‘Eer verloren, al verloren': verkrachtende soldaten, verzwegen misdaden

‘Een van de twee sleurt me aan mijn polsen verder, de gang door. Nu trekt ook de ander aan me, waarbij hij zijn hand zo om mijn keel legt dat ik niet meer kan schreeuwen, niet meer wil schreeuwen uit angst gewurgd te worden. Ze rukken allebei aan mijn kleren, ik lig al op de grond. [...] een van de mannen [staat] op de uitkijk, terwijl de ander aan mijn ondergoed rukt, met geweld zijn weg zoekt - [...] Als ik wankelend overeind probeer te komen, werpt de tweede zich op me en dwingt me met vuisten en knieën terug op de grond.’

 

Deze scène, gedateerd 27 april, staat in een Berlijns dagboek dat de negen weken beslaat tussen 20 april en 22 juni 1945, de weken waarin soldaten van het Rode Leger (dat de stad had ingenomen en daarmee de Duitse nederlaag bezegelde), massale verkrachtingen begingen. Het dagboek, een uniek document féminin werd in 1954 in de Verenigde Staten als boek gepubliceerd onder de titel A Woman in Berlin, en vervolgens onder meer in het Nederlands vertaald. In 1959 verscheen bij een Zwitserse uitgeverij een Duitse editie. Maar de tijd was daar niet rijp voor zo’n kroniek. De anonieme schrijfster werd ervan beticht dat zij door haar onthullingen ‘de Duitse vrouw bezoedelde’ (!), en het boek raakte in vergetelheid.

Pas eind jaren tachtig - een feministische golf en een gevallen muur later - circuleerden in Duitsland in kleine kring weer gekopieerde exemplaren, en in 2003, na de dood van de auteur (die leefde van 1911 tot 2002) en op haar voorwaarde ook nu nog anoniem, werd deze wereldgeschiedenis-aan-den-lijve heruitgebracht in een gerenommeerde reeks van Hans Magnus Enzensberger. Ditmaal sloeg het boek, dat ook literair van grote waarde is, in als een bom. Het beleefde in korte tijd tien drukken.

In Nederland werd het boek in de jaren vijftig al herdrukt; bij ons sloeg het grote vergeten van de Russische misdaden pas toe met het eind van de koude oorlog. In het begin daarentegen, in 1945, werd speciaal door de Partij van de Arbeid tegen het communisme gewaarschuwd met de boodschap dat ‘de nachten in Parijs en Amsterdam even donker’ en het ‘gegil even hartverscheurend’ zullen zijn als het was in Berlijn en Wenen. Maar na de jaren zestig verdwenen ook bij ons de verkrachtingen uit het collectieve geheugen.

Naar aanleiding van het Duitse succes werd Een vrouw in Berlijn in 2002 opnieuw in het Nederlands vertaald en werd het zelfs door Cox Habbema als monoloog op de planken gezet. Niettemin, ook in het nieuwe millennium, haast zestig jaar na de Duitse capitulatie, bleven verdachtmakingen niet uit.

Een linkse Duitse journalist openbaarde de identiteit van de auteur (ik volg hier haar wens om Anonyma te worden genoemd), en trachtte twijfel te zaaien aan de betrouwbaarheid van de tekst door te suggereren dat zij had gecollaboreerd. Deze insinuaties missen elke grond, maar werden niettemin gretig overgenomen door het Historisch Nieuwsblad. Het lijkt nog altijd moeite te kosten misdaden tegen vrouwen als zodanig serieus te nemen.

 

Gigantische verliezen

Wie door de stad loopt waar de dagboekschrijfster haar weg zocht door de puinhopen en trachtte aan potentiële verkrachters te ontkomen, wandelt door de geschiedenis van de twintigste eeuw. De moord op Liebknecht en Luxemburg, de opkomst van Hitler, de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Duitse deling en hereniging - het ligt allemaal vast in straten, gebouwen, monumenten en plaquettes. Wat Berlijn bij uitstek illustreert zijn de veranderingen van de laatste jaren in het publieke herdenken van de Tweede Wereldoorlog. Zoals bekend, hebben de voormalige twee Duitslanden het verleden op uiteenlopende manieren verwerkt. In het westelijk deel worden net als in Nederland de laatste decennia de moord op de joden en de onderdrukking van elke oppositie beschouwd als wezenskenmerken van de periode 1940-1945. Het oosten benoemde zichzelf tot het antifascistische Duitsland. Met die vleiende etikettering loochende het zijn relatie tot de nazi-tijd. Bovendien werden met de talrijke Oost-Duitse oorlogsrituelen niet de genocideslachtoffers herdacht doch de gevallenen van het communistisch verzet en de heroïsche strijd van de Sovjet-Unie. Die offici-ele staatsvisie wordt sedert 1990 bij stukjes en beetjes aangepast. Daarnaast speelt in het verenigde Duitsland het probleem van de Duitse burgerslachtoffers: kan over hen worden gesproken zonder dat daarmee de Duitse schuld wordt vergoelijkt?

