Antisemitisme kritisch beschouwd: eerst analyseren

Wanneer is antisemitisme antisemitisme

In het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) van 28 januari 2005 stond een artikel over een Israëlische kolonist, een geestverwant van Sjaron, die na de vrede met Egypte door het Israëlische leger uit een nederzetting in de Sinaï was ontruimd. Nu dreigt op korte termijn hetzelfde te gebeuren, omdat hij tegen zijn wil uit Gaza zal moeten vertrekken. Boven het artikel stond de kop: ‘Sjaron deporteert vrienden’. Heeft u de kop gezien, heeft die kop u aan het denken gezet of hebt u erover heen gelezen? Het gaat me natuurlijk om het woord deporteren. Stel nu dat, bijvoorbeeld in de Volkskrant, had gestaan: Sjaron deporteert vrienden. Misschien zouden er onder u geweest zijn die gedacht of gezegd hadden: ‘daar zit een luchtje aan. Wat de Duitsers met de joden gedaan hebben, dat was deporteren, schandalig die kop! Zie je wel: het blijven antisemieten bij de Volkskrant.’ Maar, deporteren betekent in zijn algemeenheid: naar een ballingsoord, een strafkolonie, een concentratiekamp overbrengen. En het is in dit geval het NIW dat een, zacht uitgedrukt, heel slordige krantenkop heeft gebruikt. Toch is het zeer de vraag of iemand onder u het in zijn hoofd gehaald zou hebben het NIW van antisemitisme te beschuldigen. Kortom, in de praktijk blijkt het vaak heel belangrijk te zijn wie de uitspraak doet: een jood of een niet-jood (een joodse of een niet-joodse instelling). De vraag is of het altijd wel zo terecht is met twee maten te meten.

Toen ik de kop zag, moest ik meteen denken aan een incident in april 2002, dus bijna drie jaar geleden. Toen zei journalist Jan Tromp, in de week van Yom Hashoah (dodenherdenking in Israël), dat het nu de joden waren die razzia’s hielden. Onder meer Harry van den Bergh en Leon de Winter waren furieus en vonden deze uitspraak van antisemitisme getuigen. Is dat zo? Tromp had zeker niet over de joden moeten spreken, want dat is een grove generalisatie. Maar destijds was de tweede inti-fadah in volle gang en dat gold ook voor de acties van Israël in de (opnieuw) bezette gebieden. Het Israëlische leger hield geen razzia’s zoals de Duitsers deden, namelijk om de joden die ze bijeendreven naar concentratiekampen te sturen en daar te vermoorden. Maar de nazi’s hielden ook razzia’s om Nederlandse mannen in Duitsland te werk te stellen. Het woord razzia betekent: klopjacht door het leger of politie, en dat is wel degelijk wat er toen op de Westbank gebeurde - door joden, zij het niet door de joden. Kortom, ook op het front van taal- en woordgebruik woedt er een strijd. En het is maar helemaal de vraag of joden zich termen als razzia en deporteren mogen toe-ei-genen.

Voorlopig een laatste voorbeeld. Zo’n twee maanden geleden stond er een ingezonden brief in de NRC (13-12-2004) in het kader van het debat over vrije meningsuiting na de moord op Theo van Gogh. De briefschrijver greep dit debat aan om naar voren te brengen dat men inmiddels weliswaar terecht mag zeggen dat Marokkaanse jongeren een groot aandeel hebben in de criminaliteit in de grote steden, maar dat kritiek op de joodse lobby in Nederland nog steeds taboe is. Volgens hem (of haar?) slaagt deze lobby erin de misdaden van Israël weg te moffelen door haar grote invloed in de wereld van de journalistiek, van de muziek, de film en de literatuur.

In welke gevallen kunnen we nu van antisemitisme spreken en wanneer niet? Wat mij betreft alleen in het laatste geval. In de brief wordt het bestaan van een joods complot in Nederland geschetst en gesuggereerd dat Israël en de joden uitwisselbaar zijn en overal de tactiek volgen om culturele organisaties te infiltreren en zo hun belangen veilig te stellen. Ik noem deze verschillende voorbeelden heel bewust omdat ik ervoor wil pleiten om niet op de automatische piloot te varen, maar om iedere keer kritisch te kijken, kritisch te luisteren, kritisch te denken, analyseren en discussiëren. Want we kunnen wel bij iedere opmerking die negatief is, onaardig of agressief tegenover een jood of tegenover (de) joden, of tegen Israël ‘antisemitisme’ roepen, maar welke waarde heeft dat begrip dan eigenlijk nog? Wanneer moeten we van antisemitisme spreken en wanneer bijvoorbeeld van taalvervuiling, of van smakeloosheid? En: wanneer van terechte kritiek? Om die vragen zo goed mogelijk te beantwoorden, zullen we eerst teruggaan in de geschiedenis, om straks weer bij het heden uit te komen.

