangaande in het buitenland zijn zeer groot...” Het vooroordeel dat joden de pers in handen hadden was in deze redeneringen werkzaam.

Het gevolg van de komst van grote groepen joodse vluchtelingen uit het buitenland was, dat Nederlandse joden weer meer herkenbaar en zichtbaar werden. Of men jood was of niet, werd weer gespreksonderwerp en een ’kwestie’. Onder Nederlandse joden nam ook de angst voor antisemitisme toe, die soms werd afgereageerd op de buitenlandse joodse vluchtelingen.

De toename van antisemitisme leidde in de jaren dertig niet tot grootscheepse emigratie van Nederlandse joden. De meesten van hen konden zich eenvoudig niet voorstellen dat wat er in Duitsland gebeurde, ook voor hen directe gevolgen zou kunnen hebben. Ook dit heeft te maken met de mate van integratie: veel joden in Nederland beschouwden zichzelf nog nauwelijks als joden.

Tijdens de bezetting worden van 1942 tot en met 1944 ongeveer

105.000 joden uit Nederland, dat is ruim 75%, gedeporteerd en gedood. 24.000 vonden een onderduikplaats: 8.000 daarvan worden gevonden of verraden en alsnog gedeporteerd en 16.000 overleven de oorlog in hun schuilplaats. Uit de concentratiekampen keren slechts 4.700 joden naar Nederland terug. De Nederlandse regering had tijdens de bezetting vanuit Londen getracht de repatriëring van alle Nederlanders die buiten de landsgrenzen geraakt waren, te organiseren. De joodse overlevenden vormden van alle repatrianten een kleine groep en zij werden door de Nederlandse regering nadrukkelijk niet als speciale groep beschouwd. De regering weigerde in haar beleid een onderscheid te maken tussen joden en niet-joden. Deze beleidslijn werd ook aan de grensovergangen gehandhaafd: joden en niet-joden werden niet apart geregistreerd, zoals ook blijkt uit de overheidsarchieven uit die periode.

Hulpverlening aan joodse repatrianten werd niet als overheidstaak gezien; opnieuw kwam het neer op de kleine joodse organisaties, dit te organiseren. In Zuid-Nederland, dat al in het najaar van 1944 was bevrijd, werden hulpcomités door Nederlandse joden opgericht. Zij werden financieel ondersteund door joodse organisaties uit de Verenigde Staten (o.a. het Jewish Joint Distribution Committee) en Engeland. De repatriëring kwam langzaam op gang. Eén voor één werden de kampen bevrijd, en vervoersmogelijkheden waren bijzonder schaars. Het duurde maanden voordat de laatste Nederlandse ’displaced persons’ terug in Nederland waren.

De terugkeer op Nederlands grondgebied was voor velen een teleurstellende ervaring. Waar de repatrianten hoopten op een hartelijk welkom, werden ze aan de grensposten opnieuw geregistreerd, vaak in quarantaine geplaatst vanwege luizen, typhus en andere besmettelijke ziektes, en door drukke of ongeïnteresseerde ambtenaren ondervraagd. Voor de specifieke ervaringen van de joodse repatrianten hadden deze ambtenaren geen extra aandacht. In het archiefmateriaal zijn schrijnende voorbeelden van een bureaucratische behandeling terug te vinden.

Een extreem geval was bijvoorbeeld de terugkeer van achttien Duitse joodse overlevenden, die vóór de oorlog als vluchtelingen in Amsterdam hadden gewoond. In juni 1945 kwamen zij, overlevenden van Bergen Belsen die enkele maanden waren aangesterkt in Tröbitz, per trein aan in Maastricht. Met het argument dat andere repatriëringscentra vol waren, werden zij naar een ander kamp gebracht. Dat bleek een interneringskamp voor collaborateurs, Duitse en Nederlandse nazi’s te zijn. Gedurende een week werd deze groep joodse overlevenden samen met de andere geïnterneerden tewerkgesteld in een plaatselijke grintafgraving. Van de kampcommandant kregen zij antisemitische opmerkingen te horen: ” Ik houd niet van joden, en dat zullen jullie trouwens wel merken ook”. Bovendien werd hen hun gehele bagage

afgenomen. Na een week werden ze na een protest overgebracht naar een repatriëringscentrum, maar het heeft nog een jaar geduurd voordat ze iets van hun eigendommen konden terugkrijgen.