Dat alles leidt tot heftige debatten en soms pijnlijke maatregelen. Rond een gedenksteen in het centrum van Berlijn werd plexiglas gezet, zodat we nu in één oogopslag het oude DDR-beeld zien, inclusief een tekst die de door de nazi’s vermoorde ‘communistische verzetsman’ Herbert Baum eert, én ter aanvulling op het plexiglas worden geïnformeerd dat Baum een jood was, wat in de DDR kennelijk niet vermeldenswaard was geacht.

Een dergelijke oplossing is onmogelijk bij het monument voor het Rode Leger in het Oost-Berlijnse Treptower Park. Dit staaltje gigan-tisme, zoals mijn kunstreisgids de stijl van dit massagraf noemt, drukt een mens met de neus op de inderdaad gigantische verliezen die de Sovjet-Unie tijdens de Tweede Wereldoorlog leed: naar schatting twintig miljoen mensenlevens. Het monument herinnert aan een fractie daarvan. De vijf rechthoekige perken bergen de lichamen van 5000 van de 80.000 sovjetsoldaten die alleen al bij Berlijn sneuvelden - naast 275.000 gewonden. Bij deze gedenkplaats vergeleken verschrompelt het Olympisch Stadion tot een kabouterspeelplaats. Maar het is de boodschap, niet de maat die het gedenkteken problematisch maakt. Aan weerszijden van de steenvlakte zijn militaire taferelen uitgebeeld: soldaten met kalasjnikovs; soldaten die gesneuvelde kameraden wegdragen; soldaten met een kind op de arm; en vrouwen die met boeketten in de hand hun bevrijders verwelkomen.

Vrouwen die de sovjetsoldaten verwelkomden? Welke vrouwen kunnen dat zijn geweest? In werkelijkheid vluchtten Duitse vrouwen massaal westwaarts, voor het optrekkende Rode Leger uit. Verstopt in kelders, op zolders, in kasten wachtten de Berlijnse vrouwen doodsbang hun ‘bevrijders’ af. Joodse onderduik-sters die inderdaad enthousiast op de Russen afstormden, hebben dat nogal eens moeten bezuren. Niet voor niets wordt het Treptow-mo-nument ook wel het Graf van de Onbekende Verkrachter genoemd.

Maar waar staat het monument voor de Onbekende Verkrachte Vrouw? En waar worden de vrouwen en meisjes herdacht die door hun mannen, vaders, verloofdes en leraren werden vermoord of geprest om zelfmoord te plegen, nadat ze waren verkracht óf preventief, omdat hun ‘eer’ van hoger waarde was dan hun leven? Verkrachte vrouwen zagen vaak geen perspectief meer op een fatsoenlijk leven. Soms pleegden ze zelfmoord als ze zwanger bleken te zijn. Heel wat mannen beschouwden een verkrachte vrouw of dochter als bezit, dat nu het geschonden was, zijn waarde had verloren. Journaliste Ruth Andreas-Friedrich observeerde op 7 mei 1945 dat er ‘een sfeer van zelfmoord in de lucht zat’. Zo had een lerares van een meisjesklas haar leerlingen voorgehouden dat hen, als de Russen hen ‘onteerden’, niets anders restte dan de dood. Andreas: ‘Meer dan de helft van de leerlingen trekt de consequenties en verdrinkt zich.’

Moet het Treptow-monument worden omhuld met plexiglas vol corrigerende teksten en gru-welfoto’s? Moet de steenmassa worden opgeblazen? Of is er een manier om tegelijk de heldendaden én de misdaden van het sovjetleger te erkennen?