 

Antisemitisme als instrument

De joden hebben een geschiedenis waarin zij voor hun omgeving model staan voor ‘de Ander’ - in de eerste plaats in religieus, etnisch en nationaal opzicht, maar daarnaast ook in culturele en economische zin. Antisemitisme bestaat er dan ook in allerlei verschijningsvormen, zoals onder meer religieus antisemitisme (anti-judaïsme), economisch-sociaal antisemitisme en racistisch antisemitisme.

Relatief recent, namelijk sinds de opkomst van het zionisme eind negentiende eeuw en de oprichting van Israël (1948), is er die vorm van anti-zionisme (de ontkenning van de legitimiteit van het bestaan van Israël als joodse staat) die zich vermengt met het vijandbeeld van ‘de jood’. Antisemitisme is verankerd in eeuwenoude anti-joodse vooroordelen en stereotypen, die zich kunnen beperken tot verbale en schriftelijke uitingen, maar in maatschappelijke en politieke crisissituaties ook kunnen uitmonden in wetgeving, fysieke bedreiging, vervolging en moord. Absoluut dieptepunt hiervan vormt de Sjoa. Kenmerkend voor het antisemitisme als instrument is dat het als het ware erg flexibel is en kan putten uit een enorm reservoir aan uiteenlopende stereotypen waarvan er altijd wel een aantal ‘dienst kunnen doen’.

Stereotype geldt hier als de opvatting dat alle of de meeste mensen die tot een bepaalde groep behoren bepaalde, specifieke eigenschappen bezitten (negatieve maar ook positieve; in deze context beperken we ons tot negatieve stereotypen, we hebben het dus niet over de opvatting dat alle joden erg muzikaal of intelligent [zouden] zijn). Juist wanneer er stereotypen over een groep bestaan, treedt een ander belangrijk mechanisme in werking, dat van de collectieve aansprakelijkheid: als één van de groep een mistap maakt, wordt dit de hele groep aangerekend. Dus als er bijvoorbeeld gefraudeerd is door één of enkele joden, gelden dé joden als oplichters. Abel Herzberg vermeldt in Brief aan mijn kleinzoon een anekdote waarin deze vermeende collectieve aansprakelijkheid op de spits wordt gedreven en zo ook belachelijk gemaakt. In een klein Pools dorpje is een groepje Poolse boeren met hooivorken en ander wapentuig op weg naar de joodse wijk om de joden mores te leren, er staat, kortom, een pogrom op uitbreken. Iemand vraagt aan een van de boeren: waarom, wat heb je tegen de joden? Antwoord: ze hebben Jezus vermoord. - Maar dat is tweeduizend jaar geleden! - Ja, maar ik heb het gisteren pas gehoord! Deze anekdote of grap laat overigens ook een joods verdedigingsmechanisme zien: de niet-jood wordt hier behoorlijk dom voorgesteld.

Voor alle duidelijkheid: iedereen denkt - ook u en ik, ook als het onbewust is - in stereotypen, om orde aan te brengen in de chaos van alle indrukken die ons bestormen en in de relatie met ‘de Ander’. En denkt u dat u zelf nooit in de valkuil trapt van collectieve aansprakelijkheid? Hoe terecht was het bijvoorbeeld dat er druk uitgeoefend werd op Marokkaanse organisaties (en individuen) om zich te distantiëren van de moord op respectievelijk van de moordenaar van Theo van Gogh?