In mijn onderzoek naar negatieve reacties van niet-joden op terugkerende joodse overlevenden heb ik tien verschillende soorten reacties onderscheiden. Het voert te ver, hier van alle categorieën voorbeelden te geven. Veel voorkomend waren de volgende reacties:

1.    Formalisme. Bijvoorbeeld de al eerder genoemde inflexibele bureaucratische houding aan de grensposten. Gerhard Durla-cher beschrijft in zijn boek ’’Strepen aan de hemel” (Meulen-hoff, 1985) de ontvangst in Eindhoven, waar de terugkerenden in het veemgebouw terechtkomen. ”Een kille kampsfeer hangt daar als een loden wolk. Oneindige zalen zonder bedden, zonder stoelen. Op de stenen vloer donkere stromatrassen, meters lang en breed als perken op beton. Mensen in kreukelige, muffe kleding schuifelen voorbij. (...) Een zaal verderop, het kantoor met loket. Jonge mannen in uniform of burger stellen vragen aan mensen, maken lijsten en notities.” Dat de bureaucratie tot lang na de bevrijding kon doorwerken illustreert de ervaring van Henri Hartog, die bij zijn terugkeer een aanvraag voor schadevergoeding bij zijn levensverzeke-ringsmaat schappij indiende. Deze werd afgewezen, omdat, zo bleek uit het zorgvuldig bijgehouden dossier, Hartog achter was met zijn premiebetalingen.

2.    Antisemitische vooroordelen. Telkens terugkerend hierin is het idee dat ”de joden” elkaar de beste banen toeschuiven, en dat de regering moet zorgen dat ”de joden” niet te machtig worden. Met name veel ingezonden brievenschrijvers maken zich hierover zorgen. In het Limburgsch Dagblad maakt bijvoorbeeld Dr M. Bruna zich zorgen over de eventuele ’’bevoorrechte positie” die de joden na de bevrijding in zullen nemen. Voorkomen moet worden, ”dat ze in leidende posities -zoals in bestuurscolleges, in pers, film- en bankwezen- een macht gaan uitoefenen die niet in verhouding staat tot hun aandeel in de bevolking”.

3.    Onbegrip. Terugkerenden uit concentratiekampen wordt gezegd dat zij maar blij moeten zijn, want ”wij hadden hier geen aardappelen meer”. Of ”de Duitsers hebben onze radio en onze fietsen meegenomen”. Dergelijke reacties konden voor de betrokkenen leiden tot grote zwijgzaamheid. Mevrouw ’t Hoen bijvoorbeeld, als joodse ondergedoken, kwam vlak na de oorlog een kennis van haar (vermoorde) ouders tegen, die nog niet wist wat de familie overkomen was. ”Ik vertelde haar mijn verhaal. Ze keek me aan of ik stond te liegen en zei dat ze me niet geloofde. Toen heb ik haar gedag gezegd en ben doorgelopen. Jaren heb ik toen niemand iets verteld over mijn ervaringen. De mensen begrijpen het niet, of ze geloven je niet ...”

4.    Waarschuwingen aan joden, dat zij hun plaats moeten kennen. ’’Thans dienen de joden hun dankbaarheid te tonen”.

Bescheidenheid wordt geëist, en wanneer dat niet gebeurt, wordt de betrokkenen aangeraden, het land te verlaten. ”De joden” moeten bedenken dat ze hun leven aan ”de Christenen” te danken hebben. Het beste is maar, wanneer de joden zich zoveel mogelijk onzichtbaar maken. In de Eindhovense editie van Het Parool schrijft B.J.A. Witte: ”Het enige wat er tegen te doen valt is: zo weinig mogelijk aanstoot geven. Zoals gezegd, de joden zijn verschillend van de overige Nederlanders. Laten zij trachten om iets van onze grotere bescheidenheid over te nemen, of, mocht hun dat onmogelijk zijn, laat hun dan een grotere realiteitszin te hulp komen om deze crisis te overwinnen.”