Het zou al schelen als de massaverkrachtingen een plaats zouden krijgen in ons collectieve geheugen. Als er een einde kwam aan de cyclus van sensatie, schok en vergeten, die zich sedert 1945 meermalen heeft voorgedaan. En als er een begin werd gemaakt met het zoeken naar verklaringen. Dat is niet alleen voor de Duitse geschiedenis van belang. Seksueel oorlogsgeweld maakt bij conflicten overal ter wereld (Bosnië, Rwanda, Darfur) grote aantallen slachtoffers, die vervolgens vaak worden uitgestoten of vermoord. De sociale (en derhalve de psychische effecten) van verkrachting zijn geniepiger dan van ander geweld: door de connotaties van schuld, schaamte, zonde en besmetting ondervinden de slachtoffers in het algemeen weinig meeleven.

 

Sociale amnesie

Toen ik in de herfst van 2002 Berlijn bezocht, was de Nederlandse pers net in de ban van de ‘sensationele onthulling’ door de Britse historicus Antony Beevor, dat de Russen in de Duitse hoofdstad vele tienduizenden vrouwen en meisjes hadden verkracht. Terwijl de hoge bomen van het Treptower Park het sovjetmonu-ment met hun mooiste herfstkleuren omlijstten, besteedden Nova, OVT en Vrij Nederland aandacht aan zijn boek Berlin 1945. Wat niemand vermeldde was dat Beevors nieuws geen nieuws was. Net als diverse voorgangers citeerde hij zeer ruim uit Eine Frau in Berlin. De nieuwe bronnen die hij daarnaast opspoorde, bewezen dat ook joodse overlevenden en ver-zetsvrouwen die door de Russen uit de nazi-kampen waren bevrijd tot de slachtoffers behoorden. Ook dat wisten we al, en wie het nog niet wist, die wilde het niet weten. Ik schreef er zelf sedert 1990 diverse malen over en ondervond even zo vaak hoeveel modder men dan over zich heen kan krijgen. De opwinding van 2002 illustreerde de cyclus van sensatie, weten en vergeten. Misschien draagt Eine Frau ertoe bij dat het vergeten ditmaal uitblijft.

Eerst de aantallen, die overigens logischerwijs moeilijk precies zijn vast te stellen. De grondigste berekeningen zijn gemaakt door filmmaakster Helke Sander voor haar indrukwekkende tv-documentaire Befreier und Befreite uit 1992. Sander fundeerde haar schatting van 1,9 miljoen verkrachte vrouwen gedurende de opmars en ruim honderdduizend in Berlijn op onder meer medische dossiers van abortussen, geboortes en geslachtsziekten. Twee miljoen. Een twee met zes nullen. Hoe kan zo’n mas-samisdaad verzwegen en onverklaard blijven? Een misdaad met ook nog tastbare consequenties in de vorm van geslachtsziekten (enkele honderden verkrachte vrouwen stierven aan syfilis) en een cohort ongewenste, geen liefde maar schaamte oproepende kinderen die vaak na hun geboorte in een ziekenhuis werden achtergelaten.

Verzwegen is fout uitgedrukt. Hoe vaak? vroegen vrouwen elkaar in die voorjaarsweken automatisch. En ze gaven elkaar hun restjes vaseline tegen het schrijnen. Het ging over niets anders, maar in het openbaar verdween dit lijden in wat we met recht een conspiracy of silence kunnen noemen. In die sociale amnesie speelden alle bovengenoemde invloeden een rol: de DDR-definitie van de Sovjets als bevrijders; de koude oorlog; de problematische positie van de Duitse slachtoffers; en, last but not least: de man-vrouwverhoudingen, die deze misdaad een speciale geladenheid gaven en die nog in het teken stonden van eer en kuisheid.

In de sovjetzone werden de Russen voorgesteld als bevrijders. Het Rode Leger had zich opgeofferd om de bevolking te redden van de nazi’s.