Zwaan-kleef-aan

Iets anders is dat het ene stereotype zich aan het andere hecht. Of anders gezegd, wanneer een stereotype voldoende draagvlak heeft in een samenleving, brengt het nieuwe vooroordelen voort. Een zwaan-kleef-aan-effect zogezegd. Ter illustratie: u kent ongetwijfeld de stereotypen die van oudsher deel uitmaken van het christelijk antisemitisme (het anti-judaïs-me): de jood als christusmoordenaar, als Judas, dus als verrader voor geld, en ook als vreemdeling, de vreemdeling die - met een afwijkende religie, met afwijkende wetten, taal, kleding en voedsel - aan de rand van de christelijke samenleving woont. In de late Middeleeuwen kwam daar een nieuwe categorie anti-joodse stereotypen bij van sociaal-economische aard. Namelijk een heel cluster, door mij dat van de Rijke Jood genoemd, als ‘verzamelnaam’ voor de anti-joodse stereotypen van eco-nomisch-sociale aard, variërend van de geld-jood, de materialistische jood, de handels- en sjacherjood met zijn internationale (handels)-contacten, die achter de schermen aan de touwtjes trekt in de financiële en politieke wereld. Deze stereotypen gaan op hun beurt gepaard met allerlei vermeende eigenschappen zoals brutaliteit, sluwheid, opdringerigheid, gierigheid en machtshonger.

 

Er is trouwens vaak een ingewikkelde, grillige en misvormde verbinding tussen stereotype en historische werkelijkheid: joden kwamen inderdaad vaak (van de warenhandel) in de geldhandel terecht. Maar niet, zoals het vaak werd voorgesteld, vanwege hun slechte en materialistische aard. Nee, omdat de nieuwe middeleeuwse samenleving in Europa ‘toe was’ aan een overgang van een ruil- naar een geldeconomie. Het christendom, dat oorspronkelijk ook al warenhandel als inferieur had gezien, beschouwde de geldhandel echter als ronduit zondig. Uitkomst boden de joden die als ‘ongelovigen’ buiten de christelijke wetten en normen vielen. Zij mochten allerlei beroepen niet bekleden en werden de geldhandel in gemanoeuvreerd. De woekerjood bleef een begrip, ook nadat de geldhandel vanaf de vijftiende eeuw grotendeels in christelijke handen was overgegaan. In diezelfde trant werd later de Fransjoodse bankier Rothschild hét symbool van het kapitalisme. Maar ook hier bestaat zo’n verbinding tussen stereotype en historische werkelijkheid. Want juist omdat joden door hun afwijkende religie, geschiedenis en minderheidspositie grote ervaring opdeden in de geldhandel en eerder geneigd waren om te pionieren, ook met gebruikmaking van de internationale netwerken waarover ze als diaspora-volk beschikten, hadden ze ook zeer zeker baat bij het moderne kapitalisme en zouden relatief velen onder hen hierbij een voortrekkersrol spelen.

 

Gojse nijd

In de tijd van de opkomst van het moderne kapitalisme waren, zeker in West- en Midden Europa, de joden meestal niet meer de paria’s van daarvoor. De Emancipatie had ze - in Nederland, in 1796 - tot gelijkwaardige burgers gemaakt, met dezelfde rechten en plichten als hun niet-joodse landgenoten. Er kwam dus een einde aan de politiek-juridische achterstelling van de Nederlandse joden maar niet aan het sociale antisemitisme. Al konden de joden nu wonen en werken waar ze wilden, dat wilde nog niet zeggen dat iedere vereniging hen als lid accepteerde of dat joodse kinderen op weg naar school niet voor smous werden uitgemaakt. Bovendien hadden sommige bevolkingsgroepen in de Europa er moeite mee dat de paria’s van vroeger nu succes hadden in de economie, en aan de weg timmerden in het culturele leven, terwijl ze nog steeds ‘anders’ waren. Ziehier het verschijnsel gojse nijd. Eind 19e eeuw ontstond dan ook een nieuwe vorm van antisemitisme, het uit rancune en angst geboren racistisch antisemitisme, dat voor het eerst het jodendom loskoppelt van religie en in plaats daarvan pretendeert wetenschappelijk te kunnen onderbouwen dat jodendom biologisch bepaald is. Jodendom zit in het bloed: er kleven negatieve, gevaarlijke en onveranderlijke kenmerken aan die van generatie op generatie worden doorgegeven. Het is heel belangrijk zich te realiseren dat dit echt een nieuwe gedachte was: eeuwenlang was men ervan uitgegaan dat als de joden zich maar zouden bekeren, of later, zich zouden aanpassen, assimileren, er geen ‘joods vraagstuk’ meer zou bestaan. Maar het racistisch antisemitisme zag geen andere oplossing meer dan degradatie, isolatie of verwijdering van de joden. En de nazi’s tenslotte raakten ervan overtuigd dat de Duitse maatschappij - zelfs de hele wereld - ‘ziek’ was geworden door joodse overheersing en besmetting en daarom alleen kon genezen als de joden werden ‘uitgeroeid’.