5. Fellere vormen van antisemitisme. Het idee dat het ’’joodsche gevaar” nog steeds dreigt. Scheldpartijen tegen joden, ’’waarom hebben ze jou niet in het kamp gehouden, er zijn er nog veel teveel van jullie over”. In het blad De Vrije Katheder werd in juli 1945 vermeld dat een joodse dame in een winkel te horen kreeg ”dat het jammer was dat nog zo velen levend waren teruggekomen”. Die woorden werden bovendien gesproken, zonder dat iemand uit het publiek het nodig vond om in te grijpen.

Na deze reacties wekt het weinig verwondering dat veel joodse overlevenden er in de periode na de bevrijding voor kozen, te zwijgen over hun ervaringen. Niet alle reacties zijn antisemitisch; voor een deel zijn het dezelfde reacties als waarmee bijvoorbeeld politieke gevangenen en verzetsstrijders te maken kregen. Wel lijkt het gerechtvaardigd, te spreken van een opleving van het antisemitisme in Nederland vlak na de bevrijding.

In hoeverre is de opleving van antisemitisme in de zomer van 1945 te verklaren vanuit de ontwikkelingen tijdens de bezetting? De voornaamste verklaring lijkt mij het tijdens de oorlog door de Duitse bezetters systematisch aangebrachte onderscheid tussen jood en niet-jood. De joden werden stapsgewijs van de niet-joden geïsoleerd in wat Presser een kat-en-muis-spel heeft genoemd. De anti joodse maatregelen kwamen stuk voor stuk, en elk afzonderlijk maakten ze wellicht op veel niet-joden niet zo’n heel diepe indruk. Juist op deze betrekkelijk onzichtbare manier werd het onderscheid tussen joden en niet-joden aangebracht, en dat was eigenlijk al aan het einde van 1941 vrij definitief. Zo ontstond een kloof tussen joden en niet-joden, en doordat de twee groepen uiteindelijk nog nauwelijks openlijke contacten met elkaar konden onderhouden, konden de deportaties in 1942 eigenlijk vrij onop vallend beginnen. Van dit scheidingsproces zijn met name de niet-joden zich niet altijd even bewust geweest. De joden werden veel meer dan daarvoor als joden aangewezen en bekeken. De Nederlandse bevolking leerde, bewust of niet, te denken in termen van ’jood’, ’niet-jood’, ’halfjood’ en ’ariër’. Wat vóór de oorlog nog een betrekkelijke afstand was, groeide uit tot een scheiding. Deze scheiding kon alleen zo effectief zijn door de genoemde continuïteit, de onderstroom van een latent aanwezig

antisemitisme. Het nagenoeg ontbreken van alledaagse contacten tussen joden en niet-joden gaf na de bevrijding oude vooroordelen en collectieve beschuldigingen tegen joden opnieuw een kans, zoals bijvoorbeeld in de snel doorvertelde verhalen over ondankbare en onbetrouwbare joodse onderduikers.

Een andere impuls voor het naoorlogs antisemitisme kwam wellicht voort uit gevoelens van agressie en schuld ten opzichte van de weinige overlevende joden. Presser haalt in de epiloog van ’’Ondergang” hiervoor het volgende gezegde aan: ”Het is menselijke geest eigen, te haten wie hij gekwetst heeft”. Het lijkt me te ver gaan te stellen dat dit altijd het geval is, maar wel is het zo dat een slachtoffer lang niet altijd medelijden oproept, en ook medelijden is nog geen uiting van respect of erkenning van gelijkwaardigheid. Haat is wellicht in veel gevallen een te sterk woord - maar gevoelens van superioriteit ten opzichte van de slachtoffers van discriminatie konden, juist door de isolatie en de volstrekte afhankelijkheid van hulp, wel toenemen. Naar mijn idee spelen onvoldoende verwerkte schuldgevoelens van niet-joden over de tijdens de bezetting niet of te weinig verleende hulp aan joden in de naoorlogse verhoudingen in Nederland nog lange tijd een rol.