En er waren inderdaad arbeiderswijken waar men in mei 1945 spontaan de rode vlag uithing. Maar die idyllische voorstelling van zaken werd door de verkrachtingen ondermijnd. De directieven uit Moskou inzake de juiste houding jegens de burgerbevolking waren ambivalent. Tijdens de opmars waren boven Berlijn pamfletten uitgegooid om de Duitse vrouwen gerust te stellen, die door de jarenlange nazi-propa-ganda de Iwans meer als beesten dan als mensen waren gaan zien. ‘Onverdraaglijk’ noemde Ruth Andreas het idee dat Goebbels met zijn Mongolensturm gelijk zou krijgen, maar dat kreeg hij helaas wel. ‘Onze bevrijders hebben onze harten gebroken’, schreef een sociaaldemocratische sowjetsympathisant. Horloges en vrouwen rovend marcheerde het heilsleger binnen. Uhri, Uhri, Frau komm. Er waren sovjetofficieren die hun soldaten bevalen de bevolking fatsoenlijk te behandelen. Maar tegelijkertijd waren de Russische soldaten jarenlang voortgestuwd door het besef hoe beestachtig de Duitsers hadden huisgehouden in Leningrad en Stalingrad en waar niet al.

Teleurgestelde Duitse communisten kregen op bevel van Kominform-verantwoordelijke Georgi Dimitrov geen excuses maar de uitleg dat dit de begrijpelijke wraak was voor de Duitse moordpartijen. Aldus kregen de mishandelde vrouwen de nazi-misdaden van dit boegbeeld van het antifascisme als een boemerang geretourneerd. Blijkens een getuigenis van geheimedienstchef Markus Wolf waren in de latere DDR de verkrachtingen voor pers en radio een officieel verboden onderwerp. Toen de Joegoslavische partijleider Djilas het wangedrag van het Rode Leger jegens Joegoslavische vrouwen bekritiseerde, werd hij door Stalin persoonlijk gekapitteld; de grote leider zag er geen kwaad in dat mannen zich na zoveel narigheid ‘wat amuseerden’ met vrouwen. Volgens Beevor spreken zelfs hedendaagse Russische historici nog eufemistisch over ‘negatieve gebeurtenissen die het prestige van de sovjetstrijdkrachten schaadden’.

 

Eer verloren, al verloren

Impliceert dit dat West-Duitsland de verkrachtingen gretig herdacht? Nee. Het lot van de vrouwen was tijdens de Wieder-aufbau niet de grootste zorg. Het was voor fatsoenlijke Duitsers bovendien precair terrein, omdat die er gewetensvol voor terugschrokken de Sovjet-

Unie zwart te maken en zo wellicht de Duitse oorlogsmisdaden te relativeren. Links vreesde met het oprakelen van deze episode de dialoog en de ontspanning te remmen. Maar dit is nog niet alles. Ook zonder enig politiek motief was er reden tot stilte. In het christelijk geïnspireerde denken over de seksen en seksualiteit is het de taak van vrouwen de mannelijke lust te bedwingen en de eigen kuisheid te bewaren. Slachtoffers van verkrachting plachten zich te schamen, slachtoffers van verkrachting door slavische Untermenschen des te meer. (Vrouwen die uit de verkrachtingen een kind kregen, maakten hun kind en hun omgeving vaak wijs dat het van een Amerikaan was; dat was minder erg.)

Mannen hadden niet minder reden voor schaamte en geheugenverlies: zij hadden ‘hun’ vrouwen niet beschermd. Uit alle bronnen blijkt dat zij niet veel deden. Een vrouw die om zichzelf en haar man te redden haar verzet opgaf, moest na afloop hém troosten. Een buurman snauwde naar een vrouw die zich tegen de soldaten verzette: ‘Schiet op, je brengt ons allemaal in gevaar’. Toen een dertienjarige jongen zich op de Rus stortte die zijn moeder beet-greep, werd hij doodgeschoten.

Volgens de dagboekschrijfster tastte de ingrijpende lente van 1945 de kijk van vrouwen op mannen aan. ‘Steeds opnieuw merk ik dezer dagen dat mijn gevoel, het gevoel van alle vrouwen tegenover de mannen, verandert. Ze gaan ons aan het hart, komen ons zo meelijwekkend en weerloos voor. Het zwakke geslacht. Een soort collectieve ontgoocheling maakt zich onderhuids van de vrouwen meester. De door mannen beheerste nazi-wereld, die de sterke man verheerlijkt, wankelt en daarmee ook de mythe “man”. In eerdere oorlogen konden de mannen er prat op gaan dat het doden en gedood worden voor het vaderland hun privilege was. Tegenwoordig overkomt dat ons, vrouwen, ook. Dat verandert ons, maakt ons venijnig.’ Het waren vrouwen die met alle risico’s van dien op zoek gingen naar eten, water en brandstof en zij waren het ook die later het puin ruimden (de Trümmerfrauen). Dat impliceert overigens geenszins zoiets als een vrouwelijke solidariteit: om hun eigen dochter te redden, leverden moeders soms buurmeisjes uit aan de verkrachters.