 

Dit alles wil niet zeggen dat antisemitisme een soort ‘eeuwig en altijd’ waarde heeft. Per slot van rekening zijn er periodes geweest, in verschillende landen, op verschillende tijdstippen, waarin de joodse gemeenschappen een grote bloei doormaakten, bijvoorbeeld de gouden 16e eeuw in Polen, een groot deel van de 19e eeuw in West Europa, en denk bijvoorbeeld ook aan de Verenigde Staten. Maak niet van de geschiedenis - dus ook niet van de geschiedenis van het antisemitisme - een eenheidsworst! Bovendien kan niet iedereen zich vinden in de wijd verspreide en brede definitie van antisemitisme als ‘vooroordelen, afkeer of vijandigheid tegen joden als joden’. De Ame-rikaans-joodse historicus Richard Levy bijvoorbeeld vindt dat men een onderscheid moet maken tussen anti-joods gevoel(ens) en antisemitisme. Volgens hem is antisemitisme de bereidheid of de wil om gedurende een lange periode tegen joden op te treden om een einde te maken aan hun veronderstelde macht. Een verschijnsel dat pas eind 19e eeuw ontstaat en wordt aangeduid met de in diezelfde periode nieuw bedachte term: antisemitisme. Sleutelwoorden zijn dan activisme, de politisering van anti-joodse gevoelens, de neerslag ervan in politieke partijen, de institutionalisering ervan.

 

U en ik hoeven het niet helemaal eens te zijn met Levy, maar ik raad u aan om nog eens over zijn definitie na te denken, ook met betrekking tot anti-joodse uitingen van nu. Als Marokkaanse jongeren in Amsterdam-West of een andere stadswijk rotjood! roepen, is dat dan antisemitisme? Volgens de definitie van Levy is dat anti-joodse sentiment, maar geen antisemitisme. Maar als diezelfde Marokkaanse jongens georganiseerd zouden zijn in een politieke partij of een organisatie waarin het bestrijden van joden op het programma zou staan: dan wel. Kortom, de brief van de moordenaar van Theo van Gogh, mogelijkerwijs lid of sympathisant van de zogenoemde Hofstadgroep -met onder meer uitspraken dat de VVD beheerst wordt door ‘Joodse Meesters’, dat joden niet-joden als onmensen zien en niet-joodse vrouwen als dieren, dat het joden toegestaan is tegen niet-joden te liegen -, is zonder meer een antisemitisch geschrift. Hier is geput uit oude anti-judaïstische en antisemitische strijdschriften tegen de Talmud, die onder meer op internet in nieuwe jasjes zijn gestoken.

 

En zo ben ik teruggekeerd in het hier en nu.

 

Een fatale driehoek

Moeten we parallellen trekken met de jaren dertig uit de vorige eeuw, zoals sommigen doen? Dat lijkt me uiterst onverstandig en bovendien onjuist. Waar in Europa is de eerste anti-joodse maatregel genomen, of de tweede? Welke overheid is begonnen om joden niet meer in overheidsfuncties aan te nemen of ze eruit te werken? Van welke clubs of organisaties is bekend geworden dat ze joden als leden weren? Welke politieke partijen willen de zogenaamde macht van joden inperken?

 

Parallellen tussen verleden en heden trekken luistert nauw: voordat men het weet doet men aan geschiedvervalsing en gaat het eerder om propaganda dan om vergroting van inzicht. Zo werd er in 2003, in het kader van de herdenking van de Kristalnacht, zowel door het NIW als door sprekers bij de herdenking uit een internetbron geput die een volslagen foutief aantal synagogen noemde dat in november 1938 in nazi-Duitsland in brand zou zijn gestoken, namelijk zeker 1000 (NIW, 7-11-2003), in plaats van de feitelijke 191. Alsof die 191 niet erg genoeg waren. Op zo’n moment wordt de indruk gewekt dat joden er belang bij hebben de gruwelen uit het verleden zo extreem mogelijk voor te stellen om op die manier de ernst van het heden extra kracht bij te zetten. Zowel de interpretatie van het verleden als die van het heden verliest dan aan geloofwaardigheid.