Tot wanneer duurde deze opleving van antisemitisme na de oorlog? Dat is moeilijk te zeggen en valt eigenlijk buiten het bestek van dit artikel. Mijn voorlopige indruk is dat een halfjaar na de bevrijding mede door de dan in bredere lagen van de bevolking doorgedrongen feiten over de omvang en het ongeëvenaard gruwelijke karakter van de jodenvervolging, antisemitisme door de publieke opinie al met meer verontwaardiging tegemoet getreden wordt. Er ontstaat dan weer een zekere rem op uitingen van antisemitisme.

Hoe is de houding van de Nederlandse regering tegenover de terugkerende joden te typeren? Wat opvalt aan het beleid van de Nederlandse regeringen van 1933 tot na de bevrijding is de continuïteit van de opvatting dat de regering niet verantwoordelijk is voor een door vervolging getroffen bevolkingsgroep. Zowel in de jaren dertig in reactie op de komst van vluchtelingen, als tijdens de bezetting in reactie op de deportaties en de situatie in de concentratiekampen, als rond de bevrijding bij de repatriëring, is het beleid vergelijkbaar: voor de regering is hierin ingrijpen geen prioriteit, en zij kijkt steevast naar de in haar ogen voor hulp bij deze problemen verantwoordelijke joodse organisaties.

Voor zover er al sprake was van voorbereidingen van de regering op de repatriëring van gedeporteerde joden, waren alle schattingen die zij van het aantal terug te keren joden gemaakt had, veel te hoog. Gezien deze ruime schattingen zou men kunnen verwachten dat opvang van het geringe aantal uiteindelijk terugkerende joden, niet meer dan 4.700, organisatorisch geen enkel probleem opleverde. Deze verwachting wordt m.i. nergens in het archiefmateriaal weersproken: de repatriëring van overlevende joden heeft de diverse overheidsinstanties op dat moment niet voor grote verrassingen of problemen gesteld.

Deze afwezigheid, of liever onzichtbaarheid van problemen heeft alles te maken met het door de Nederlandse regering in Londen, de Repatriëringsdienst en Militair Gezag geformuleerde en consequent gehandhaafde uitgangspunt, de joden Nederlanders zijn als alle andere Nederlanders. Anders geformuleerd: de overheid weigert een onderscheid tussen joodse en niet-joodse Nederlanders te erkennen. Het enige onderscheid dat gemaakt wordt is dat tussen Nederlanders en niet-Nederlanders zoals vreemdelingen of statenlozen.

Wat waren de gevolgen van dit beleid? Joden waren bij hun terugkeer geen aparte categorie. Zij werden niet als joden geregistreerd aan de grensovergangen, en er waren in principe geen speciale ontvangst of opvangkampen voor hen geregeld, hoewel het natuurlijk wel voorkwam dat groepen joden bij terugkeer per trein in Nederland allemaal in hetzelfde kamp terechtkwamen. Zij konden geen aanspraak maken op extra hulp met betrekking tot geld, huisvesting, kleding of voeding. Het waren de joodse organisaties, met name de Joodsche Coördinatie Commissie die plaatselijke afdelingen oprichtte en met geld van internationale joodse organisaties zoals de Joint concrete hulp verleende in de periode vlak na de bevrijding.

Voor de Nederlandse overheid en Militair Gezag waren ze allemaal gelijk: de terugkerende in Duitsland tewerkgestelde jongens en mannen, de wegens verzetsactiviteiten gearresteerden, en de joodse overlevenden. Zowel de situatie waaruit deze groepen kwamen als die waarin zij na de bevrijding terugkeerden waren echter feitelijk zeer verschillend. In beide gevallen is het m.i. onmiskenbaar dat de situatie voor joden naar verhouding bijzonder slecht was. Bovendien kregen velen van hen, zoals uit mijn onderzoek blijkt, juist in deze periode ook nog te maken met antisemitische reacties.