Cornelius Ryan, beroemd van The Longest Day, schreef in 1966 een boek over de slag om Berlijn: The Last Battle. Hij schetste gedetailleerd hoe barbaars de Russen te werk gingen. Het verkrachten ging veelal groepsgewijs en vrouwen moesten vaak na afloop in het ziekenhuis worden gehecht - als ze het overleefden. De soldaten drongen kraamafdelingen binnen, waar ze zowel zwangere als net bevallen vrouwen verkrachtten. Het enige waar ze voor terugschrokken was de besmettelijke tyfus en de truc om in cyrillisch schrift de waarschuwing ‘tyfus’ boven bijvoorbeeld een ziekenhuiszaal te hangen, werd dan ook steeds meer toegepast, ook in bevrijde concentratiekampen. Ryan meldt ook de verkrachting van de vooraanstaande communiste Hilde Radusch, die haar leven had gewijd aan de verbreiding van het marxisme en alle oorlogsjaren lang met smart had uitgezien naar het rode bevrijdingsleger. Ryans voorbeelden illustreren de tragische sociale en psychische dynamiek dat de intiemst betrokkenen hun woede over alle schaamte en vernedering tegen de slachtoffers en zichzelf richtten. Alleen al in april pleegden tussen de vijf- en zesduizend Berlijners zelfmoord. Mevrouw S. werd ‘at gunpoint’ verkracht voor de ogen van haar machteloze man en zoon. Zodra de Russen weg waren, schoot de man vrouw, kind en zichzelf dood. Een moeder van drie kinderen - haar man onder de wapenen - werd uit haar huis gesleept en ’s nachts meermalen verkracht. Toen ze thuis kwam, hadden haar moeder en broer haar drie kinderen en zichzelf opgehangen. De vrouw sneed haar polsen door en stierf. Op dezelfde zevende mei waarop zij de verdrinkingsdood van de schoolmeisjes vastlegde, noteerde Ruth Andreas: ‘”Eer verloren, al verloren,” zegt een geschokte vader en drukt zijn twaalfmaal onteerde dochter een strop in de hand. Gehoorzaam gaat ze weg en hangt zich op aan het dichtstbijzijnde vensterkruis.’

Al die doden zouden niet nodig zijn geweest als de vrouwen hadden blootgestaan aan ‘gewone’ mishandeling. Het is de seksuele component die verkrachting zo’n stigmatiserende gewelddaad maakt, die bovendien zelfhaat genereert. Behalve aan de complexe politieke constellatie moeten we het decennialange vergeten dan ook wijten aan traditionele ideeën over manlijkheid en vrouwelijkheid, en over seksegebonden deugd, eer en schande. Een verkrachte vrouw was in veler ogen een overspelige vrouw. De slachtoffers werden veelal niet getroost maar gestraft. Het is veelzeggend dat de schrijfster die beschreef wat vrouwen was aangedaan, er in !959 van werd beschuldigd hun eer te bezoedelen, en dat het daarna maar liefst veertig jaar duurde voor een uitgever een herdruk aandurfde. Zelf durfde ze het nooit meer; haar fenomenale boek mocht pas na haar dood opnieuw verschijnen.