 

Niet dat ik zou willen beweren dat het antisemitisme de laatste jaren niet is toegenomen. Integendeel, zowel in bepaalde extreemrechtse, extreemlinkse als islamitische kringen is dat wel degelijk het geval; verbaal, in geschrifte, en soms ook fysiek, met beschadigingen van synagogen en begraafplaatsen, en aanvallen op personen. We zitten op dit moment in een periode van wat ik noem de fatale driehoek van kritiek op Israël, antizionisme en antisemitisme. Vaak wordt beweerd dat deze drie componenten onherroepelijk in elkaar overlopen. Ik ben het daar niet mee eens: het gebeurt zeer zeker, maar niet per definitie. Laat ik met het eerstgenoemde beginnen. Kritiek op Israël -op de Israëlische (bezettings)politiek - is volstrekt legitiem. Of gelden voor Israël soms (nog steeds) andere normen dan voor de rest van de wereld? Men hoeft zelfmoordaanslagen of corrupt Palestijns bestuur niet goed te praten, om toch de systematische vernedering van de Pa-lestijnen door Israël aan te klagen, en de vernietiging van de Palestijnse sociaal-economi-sche infrastructuur, liquidatiepolitiek, martel-methoden, en landjepik via de bouw van ‘de muur’.

 

Ook antizionisme is niet zomaar hetzelfde als antisemitisme. Voor de Tweede Wereldoorlog was antizionisme volstrekt normaal, ook onder joden. En huidige opvattingen als dat Israël als joodse staat zou moeten verdwijnen of beter nooit opgericht had kunnen worden, zijn controversieel, soms regelrecht dubieus, maar niet als vanzelfsprekend gelijk te schakelen met antisemitisme. Antizionisme wordt pas antisemitisme wanneer het zich bedient van identieke mechanismen, in dit geval van stereotypering en demonisering van Israël als zogenaamde collective Jew. Dus wanneer de joodse staat, direct of indirect, wordt gebrandmerkt als de Duivel op Aarde, de moderne vermomming van de sluwe, machtige en rijke jood die over Oorlog en Vrede gaat.

 

Zo zijn we bij het derde element van de fatale driehoek beland: het hedendaags antisemitisme. Daarin zijn met name het stereotype van het joods complot - zie de eerder aangehaalde ingezonden brief - dan wel het streven van de joden naar de wereldmacht weer bijzonder populair. Deze beelden zijn terug te voeren op het antisemitische geschrift De Protocollen van de Wijzen van Zion (kort voor 1900 gefabriceerd) - een vervalsing die tot op heden wordt herdrukt en gelezen, niet alleen in de Arabische wereld, ook bijvoorbeeld in Oost-Europa en de Balkan. Het beeld van de joodse samenzwering verwijst nu vooral naar de almacht van Israël, en naar opvattingen als dat de joden de dienst uitmaken in de Verenigde Staten, de wereldpers beheersen, achter de aanslagen van 11 september zitten en de oorlog tegen Irak hebben doorgedrukt.

 

Omkering van goed en fout

Bovendien is het al jaren praktijk om een parallel te trekken tussen joden en nazi’s, tussen zionisme en nazisme, Sjaron en Hitler. Nogal wat mensen, van Noord-Afrikaanse en Arabische jongeren tot Europese intellectuelen, zijn gevoelig voor deze vergelijking. Ze zien de beelden van op een hoop gedreven en geblinddoekte Palestijnen, bewaakt of opgejaagd door Israëlische militairen en zien geen verschil, of wénsen geen verschil te zien, met de vervolging van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het nazisme fungeert dan in feite als symbool voor Het Kwaad. Maar waar zijn de Israëlische rassentheorieën, vernietigingskampen, gaskamers, euthanasieprogramma’s en medische experimenten met, bijvoorbeeld, Palestijnen en Bedoeïenen? Is het Israëlisch bezettingsregime zónder nazi-prak-tijken soms niet al erg genoeg? De gelijkschakeling tussen zionisme en nazisme vervult een functie (zoals antisemitisme altijd een maatschappelijk, politieke en/of psychologische functie vervult). Ook joden blijken tot grote misdaden in staat, en daarmee is de rekening vereffend, die van schuldgevoel en onbehagen, van het falen van de niet-jood tegenover de jood ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Hier is sprake van een omkering van het referentiekader van goed en fout dat het Westen na 1945 gaandeweg is gaan beheersen. Het ultieme slachtoffer van de nazi -de jood - is tot dader geworden, en de Palestijn tot jood. En dat Marokkaanse jongeren zich liever identificeren met deze Palestijnse underdog, onderdrukt door de Ander, ‘de jood’, dan met een Arabische underdog die zucht onder een repressief Arabisch regime, spreekt vanzelf.