De feitelijke situatie waarin joodse overlevenden in de Nederlandse samenleving terugkeerden heeft bij veel van de betrokkenen geleid tot verwondering, verontwaardiging en verbittering. Voor sommigen al op dat moment zelf, voor velen vooral achteraf.

De hierboven beschreven houding van de Nederlandse regering is haar later scherp verweten: de betrokkenen voelden zich door de regering in de steek gelaten en niet erkend als slachtoffer van vervolging en antisemitisme. Sommigen hebben de weigering van de overheid, joden als meer gedupeerde bevolkingsgroep ter erkennen betiteld als antisemitisme. Zonder te ontkennen dat uitingen van antisemitisme bij overheidsinstanties en vertegenwoordigers daarvan voorkwamen, meen ik dat de overheid als geheel geen antisemitisch beleid of antisemitische houding verweten kan worden. Wel constateer ik een pijnlijk gebrek aan erkenning van het lijden van de joodse bevolkingsgroep, en de consequente ontkenning van de verantwoordelijkheid door de overheid in dit opzicht. Deze constatering draagt echter ook het gevaar in zich, een beoordeling-achteraf te zijn: de opvattingen over de verantwoordelijkheid van de overheid voor het welzijn van haar burgers zijn sinds 1945 immers aan verandering onderhevig geweest.

In hoeverre is er een verband aan te geven tussen deze ontkennende houding van de overheid en de geconstateerde opleving van antisemitisme in de zomer van 1945? Weliswaar werd de groep joodse overlevenden die hiermee te maken kreeg niet concreet ondersteund door de overheid; maar evenmin denk ik dat de overheid met haar houding het antisemitisme bevorderde. Misschien, maar dit is slechts een suggestie, heeft die houding er wel toe bijgedragen dat de opleving van antisemitisme niet verder werd bestendigd of gestimuleerd. Gezien de geconstateerde continue aanwezigheid van een zeker antisemitisme onder de bevolking, hadden extra voorzieningen, extra hulp voor joodse repatrianten in de zomer van 1945 misschien nog fellere antisemitische reacties kunnen oproepen dan nu reeds het was.

Het bovenstaande is een korte samenvatting van een deel van mijn onderzoek tot nu toe. Hiervoor werd gebruik gemaakt van archiefmateriaal uit het Algemeen Rijksarchief, Den Haag, met name de archieven van Militair Gezag; verder personderzoek bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, Amsterdam, en literatuuronderzoek.

Het geheel is vastgelegd in mijn doctoraalscriptie, ’Antisemitisme in Nederland vlak na de bevrijding. Een onderzoek naar negatieve reacties van niet-joden op joden in de zomer van 1945.” Doctoraalscriptie Nieuwe enTheoretische Geschiedenis, Faculteit der Letteren, Universiteit van Amsterdam, 1988. Deze tekst zal, uitgebreid met nieuw onderzoek en nieuwe voorbeelden, interviews en illustraties, als boek verschijnen bij uitgeverij SDU (voormalige Staatsuitgeverij) te Den Haag in het voorjaar van 1990.

Verwijzingen in de tekst:

MOORE, R.G., Refugees from Nazi Germany in the Netherlands, 1933-1940.The political problem and government response (proefschrift) Manchester, 1983.

SCHOFFER, I., Nederland en de joden in de jaren dertig in historisch perspectief. In: Nederland en het Duitse Exil, 1933-1940. Achttien essays. Red.: Kathinka Dittrich en HansWurzner. Amsterdam, 1982, p. 79-92

PRESSER, Dr. J., Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. Deel I en II. Den Haag, 1965.

1

Dienke Hondius is coördinator van de afdeling internationale betrekkingen van de Anne Frank Stichting.

Referentie: 
Dienke G. Hondius | 1989
In: Icodo Info , ISSN 0168-9932 | 6 | 3 | oktober | 30-38
Trefwoorden: 
antisemitisme