Een vrouw in Berlijn is een uniek egodocument, omdat de schrijfster niet alleen de verkrachtingen registreert van andere vrouwen maar ook de verkrachtingen die zijzelf ondergaat. Uit haar relaas valt te concluderen dat zij door haar houding mentaal weerbaarder was dan haar lotgenotes. Dat is een belangrijke boodschap (impliciet, want moraliserend is ze niet). Doordat zij zichzelf niet beoordeelde naar die benepen sekse-opvattingen slaagde ze erin haar zelfrespect te bewaren. Ze blijft een denkend, waarnemend en handelend persoon. De enkele criticus die haar afstandelijkheid, haar laconieke observaties en het feit dat ze niet instort maar welbewust een overlevingsstrategie uitzet, opvat als een kil gebrek aan gevoeligheid, heeft niet goed gelezen. De schrijfster was een ontwikkelde vrouw van rond de dertig. Levenslustig, ruimdenkend, bereisd; een apolitieke individualiste, geen nazi. Ze verschilt van haar buurtgenoten in haar vermogen de ellende gedistantieerd te observeren en zichzelf waar te nemen als deel van de geschiedenis. Op zelfmedelijden en een slachtof-feridentiteit is de auteur van deze onsentimentele notities niet te betrappen. Ze wil hoe dan ook overleven. Als er weer eens wat tovaritsji op bezoek zijn geweest, overweegt ze dat het fijn zou zijn als ze zich kon wassen; en ze hoopt dat ze niet zwanger raakt. Haar boek laat ons in vi-vo mentale processen zien met behulp waarvan mensen rampen doorstaan, zoals het afsplitsen van de gebeurtenissen van de lichamelijke ervaringen. ‘Ik verstijf. Geen walging, alleen gevoelloosheid. Mijn ruggengraat bevriest... ’ Omdat Anonyma het Duitse slachtofferschap niet misbruikt om Duitse misdaden weg te strepen (ze ziet het veeleer als de prijs ervoor), kun je haar ironie, koelbloedigheid en intelligentie bewonderen, om nog maar te zwijgen van haar schrijftalent. Doordat ze voor de oorlog als journaliste een fotoreportage had gemaakt in de jonge socialistische sovjetstaat, sprak ze wat Russisch, wat in de overlevings-strijd in dit voorjaar goed van pas kwam. Al was ze geen communiste, ze zag de Russen niet louter als een horde wreedaards, maar als onderscheiden persoonlijkheden. Ook daarin verschilt ze van de buren met wie ze haar honger en haar eten deelde en trachtte zich tussen de bombardementen door te redden - zonder water, verwarming, gas, elektriciteit. Hoewel ook zelf veelvoudig slachtoffer van Schdg. (zoals ze de Schandungen in haar drie schoolschriftjes afkort), vermeldt ze nauwgezet dat de rovende verkrachters ook voedsel brengen en helpen waterpompen te installeren.

 

Leugen

Die vriendelijkheid maakt het seksueel geweld nog raadselachtiger. Wat bezielde die mannen? Op die vraag bestaan helaas nog altijd alleen speculatieve antwoorden.

Zo is wel gesteld dat ‘verkrachting nu eenmaal bij oorlog hoort en dat alle legers altijd hebben verkracht’. Tot die stelling nam de voormalige CPN-fractievoorzitter Ina Brouwer haar toevlucht, nadat die partij lang had ontkend dat het Rode Leger iets had misdaan. Zelfs midden jaren tachtig werd een hoogbejaarde CPN-vete-rane nog uitgestoten toen ze de verkrachtingen van ex-Ravensbrückgevangenen door sovjetsoldaten te berde bracht. Een dergelijke normalisering (zoals door Brouwer) maakt seksueel oorlogsgeweld tot een niet nader historisch te onderzoeken natuurgeweld. Bovendien is het

een leugen. Massaverkrachting dóet zich niet altijd voor. Karel van het Reve heeft ooit in een melancholiek stukje uitgelegd dat het communisme zijn aanhang tot liegen dwingt. De kleine Karel hoorde als jeugdige communist over een vrouw die in Duitsland door Russische soldaten was verkracht. Dat kon volgens zijn levensovertuiging natuurlijk niet, dus het relaas bracht hem ‘in een soort gewetensnood’. Door de goedbedoelde uitleg dat legers nu eenmaal altijd verkrachten, voelde hij zich niet getroost, ‘mede omdat hem gedurende vijf jaar bezetting geen enkel geval van verkrachting van Nederlandse vrouwen door Duitse soldaten ter ore was gekomen’.

Dan zijn er de quasi-biologische logica dat mannen hun zaad ‘moeten’ verspreiden, en de eros-thanatos-mythologie dat zij zich na een jarenlange confrontatie met de dood ‘moeten’ voortplanten. Beide veronderstellingen staan haaks op de realiteit van de verkrachtingen door de Russen, die vaak eindigden met de dood van het slachtoffer en plaats hadden zonder aanzien des persoons - kinderen en bejaarden niet uitgezonderd. Ook kwam het voor dat soldaten door hun overvloedig alcoholgebruik (dat in de algehele ontremming een enorme rol speelde) de verkrachting niet wisten te volvoeren en dan maar de flessen gebruikten, wat verschrikkelijke verwondingen tot gevolg had.