 

Over underdog gesproken. Joden lijken soms niet te beseffen dat hun positie niet alleen gekenmerkt wordt door kwetsbaarheid maar ook door kracht. ‘Kwetsbaarheid’ vanwege latent of manifest antisemitisme (van vroeger en nu), de joodse minderheidspositie - dat wil zeggen buiten Israël - en de complexe verhouding tot dat controversiële land. ‘Kracht’ vanwege een over het algemeen goede maatschappelijke en economische positie, een rijke en gewaardeerde cultuur, en de ondersteuning van Israël door de Verenigde Staten, het machtigste land ter wereld. Die combinatie van kracht en kwetsbaarheid brengt zowel de jood als de niet-jood in verwarring. Dat laatste valt onder meer af te lezen uit de tegenstrijdige, namelijk zowel minachtende als ook bewonderende of jaloerse stereotypen. ‘De jood’ wordt als het ware ervaren als én inferieur én superieur. Er zijn de kruiperige en de laffe jood, maar ook het joods genie en de joden die de wereld beheersen. Veranderende historische verhoudingen blijken invloed te hebben op de gangbaarheid van stereotypen. Zo is bijvoorbeeld, ongetwijfeld ten gevolge van de Israëlische krachtige, niet zelden gewelddadige politiek en van het bondgenootschap met de Verenigde Staten, het stereotype van de laffe jood naar de achtergrond gedrongen en dat van de machtige jood op de voorgrond getreden.

 

Geen zompig moeras

Hoe moeten we ons nu opstellen? Ingewikkeld is dat het antisemitisme enerzijds substantieel is toegenomen, en anderzijds ook wordt geïn-strumentaliseerd. In bepaalde omstandigheden vervult antisemitisme immers ook voor jóden een functie. Bijvoorbeeld die van bindmiddel in een verdeelde joodse wereld, of van een sluiproute die lastige kritiek op Israël omzeilt. Die van bevestiging van de eigen joodse identiteit en van diepgewortelde gevoelens van angst en wantrouwen ten aanzien van de buitenwereld, en van welkom bewijs van de bestaansgrond van de joodse staat. Maar Europa (of Nederland) bestempelen tot één zompig moeras van antisemitisme, zoals vanuit Israël en de Verenigde Staten wel is gebeurd, en beweren dat er geen verband bestaat tussen het toegenomen geweld tegen joden enerzijds en kritiek en woede op Israël anderzijds, is absurd én contraproductief. Het is belangrijk te erkennen dat het Israëlisch-Palestijns conflict op dit moment de belangrijkste motor vormt voor het hedendaags antisemitisme, en dat een oplossing ervan dus een rem op dat antisemitisme zal zetten. Dat wil trouwens absoluut niet zeggen dat dit conflict dé oorzaak is van antisemitisme, en dat de stichting van een Palestijnse staat er daarom voorgoed een einde aan zal maken. Die stelling is een ontkenning van de aard en de functie van jodenhaat. Het antisemitisme kent zó’n taaie geschiedenis, is als het ware zo multifunctioneel, en zit zo diep verankerd in het collectief geheugen, dat het niet zal verdwijnen. Ik heb het nu niet eens gehad over het antisemitisme in Oost-Europa. De erkenning van het Israëlisch-Palestijns conflict als trigger van de huidige anti-joodse escalatie, is dan ook heel iets anders dan het toegenomen antisemitisme maar met een korrel zout te nemen. Het is, integendeel, zaak oplettend te zijn en zonodig op te treden - maar zonder spoken te zien, laat staan ze op te roepen. Dus: alarm slaan? Nee, maar wel alert zijn. En: relativeren? Indien van toepassing, maar eerst: analyseren.

 

 

Evelien Gans is historica, als onderzoeker werkzaam bij het NIOD en als bijzonder hoogleraar Hedendaags jodendom, zijn geschiedenis en zijn cultuur verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Joods Maatschappelijk Werk (JMW) startte op 6 februari van dit jaar een reeks bijeenkomsten over antisemitisme onder de titel ‘alarmeren of relativeren?’. De eerste bijeenkomst vond plaats in Amsterdam. Ida Vos en Evelien Gans hielden daar een voordracht. Van de laatste volgt hier de tekst die zij uitsprak.

 

Referentie: 
Evelien Gans | 2005
Cogiscope : tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld, ISSN 1871-1065 | 1 | 1 | juni | 16-21
Trefwoorden: 
antisemitisme