Als gezegd: de verkrachtingen zijn ook geduid als wraak voor de slachting onder de sovjetbe-volking. Hoewel dit de meest plausibele verklaring biedt, blijft de vraag waarom de Russen er dan niet toe overgingen willekeurige groepen Duitse burgers (m/v) terecht te stellen. Tegen het idee van vijandschap, althans van ideologische vijandschap, spreekt ook dat ze net zo hard niet-nazi’s en nazi-slachtoffers verkrachtten. Daar staat weer tegenover dat we het ideologische gehalte van het Rode Leger niet moeten overschatten. Zij haatten niet zozeer nazi’s alswel Duitsers.

Veel progressieve mensen hadden de illusie dat het Rode Leger bestond uit geëmancipeerde mannen uit een land dat sedert 1917 de gelijkheid van de seksen in het vaandel voerde. Dat dat niet het geval was, was de ontgoochelende waarheid waarmee onder anderen de verzets-vrouwen die net uit Ravensbrück waren bevrijd, werden geconfronteerd. Een verwante dure vergissing hebben in Zuid-Afrika zwarte vrouwen en anti-apartheidsactivisten gemaakt. Niemand had de golf van verkrachtingen voorzien die het nieuwe Zuid-Afrika overspoelt. Ook hier is de politiek-sociale situatie complex: enerzijds het recente verleden van racistische onderdrukking; anderzijds het ANC-geweld, dat onder apart-heidbestrijders lange tijd een taboe onderwerp was; en nu grootschalig seksueel geweld van zwarte mannen tegen zwarte vrouwen, inclusief kleine meisjes, en tegen blanke meisjes uit nette families om die middels aids ‘kapot te maken’. Er bestaat een lugubere documentaire over dit Zuid-Afrikaanse verkrachtingsfenomeen. Die film toont een aantal dappere zwarte mannen die het land doortrekken in de hoop met toneelstukjes, praatgroepen en gevangenistherapieën feitelijke en potentiële daders ervan te overtuigen dat verkrachting geen heldendaad is maar een misdaad. Helaas getuigen de reacties van een jongensklas en een mannenpraatgroep vooral van vrouwenhaat. Empathie jegens slachtoffers: nul komma nul. Achting voor vrouwen: zo mogelijk nog geringer.

Seksueel geweld tijdens of na oorlogen treft niet exclusief of speciaal vrouwen die tot de vijand worden gerekend. Het is ongerichter. Zowel in Zuid-Afrika als in Duitsland staan en stonden de geweldserupties betrekkelijk los van de politieke tegenstelling die de aanleiding leek te vormen. Veeleer lijkt het erop dat vrouwen steeds als vrouwen de vijand zijn op wie mannen in of na extreem bedreigende situaties zich wreken.

Moeten we nu met Antony Beevor concluderen dat in elke man een verkrachter schuilt? Nee, de meeste mannen zullen nooit verkrachten. Zinniger is het de historische en sociale contexten te analyseren waarin seksueel oorlogsgeweld zich voordoet. Daarin is sedert 1945 gelukkig een en ander veranderd. Door het feminisme onderkent een flink deel van de wereld tegenwoordig het mechanisme om het slachtoffer de schuld toe te schuiven: blaming the victim. Het is althans de bedoeling dat slachtoffers in ontwikkelde westerse samenlevingen niet langer worden gestigmatiseerd maar opgevangen. Sedert het Joegoslaviëtribunaal telt seksueel geweld als oorlogsmisdaad, waarmee het uit de sfeer van het ‘lot der vrouw’ is getild.

Real men don’t rape heet de Zuid-Afrikaanse documentaire. Maar ‘echte mannen’ bestaan niet. Wat wij onder een echte man of dito vrouw verstaan, is een per sociale groep en periode vari-erende fictie. Niettemin zou het winst zijn als mannen die eraan hechten ‘echte mannen’ te zijn, werden bekeerd tot de opvatting dat zulke ‘echte mannen niet verkrachten’. Vooralsnog ziet het er veeleer naar uit dat oorlog onder mannen met primitieve ideeën over de seksen een vorm van male bonding stimuleert, waardoor zij vrouwen niet meer zien als reële personen met wie je empathie voelt en je identificeert. Male bonding werkt in die situatie als een mentaal uitsluitingsmechanisme zoals racisme dat kan zijn. In zulke contexten zijn echte mannen allereerst mannen wier gezamenlijke masculiniteit erin bestaat dat zij vrouwen beschouwen als niet-mensen. De Russische groepsverkrachtingen verliepen in een sfeer van camaraderie. Zuid-Afrikaanse daders legden uit dat zij primair verkrachtten om andere mannen te bewijzen dat zij elke vrouw konden ‘krijgen’ die ze wensten. Duidelijk werd ook dat de frustraties van het ANC-tijdperk door zwarte mannen worden verhaald op de allerlaagsten in de sociale hiërarchie van sekse en kleur: zwarte vrouwen.

Oorlogshandelingen veroorzaken opwinding. Een na langdurige strijd gewonnen oorlog brengt een overwinningsroes, vaak versterkt door alcohol of drugs, waarin de kostbaarheden van de verliezers worden geroofd of vernield. Naar de mate waarin vrouwenlichamen worden gezien als eigendom van vaders/broers/echtgenoten, vernedert men met het verkrachten van vrouwen tegelijk de mannen en daarmee de vijandige natie zelf. Zo werden de Duitse vrouwen tot krijgsbuit van Russische en voorwerp van geweld van Duitse mannen.

Een van de treurigste bijwerkingen van deze sekse-ideologie is dat de vrouwen en hun mannen, kinderen en ouders zichzelf en elkaar troost ontzeggen, allereerst de troost van gedeeld verdriet. Niet louter de verkrachtingen en misschien zelfs niet allereerst de verkrachtingen hebben deze episode tot zo’n drama gemaakt. De betekenissen die de slachtoffers en hun gelieven aan dit geweld verleenden, maakten dat het schaamte, verlating, moord en zelfmoord opriep in plaats van meeleven; en dat het vervolgens werd ‘vergeten’ in plaats van herdacht. In die zin verschillen de doch-termoorden en de zelfmoorden waartoe vaders hun dochters toen aanzetten weinig van de eerwraak waarmee Nederland de afgelopen jaren is geconfronteerd.

Anonyma vindt de verkrachtingen speciaal sneu voor meisjes voor wie dit de eerste seksuele ervaring is. Voor haarzelf was de liefde ‘nooit een last en altijd een lust’ geweest. Zou haar geliefde nog in leven zijn? Ja! En, o wonder, half juni weet hij haar op te sporen. Hij schrikt ervan hoe de vrouwen veranderd zijn: ‘Jullie zijn schaamteloze teven geworden’, zegt hij als hij heeft ontdekt dat sommige vrouwen van de nood een deugd maakten door in ruil voor het gebruik van hun lichaam voedsel te vragen, of bescherming. Om de kloof van hun oorlogservaringen te overbruggen, geeft Anonyma hem haar schriften. Hij begrijpt niet wat Schdg. betekent. Ze legt het uit. Hij kijkt haar aan ‘of ze gek geworden is’. En geeft een voorproefje van de latere omgang met dit collectieve trauma: hij vertrekt.

Dit artikel verscheen eerder in De vrouw als mens. De mythe van het sekseverschil, Jolande Withuis (Amsterdam: Bezige Bij, 2007. ISBN 978 90 234 2613 4)

Het boek Een vrouw in Berlijn is aanwezig in de bibliotheek van Cogis.

 

Literatuur

R. Andreas-Friedrich, ‘De Russen in Berlijn’, in: Eindelijk Vrij!, Amsterdam 1995 (oorspr. 1945), 69-80. Anonyma, Een vrouw in Berlijn. Amsterdam: Cossee, 2002.

Helke Sander, Barbara Johr, Befreier und Befreite. Krieg, Vergewaltigungen, Kinder. München: Kunstmann, 1992.

Jolande Withuis:

-    ‘Het verlies van de onschuld van het geheugen. Verschuivende identiteiten en patronen van sociale amnesie inzake seksueel geweld in de Tweede Wereldoorlog’, in: De jurk van de kosmonaute. Over politiek, cultuur en psyche. Amsterdam: Boom, 1995, PP. 32-59.

-    ‘Ravensbrück en het gelijk van Bolkestein’, in: de Volkskrant 22 november 1997.

-    Na het kamp. Vriendschap en politieke strijd. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

 

JOLANDE WITHUIS is socioloog en onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

Referentie: 
Jolande Withuis | 2007
Cogiscope